Snelle Samenvatting
Inleiding in de methodologie en statistiek (IMS)
(6461PS014Y) Samenvatting, incl. hoorcolleges
Gemaakt door, studiebegrip, Leer door begrippen!
Voor aankoop, eerst het advies om enkele bladzijde in te zien!
Deze manier van leren is bedoeld om snel de rode draad uit de leerstof te
leren!
1
,Gemaakt door: Studiebegrip V2
Week 1, Grondprincipes van de Wetenschap
1. Kenmerken van wetenschap
Systematisch empirisme: kennis gebaseerd op gecontroleerde
observatie en metingen.
Publieke verificatie: onderzoek moet controleerbaar en
herhaalbaar zijn; resultaten worden openbaar gedeeld.
Oplosbare problemen: alleen vragen die empirisch toetsbaar zijn.
Belangrijk: Wetenschap levert nooit absolute zekerheid; het werkt met
toenemende waarschijnlijkheid.
2. Doelen van wetenschappers
Ontdekken en beschrijven van patronen en relaties.
Theorieën opstellen, toetsen en verbeteren.
3. Soorten onderzoek
Descriptief: beschrijven van gedrag of situaties (bijv. percentage
studenten met stress).
Correlationeel: nagaan of er een verband is tussen variabelen
(correlatie ≠ causaliteit).
Experimenteel: oorzaak-gevolg vaststellen door manipulatie en
randomisatie.
Quasi-experimenteel: lijkt op experimenteel, maar zonder
volledige controle of randomisatie.
4. Empirische cyclus (De Groot, 1961)
1. Observatie: formuleren van ideeën of vragen.
2. Inductie: opstellen van een theorie op basis van observaties.
3. Deductie: afleiden van toetsbare hypothesen uit de theorie.
4. Toetsing: uitvoeren van onderzoek en analyseren van data.
5. Evaluatie: terugkoppeling naar de theorie (bevestigen, aanpassen
of verwerpen).
5. Definities
Conceptuele definitie: abstracte betekenis van een begrip (bijv.
intelligentie = vermogen om te leren).
2
,Gemaakt door: Studiebegrip V2
Operationele definitie: concrete meetwijze van een begrip (bijv.
intelligentie = IQ-score).
6. Variabiliteit en variabelen
Variabiliteit: verschillen tussen personen, situaties of tijdstippen.
Variabele: kenmerk dat kan variëren (bijv. lengte, motivatie).
Variantie: statistische maat voor spreiding (uitgebreid in week 3)
Kernpunten Week 1
Wetenschap: systematisch empirisch, publiek controleerbaar,
oplosbare vragen.
Onderzoeksvormen: descriptief, correlationeel, experimenteel, quasi-
experimenteel.
Empirische cyclus: observatie → inductie → deductie → toetsing →
evaluatie.
Definities: conceptueel (abstract) vs. operationeel (meetbaar).
Onderzoek richt zich op variabiliteit, gemeten via variabelen en
variantie.
3
, Gemaakt door: Studiebegrip V2
Week 2, Validiteit, Meetmethoden en Observatie
1. Validiteit
Validiteit = de mate waarin een test meet wat hij moet meten.
Belangrijkste vormen:
Criteriumgerelateerde validiteit
o Concurrent validiteit: test correleert met een criterium dat op
hetzelfde moment beschikbaar is.
Voorbeeld: depressieschaal vs. klinische diagnose.
o Predictieve validiteit: test voorspelt een toekomstig criterium.
Voorbeeld: Cito-toets voorspelt schoolprestaties.
Constructvaliditeit
Meet de test het onderliggende construct?
o Convergente validiteit: hoge correlatie met vergelijkbare
metingen.
o Divergente validiteit: lage correlatie met ongerelateerde
metingen.
Testbias
Een test is biased als hij systematisch bepaalde groepen bevoordeelt of
benadeelt, los van werkelijke vaardigheid.
Voorbeeld: SAT-test met culturele vooroordelen.
2. Soorten psychologische metingen
Observational measures: direct gedrag observeren (bijv. aantal
keren geeuwen).
Physiological measures: biologische processen meten (bijv.
hartslag, EEG).
Self-report measures: zelfrapportage via vragenlijsten of
interviews.
Archival measures: gebruik van bestaande data (bijv.
politierapporten).
3. Onderzoeksstrategieën
Observationeel
Correlationeel
Experimenteel
4