Algemeen
Algemene begrippen
- Actoren: Staten, Internationale Organisaties
- Rechtsregels/bronnen: verdragen, gewoonte, besluiten IGO’s
- Functies: Bescherming burgers, Vrede en Veiligheid, Global Regulation
- Verwerkelijking/handhaving: Aansprakelijkheid, Rechtshandhaving en conflict, Rechtspraak,
Doorwerking
- WWV: Ween verdragenverdrag; gesloten door de VN. Gaat over verdragen in zijn algemeen.
Internationaal publiekrecht:
- Kent bevoegdheden toe aan de entiteiten die publiek gezag uitoefenen en bepaalt het
juridische kader waarbinnen zij deze bevoegdheden moeten uitoefenen.
- Internationaal recht kent eigen rechtsbronnen, organen en procedures.
- De internationale rechtsorde is gescheiden van de nationale rechtsorde maar;
o Gaat steeds meer over individuen die leven in de nationale rechtsordes.
o Er komen steeds vaker nationale onderwerpen aan bod in de internationale
rechtsorde.
o Staten staan open voor doorwerking van het internationale recht in het nationale
recht.
1. Internationaal
- Onderscheid internationaal recht van nationaal recht.
- Recht dat voortvloeit uit internationale rechtsbronnen is internationaal recht.
2. Publiek
- Regelt de uitoefening van publiek gezag in de internationale gemeenschap.
- Internationaal recht is een instrument waarmee staten hun publieke belangen van veiligheid,
bescherming van milieu etc. kunnen proberen te beschermen indien ze die niet langer
individueel kunnen realiseren.
- Beschermt ook bovennationale publieke belangen.
3. Recht
- Onderscheidt internationale rechtsnormen van overige (internationale) normen.
o Onderscheid tussen rechtsregels en andere regels aan de hand van de
rechtsbronnen.
o Rechtsregels zijn onderdeel van een systeem dan schending van een norm verbindt
met een sanctie.
Organisatie van de internationale rechtsorde
- Juridisch gezien moeten staten gelijk zijn aan elkaar.
- De meeste staten zijn afhankelijk van elkaar.
- Elk land heeft zijn eigen rechtssystemen. Deze kunnen hetzelfde zijn of verschillen.
o Staten bepalen zelf wat er gebeurt, dat maakt veiligheid en handhaving moeilijk
omdat iedereen zijn eigen regels handhaaft.
- Men kan zeggen dat de internationale rechtsorde op decentrale of op horizontale wijze is
georganiseerd.
1. Recht van coexistentie: recht te bestaan, erkenning door andere staten.
2. Recht van samenwerking: moet niet maar mag. De meeste staten werken samen zodat ze er
beter van worden (eigen belang). Het is een recht en geen plicht, iedereen werkt samen uit
eigen wil.
3. Recht van integratie: de samenwerking tussen sommige staten gaat zo ver dat er bijna een
nieuw land ontstaat (nieuwe machtconcentraties).
1
, Geschiedenis internationale rechtsorde
- Komt uit de tijd van de Grieken/Romeinen.
- Middeleeuwen (Codex Justinianus)
- Vrede van Westphalen (1648) à onafhankelijke staten staten zoals we die kennen zijn pas
ontstaan in de 16e/17e eeuw.
- Expansie van Westers recht over de wereld: grote rijken
- Na WOI: Zelfbeschikking van volkeren en vermenigvuldiging van staten
- Na WOII: Heeft geleid tot enorme ontwikkeling in het internationaal recht op het gebied van
samenwerking.
Rechtsbronnen Art. 38 Statuut IGH
- Zijn feiten, gebeurtenissen of procedures die een rechtsorde als rechtsscheppend erkent.
- De nationale en internationale rechtsorde kennen eigen rechtsbronnen.
- Een staat is alleen gebonden aan de rechtsbronnen bij instemming.
1. Gewoonterecht
- Recht dat ontstaat uit de praktijk van Staten in combinatie met een rechtsovertuiging.
- Niet geschreven recht
- Een bepaalde, gebruikelijke handelswijze waarvan staten vinden dat ze ook zo behoren te
handelen.
o Algemene praktijk
o Kan bestaan uit handelingen van alle staatsorganen en uit verdragspraktijk.
o Een regel moet omvangrijk (door veel staten gevolgd worden) en vrijwel uniform
(staten moeten voldoende consistent) zijn.
o Rechtsovertuiging:
o Doordat staten dit uitdrukkelijk aangeven.
o In reactie op de praktijk van andere staten.
o Op basis van verdragspraktijk of besluiten van internationale organisaties.
o Doordat staten niet protesteren.
2. Verdragen
- Een schriftelijk vastgelegde overeenkomst tussen twee of meerdere staten Art. 1 WVV.
o Bilateraal: twee landen die een afspraak maken.
o Multilateraal: meerdere landen die afspraken maken.
- Een verdrag wordt gesloten door regeringen van de staten.
- Een verdrag treedt pas in werking na ratificatie in eigen land (instemming van parlement).
- Pacta Sunt Servanda: gesloten verdragen moeten gerespecteerd worden Art. 26 WVV.
- Verdragen kunnen bepalingen bevatten die ook als gewoonterechtelijke regels bestaan. Ook
kunnen verdragen leiden tot de vorming van gewoonterecht.
3. Besluiten van internationale organisaties
- Het recht dat internationale organisaties hebben.
- Werken alleen binnen de eigen rechtsorde van de organisatie, maar behalve bij mondiale
organisaties.
- Sommige organisaties kunnen alleen bindende besluiten maken en andere organisaties
bindende en niet-bindende besluiten.
- Er zijn verschillende besluitvormingsmodellen:
o Unanimiteit; instemming van alle leden is vereist.
o Consensus; geen uitdrukkelijk toestemming maar niemand verzet zich ertegen. –
o Meerderheid; instemmen met een meerderheid van de leden.
o Opt-out; een orgaan van een organisatie kan een besluiten nemen, dat bindend
wordt voor alle leden, tenzij lidstaten formeel bezwaar aantekenen.
4. Algemene rechtsbeginselen en billijkheid
- Erkende uitgangspunten in alle rechtssystemen; bijvoorbeeld te goeder trouw.
2