Vraag 1: bespreek of deze zaak valt binnen een offender-based en/of een offense-based
benadering van witteboordencriminaliteit
Offender-based= criminaliteit gepleegd door een persoon met een hoge sociale status in
beroepsuitoefening
Offense-based= criminaliteit gepleegd op niet-fysieke wijze door bedrog en verberging om
op deze manier geld of eigendom te verkrijgen, of te voorkomen dit kwijt te raken, voor
ofwel organisatie of zichzelf
Vraag 2: in hoeverre zijn kenmerken van witteboordencriminelen te herkennen in deze zaken?
Kenmerken van daders:
o Wit
o Middelbare leeftijd
o Man
o Hoge sociaaleconomische status/vermogend
Kenmerken van delicten:
o Valsheid van geschrifte
o Gepleegd in beroep of bedrijf
o 8 soorten delicten:
1. Schendingen van de effectenwetgeving
2. Schendingen van de kartelwetgeving
3. Omkoping
4. Bank-verduistering
5. Post- en wirefraude
6. Belastingsfraude
7. Valse claims en verklaringen
8. Fraude met kredietinstellingen
Kenmerken slachtoffers/schade:
o Grote groepen/bedrijven/niet-wetende slachtoffers
Kenmerken Modus operandi:
o Op welke manier het delict gepleegd?
o Wijkt in principe niet af van de legale werkwijze ingebed in gewone
bedrijfsvoering
Vraag 3: kijkend naar hun criminele carrieres, moeten we de daders typeren als crisis responders,
opportunity takers, opportunity seekers, of stereotypical criminals?
Low rate offenders
Crisis responders= mensen die witteboordencriminaliteit plegen vanuit wanhoop
Opportunity takers= mensen die in een situatie belanden waarin zij leren dat hun baan
mogelijkheden biedt voor illegale winst
Medium rate offenders
Opportunity seekers= mensen die actief opzoek zijn voor mogelijkheden en situaties waarin
zij misbruik maken van anderen om geld te verdienen
, High rate offenders
Stereotypical criminals= deze mensen plegen meerdere soorten delicten, zowel
witteboorden- als niet-witteboorden criminaliteit zijn ‘gewone’ criminelen die toevallig
ook witteboordencriminaliteit plegen
Vraag 4: moeten we ook de organisatie als dader beschouwen?
Wat is de organisatie? kan je deze los zien van meerdere of één individu?
Vragen week 2
Vraag 1: hoe kan met criminologische theorieën een verklaring worden gegeven voor de zaak?
Differentiële associatie
Aangeleerd gedrag?
Overwicht criminele attituden
o Motivaties
o Technieken
o Rationalisaties
o Overdracht
Anomie/strain
Sprake van een cultureel bepaald doel?
Geblokkeerde doelbereiking/gebrek aan middelen?
Normloosheid?
Rationele keuze
Keuze gemaakt? aanwijzingen van bewuste keuzes en weloverwogen afwegingen
Baten
Kosten
Zelfcontrole
Combinatie lage zelfcontrole en criminele mogelijkheden
Impulsief handelen
Korte termijn perspectief
Witteboorden: lagere zelfcontrole dan niet-criminelen, hogere zelfcontrole dan gewone
criminelen
Ontwikkelings- en levenslooptheorie
Soort offender
Turning points/life events