,Wegwijs in de BTW
Hoofstuk 7 – Aftrek van voorbelasting
7.1 Algemeen
Iedere ondernemer heeft in Nederland in beginsel recht op aftrek van de door hem betaalde
art. 2 OB. Hierop gelden een aantal beperkingen en gelden er voorwaarden. De aftrek geldt
ook voor de belasting verschuldigd vanwege intracommunautaire verwervingen.
7.2 Btw-richtlijn en aftrek van voorbelasting
De aftrekregeling poogt de ondernemer de ontlasten van de btw, hierdoor ontstaat een
fiscaal neutrale belasting. Het recht op aftrek volgt uit art. 168 Btw, mits zij de goederen voor
btw-belaste handelingen gebruiken. Hierop mogen uitzonderingen worden gemaakt (art. 176
Btw-richtlijn).
In sommige gevallen is in Nederland aftrek uitgesloten, dit geldt voor goederen voor het
voeren van een zekere staat, vervullen behoeften andere dan ondernemer en vrijgestelde
prestatie (art. 16 OB).
Voor een aantal prestaties om niet geldt een fictieve levering waarover geen btw-aftrek
mogelijk is (Btw-richtlijn).
7.3 Voorwaarden voor de aftrek van in rekening gebrachte btw
7.3.1 Art. 15, lid 1, Wet OB 1968
Recht op aftrek van belasting bestaat indien (sub a):
- In het tijdvak van aangifte
- Door andere ondernemers aan de ondernemer
- Ter zake van aan hem verrichte leveringen en diensten
- Btw in rekening is gebracht middels een op voorgeschreven wijze opgemaakte factuur
Voor intracommunautaire verwerving volgt de aftrek uit sub b, mits de ondernemer een
opgemaakte factuur heeft. Sub c regelt nog aftrekmogelijkheden bij:
- Invoer van goederen
- Verschuldigde verlegde btw
- Interne diensten (art. 4 lid 3 OB)
- Intracommunautaire verwervingen anders dan sub b
De btw op nieuwe vervoersmiddelen die intracommunautair geleverd zijn door een niet-
ondernemer in de zin van art. 7 lid 6 OB kan ook aftrekbaar zijn (sub d).
7.3.2 Het tijdvak van aangifte
De voorbelasting die aan de ondernemer in rekening is gebracht moet in aftrek komen in het
tijdvak waarin de factuur is uitgereikt, de factuur moet voor de 15 e dag na de maand van
prestatie worden uitgereikt (art. 34g OB). Het moment van betaling bepaald tus niet het
moment van aftrek.
Voor het vaststellen van de omvang van de aftrek is bepalend het tijdvak waarin de
handelingen zijn gebruikt. Aanvullende facturen zijn in het tijdvak van dat factuur aftrekbaar.
Als een herstellende factuur wordt opgemaakt terwijl de eerste wel de juiste bedragen
noemde, dan geldt het tijdvak van de eerste factuur.
Niet alle aftrekbare btw staat op een factuur, dit speelt bijvoorbeeld niet bij verlegde btw of
een intracommunautaire verwerving (dan wel factuur nodig, maar hierop staat geen btw).
Dan geldt als tijdvak van aftrek het tijdvak waarin de btw verschuldigd was.
Het tijdvak waarin in aangifte moet worden gedaan is in beginsel een kwartaal (art. 25
Uitv.reg.AWR). Als na het indienen van de aangifte maar in het tijdvak nog andere posten
,niet zijn meegenomen kan belastingplichtigen bezwaar maken tegen zijn eigen betaling (art.
6:7 Awb jo. art. 22j sub b AWR) of bezwaar maken tegen de beschikking tot teruggaaf (art.
6:7 Awb jo. art. 22j sub a AWR), voor beiden geldt een termijn van 6 weken.
Na deze termijn kan hij tot 5 jaar een verzoek tot ambtshalve teruggaaf verzoeken, maar bij
een afwijzing zijn er geen rechtsmiddelen.
In beginsel doe je aangifte over het tijdvak waarin er is gefactureerd of waarin de
belastingschuld ontstond, je mag dit echter binnen 5 jaar nog cirrigeren als achteraf fouten
blijken. Blijft de correctie onder de €1000, dan mag je het in de volgende aangifte doen,
anders moet je een correctie-aangifte doen.
7.3.3 Aan de ondernemer
Btw is pas aftrekbaar als deze door een andere ondernemer in rekening is gebracht en aan
deze ondernemer is geleverd. Als je een van de onderdelen hebt is er geen aftrekrecht.
Maatschappen
OB die aan een lid van de maatschap in rekening is gebracht ter zake van goederen die in de
onderneming van de maatschap zijn gebruikt kunnen door de maatschap worden
afgetrokken (HR).
Als voorwaarde geldt dat de maatschap hiervoor geen vergoeding aan het lid mag geven en
dat het samenwerkingsverband de rechten en plichten van de btw op zich neemt als ware
het hem in rekening is gebracht (aftrekbesluit).
7.3.4 Ter zake van aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten
Voor het recht op aftrek is niet relevant of de prestatie op het moment van uitreiken van de
factuur al was voltooid (HR). Dit is met name relevant bij facturen met vooruitbetaling. Btw
zonder prestaties of voor eentje die niet wordt verricht komt in beginsel niet in aftrek.
Bijvoorbeeld bij een schijnovereenkomst.
Behoudens tegenbewijs ga je vanuit dat degene op de factuur de afnemer is. Het is niet altijd
makkelijk vast te stellen of een prestatie aan de ondernemer is verricht. Er is gepresteerd aan
degene die feitelijk de beschikkingsmacht had over het geleverde (HvJ). Bijvoorbeeld
werknemers die tanken, maar in een auto voor uitsluitend bedrijfsdoeleinden en een
rechtstreekse factuur aan werkgever is aan de werkgever gepresteerd.
Bij een leaseovereenkomst van auto’s met tankkaart wordt de benzine aan de lessee
geleverd, de lesor heeft nooit beslissingsmacht over het gebruik van deze benzine (HvJ).
7.3.5 De voorgeschreven factuur
Art. 35a OB omschrijft welke gegevens in de factuur moeten staan, als niet aan alle eisen is
voldaan kun je in beginsel niks aftrekken. Hierbij is de factuur een formele voorwaarde en
bestaat het recht op aftrek al als is voldaan aan de materiële voorwaarden (HvJ). De
Belastingdienst mag de aftrek dus niet weigeren als een formeel vereist eis geschonden maar
hij wel alle nodige gegevens heeft. In beginsel moet je dus de juiste en originele factuur
indienen, maar je mag het bewijs ook op andere wijzen leveren.
Het kan wel de bewijslast verschuiven naar de belastingplichtige. De Belastingdienst mag
aftrek ook niet weigeren omdat degene die de factuur opmaakt niet in de administratie van
de Belastingdienst is ingeschreven, of iemand ondernemer is moet aan de hand van
wettelijke eisen worden bepaald.
Bij invoer, verlegde btw of een intracommunautaire levering is het aftrekrecht niet
afhankelijk van een factuur.
7.3.6 Gebruik voor belaste handelingen
De aftrek van voorbelasting kan alleen als de goederen en diensten door de ondernemer zijn
gebruikt voor belaste handelingen, voor vrijgestelde doeleinden is er dus geen mogelijkheid
, van aftrek voorbelasting. Voor de publiekrechtelijke lichamen speelt dit bijvoorbeeld ook bij
overheidstaken of bij prestaties om niet. Als een ondernemer zowel economische- als niet-
economische activiteiten verricht is het recht op aftrek gecompliceerder.
Voor het recht op aftrek moet er een onmiddellijk verband zijn tussen de afgenomen en de
verrichte prestaties. Dit wordt beoordeeld volgens de omstandigheden van het geval, dit is
doorgaans objectief als de kosten van afname in de vergoedingen worden opgenomen. Of als
de afgenomen dienst noodzakelijk is voor het verrichten van de belaste prestatie.
7.3.6.1 Niet-economische activiteiten en aftrek van voorbelasting
Niet economisch prestaties
Niet-economische prestaties vallen buiten de werkingssfeer van de btw, bijvoorbeeld
handelingen om niet of tegen een symbolische vergoeding of handelingen die absoluut
verboden zijn.
Omdat de niet-economische prestaties niet onder de werkingssfeer van de btw vallen zijn het
geen belaste prestaties. Doordat de goederen voor niet-economische activiteiten zijn
gebruikt is er in beginsel dus geen recht op aftrek.
Een organisatie die zowel economische als niet-economische prestaties verricht moet
worden beoordeeld op het al dan niet onderling afhankelijk kunnen opereren, daaraan moet
de conclusie worden verbonden of zij als geheel moet worden en of dit geheel economisch is
(HR). In sommige gevallen kunnen prestaties om niet dan namelijk toch als ondernemer
verricht, met als gevolg volledig aftrek.
Onbelaste handelingen die zeer nauw samenhangen met belaste prestaties kunnen dus toch
als belaste worden geacht in het kader van de aftrekregeling (HvJ). Maar dan moet er een
rechtstreeks en onmiddellijk verband zijn.
Gemengd gebruik
Als een ondernemer goederen en diensten gebruikt voor zowel belaste als onbelaste
prestaties, dan bestaat alleen een volledig recht op aftrek als er een rechtstreeks en
onmiddellijk verband is.
Als dit verband ontbreekt kan alleen de voorbelasting die ziet op de belaste activiteiten
worden afgetrokken. De methode en criteria voor deze verdeling mogen door de lidstaat zelf
worden bepaald (HvJ), hierbij moeten ze rekening houden met het doel en de systematiek
van de Btw-richtlijn. Hiervan heeft Nederland geen gebruik gemaakt.
‘Vrijgestelde’ prestaties om niet
Een prestatie die om niet wordt verricht, maar vrijgesteld zou zijn in geval er een vergoeding
was (art. 11 OB) geeft geen recht op aftrek.
Levering van softdrugs
Softdrugs zijn een onbelaste levering omdat hierop in de EU een absoluut handelsverbod
geldt. Kosten die mede zien op deze leveringen zijn niet-aftrekbaar (Rechtbank).
7.3.6.2 Privégebruik en het recht op aftrek van voorbelasting
Een ondernemer die goederen of diensten alleen voor privédoeleinden gaat gebruiken kan
de btw niet aftrekken. Pakt een ondernemer echter een goed uit de voorraad, dan behoudt
hij het recht op aftrek (art. 15 lid 4 OB), maar hier is een nieuw belastbaar feit (art. 3 lid 4 sub
a OB).
Prestaties die zowel voor bedrijfs- als privédoeleinden worden gebruikt spelen in beginsel
art. 3 lid 3 en art. 4 lid 2 OB een rol, tenzij de prestaties als BUA kwalificeren (art. 16a OB).
Een goed waarbij btw is afgetrokken maar welke later voor andere dan bedrijfsdoeleinden
wordt gebruikt, dit is in beginsel belast via art. 4 lid 2 OB. Bij privégebruik kan dit echter niet,
dan zal een schatting moeten maken welk deel voor belaste prestaties is gebruikt.