Inhoud
Hoofdstuk 1: Rechtspersonen, algemene thema’s.................................................................................3
Rechtssubjectiviteit:............................................................................................................................3
Publiekrechtelijke rechtspersoon:.......................................................................................................4
Vertegenwoordiging:..........................................................................................................................4
Doeloverschrijding:.............................................................................................................................6
Tegenstrijdig belang:..........................................................................................................................6
Aansprakelijkheid bestuurder en commissaris....................................................................................7
Begrippenlijst hoofdstuk 1....................................................................................................................10
Wetsartikelenlijst hoofdstuk 1..............................................................................................................12
Hoofdstuk 4: Naamloze vennootschap en besloten vennootschap......................................................14
Inleiding............................................................................................................................................14
Oprichting.........................................................................................................................................14
Naamloze vennootschap:.............................................................................................................14
Besloten vennootschap:................................................................................................................14
Aandelen:......................................................................................................................................15
Aandelen op naam, overdracht....................................................................................................16
Aandelen aan toonder, overdracht...............................................................................................17
Andere typeringen van aandelen..................................................................................................17
Aandelenkapitaal..............................................................................................................................18
Kapitaalbegrippen:.......................................................................................................................18
Storting op aandelen voor of bij oprichting...................................................................................19
Uitgifte van aandelen en voorkeursrecht......................................................................................19
Vermindering van het (eigen)vermogen van de vennootschap.........................................................20
Winstuitkering..............................................................................................................................21
Verkrijging eigen aandelen...........................................................................................................22
Kapitaalvermindering...................................................................................................................23
Certificering van aandelen................................................................................................................23
Algemene vergadering......................................................................................................................25
De kernbevoegdheden..................................................................................................................25
Inbreuk op de bevoegdheden van aandeelhouders......................................................................26
Procedure algemene vergadering.................................................................................................27
Bestuur.............................................................................................................................................29
Raad van commissarissen.................................................................................................................30
Begrippen hoofdstuk 4.........................................................................................................................31
2
,Wetsartikelenlijst hoofdstuk 4..............................................................................................................35
Hoofdstuk 1: Rechtspersonen, algemene
thema’s
Rechtssubjectiviteit:
Een natuurlijk persoon is een drager van rechten en plichten. Als een natuurlijk persoon een
onderneming wil beginnen, dan betekend dit dat hij gebonden wordt aan iedere overeenkomst die
ten behoeve van de onderneming wordt gesloten.
Het vermogen van een onderneming zal deel uitmaken van het vermogen van de natuurlijk
persoon/ondernemer. Dit betekent dus ook dat eventuele schuldeisers van de onderneming zich
zouden kunnen verhalen op het privévermogen van de ondernemer. Een ondernemer kan dit
veranderen, hij kan namelijk van de onderneming een rechtspersoon maken. Dit is dan een voor het
rechtsverkeer zelfstandig ‘persoon’. Dit heet een rechtspersoon.
Een rechtspersoon wordt voor onbepaalde tijd opgericht, art 2:17 BW. Een rechtspersoon wordt op
grond van art 2:5 BW als een rechtssubject gezien. Dit houdt in dat een rechtspersoon volgens dit
wetsartikel gelijk staat aan een natuurlijk persoon. Dit houdt in dat wanneer er in een wetsartikel het
woord persoon of iemand wordt genoemd, dit ook geldt voor een rechtspersoon. Dit is wel tenzij de
wet anders bepaald.
Een rechtspersoon bestaat niet uit eigen kracht, maar uit bestuursorganen. Bij de NV en BV is er
sprake van aandeelhouders. Deze aandeelhouders vormen tezamen de Algemene Vergadering van
Aandeelhouders (AVA).
De (enig) bestuurder of bestuurders vormen tezamen het bestuur. Dit is het dagelijks orgaan van de
rechtspersoon. Dit orgaan bestuurt de onderneming op dagelijkse basis.
Er kan nog sprake zijn van een Raad van Commissarissen (RvC). Dit is een onafhankelijke partij
waarbij de commissarissen in beginsel benoemd zijn om toezicht te houden op het bestuur en om bij
belangrijke beslissingen te adviseren.
Op het moment dat een onderneming meer dan 50 personen in dienst heeft, dan moet er een
OndernemingsRaad worden opgesteld (OR). De OR komt op voor de belangen van het personeel. Dit
is vaak een groep medewerkers welke aangewezen is door andere medewerkers om hun stem te
laten horen.
De rechtspersoon handelt met behulp van zijn organen, naar zijn doel.
In art 2:8 BW wordt het algemeen beginsel van behoorlijk ondernemingsbestuur bestempeld. Het
eerste lid:
‘Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken,
moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt
gevorderd.’
Volgens het algemeen vermogensrecht moet bij de vaststelling van redelijkheid en billijkheid gekeken
worden naar de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en
persoonlijke belangen die bij het gegeven geval betrokken zijn, art 3:12 BW.
3
,Het tweede lid van dit artikel bepaald dat deze rechtsregels ook afschaffend kan werken. Er wordt
namelijk gezegd:
‘Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van
toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijk en billijkheid
wordt gevorderd.’
Dit betekend dat de regel dan niet nietig of vernietigbaar is, maar gewoon niet wordt toegepast.
Publiekrechtelijke rechtspersoon:
De publiekrechtelijke rechtspersoon kan privaatrechtelijke handelingen verrichten. Het is daarbij
gebruikelijk om ondergeschikten door middel van volmacht de bevoegdheid te geven om
rechtshandelingen te verrichten namens de rechtspersoon.
Vertegenwoordiging:
Een rechtspersoon moet vertegenwoordigd
worden door een natuurlijk persoon om deel
te kunnen nemen in het economisch verkeer.
Voor een rechtshandeling is vereist een op
een rechtsgevolg gerichte wil die zich door
een verklaring heeft geopenbaard (art 3:33
BW) om deze rechtshandeling te kunnen
doen moet de rechtspersoon
vertegenwoordigd worden door een
natuurlijk persoon. In de wet staat niks over
deze vorm van vertegenwoordiging. De wet
spreekt dan namelijk van volmacht 3.3 BW.
Volmacht is de bevoegdheid die de
volmachtgever verleent aan een ander, de
gevolmachtigde, om in zijn naam
rechtshandelingen te verrichten, art 3:60 lid 1
BW.
De vertegenwoordigingsregeling staat voor
de naamloze vennootschap genoemd in art 2:130 BW en voor de besloten vennootschap in 2:240
BW. Hier is de regeling niet geheel identiek. Het uitgangspunt bij de naamloze vennootschap én de
besloten vennootschap is dat het bestuur en iedere individuele bestuurder onbeperkt en
onvoorwaardelijk bevoegd is tot vertegenwoordiging van de rechtspersoon. Hierbij valt een
uitzondering op het geval als er beperkingen in de statuten zijn opgenomen, zoals een
tweehandtekeningenclausule.
De opbouw van de vertegenwoordigingsbepalingen voor de NV en de BV worden in het volgende
figuur besproken.
4
, Stap o: in deze stap wordt bepaald of het bestuur wel bevoegd is om deze soort rechtshandeling te
verrichten. Hier wordt gekeken of er niet een uitzondering van toepassing is. Wanneer bij stap o nee
luidt, dan is dit stappenplan niet van toepassing. Luidt hier ja, dan moet je verder gaan naar stap 1a.
Stap 1a: heeft het bestuur de vertegenwoordigingshandeling verricht? Art 2:130/2:240 lid 1 BW
bepaalt dat het bestuur in beginsel bevoegd is tot vertegenwoordiging. Hierbij gaat het om het
bestuur wat als geheel de rechtshandeling verricht. Is het antwoord op deze vraag ja? Dan ga je
verder naar stap 2 en anders volgt stap 1b.
Stap 1b: heeft een bestuurder, eventueel samen met een ander, de vertegenwoordigingshandeling
verricht? In art 2:130/2:240 lid 2 BW wordt bepaald dat iedere bestuurder van de vennootschap in
principe vertegenwoordigingsbevoegd is. Als een bestuurder de vertegenwoordigingshandeling heeft
verricht, dan volgt stap 2.
Stap 2: is zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid in de statuten beperkt of aan een voorwaarde
gehouden? Hier wordt gekeken of het bestuur of de bestuurder zich aan een beperking of
voorwaarde had moeten houden. Zo ja dan ga je door naar stap 3.
Stap 3: vloeit deze beperking van of voorwaarde voor vertegenwoordiging uit de wet voort? Is dit een
beperking of voorwaarde welke voortvloeit uit de wet? Wanneer het antwoord hier ja is, dan kan je
doorgaan naar stap 4.
Stap 4: is de statutaire bevoegdheidsbeperking ingeschreven in het handelsregister, art 2:6 lid 2 BW?
Er wordt hier gekeken of derden hadden kunnen weten dat de bestuurder of het bestuur een
beperking of voorwaarde heeft. Wanneer dit niet het geval is, dan is het tot gevolg dat de individuele
bestuurders volledig vertegenwoordigingsbevoegd zijn. Bij nee dan kan er worden overgegaan op
stap G2.
G2: wanneer je bij deze stap bent, dan kan de onderneming zich beroepen op onbevoegdheid van de
bestuurder of het bestuur. De vennootschap is dan niet gebonden aan de overeenkomst en kan deze
dan ontbinden. Doet de vennootschap hier niks mee of is niet bij deze stap uitgekomen, dan is de
vennootschap wel gebonden aan de overeenkomst.
In art 2:130.2:240 lid 4 BW kan gelezen worden dat de statuten ook anderen dan bestuurders
vertegenwoordingsbevoegdheden kunnen geven. In dit geval is er geen sprake van volmacht.
Wanneer er wel sprake is van volmacht bij vertegenwoordiging, kan dit voortkomen uit een besluit
van het bestuur. Degene welke krachtens deze wijze volmacht verkrijgt, wordt ook wel een
procuratiehouder genoemd. in tegenstelling tot de vertegenwoordigingsbevoegdheid bij bestuurders,
kan deze bevoegdheid bij niet-bestuurders beperkt of voorwaardelijk zijn.
Op het moment dat een gevolmachtigde niet in overeenstemming met de inhoud van de verleende
volmacht handelt, dan zal in beginsel geen overeenkomst tussen de rechtspersoon/volmachtgever en
de wederpartij tot stand komen. Hier zijn echter wel twee uitzonderingen gemaakt door de wetgever
bij dit uitgangspunt.
Uitzondering 1: op het moment dat iemand zich gedraagt alsof deze een gevolmachtigde is, dan kan
degene in wiens naam de rechtshandeling is verricht deze bekrachtigen. Hierdoor vind hetzelfde
rechtsgevolg plaats als wanneer de rechtshandeling door een ‘echte’ gevolmachtigde zou zijn gedaan.
Art 3:69 lid 1 BW.
5