Week 1
Behave: The biology of humans at our best and worst – Sapolsky
De schrijver stelt zich voor dat hij Adolf Hitler gevangenneemt en straft op een extreem
gewelddadige manier.
Moreel dilemma:
De schrijver voelt sterke woede en wraakgevoelens tegenover “het kwaad” (Hitler).
Tegelijk beseft hij dat hij eigenlijk niet gelooft in “zielen”, “kwaad” of straf als
rechtvaardiging.
Hij is tegen de doodstraf en tegen geweld, maar voelt soms toch de neiging tot agressie.
Innerlijke tegenstrijdigheden:
Houdt van gewelddadige actiefilms maar is voor streng wapenbeleid.
Geniet van competitieve spelletjes (zoals laser tag) maar vindt geweld verwerpelijk.
Kent pacifistische liederen (“ain’t gonna study war no more”), maar voelt nog steeds
agressieve impulsen.
Breder probleem van de mensheid:
Geweld is overal: oorlogen, terrorisme, misdaad, misbruik, onderdrukking.
Toch vinden mensen niet alle vormen van geweld slecht.
Centrale stelling van het boek:
We haten niet geweld op zich, maar het verkeerde soort geweld—geweld in de verkeerde
context.
In andere contexten waarderen we het juist:
o Sport, competitie, militaire helden, films, zelfs taal (“we rally the troops”, “we fight
for ideas”).
Geweld kan zowel iets wreeds als iets beschermends zijn.
Doel van het boek:
Onderzoeken wat de biologie leert over geweld, agressie en competitie, maar ook over
coöperatie, empathie en altruïsme.
Begrijpen waarom mensen elkaar kwaad doen én waarom ze elkaar helpen.
Conclusie van de inleiding:
Ondanks zijn pessimisme gelooft de schrijver dat er redenen zijn voor hoop: geweld is geen vast
onderdeel van de menselijke natuur — we kunnen leren om beter te doen.
,Hoofdstuk 1
Gedrag heeft vele lagen van oorzaken:
Wat er gebeurt seconden voor een handeling → zenuwstelselreacties.
Wat er gebeurt minuten tot uren eerder → invloed van hormonen en prikkels.
Wat er gebeurt dagen tot jaren of eeuwen eerder → persoonlijke ervaringen en evolutie.
Begrippen definiëren:
Termen als agressie, empathie, competitie, altruïsme, vergeving, enz. lijken duidelijk, maar hun
betekenis verschilt sterk per context en wetenschap.
Probleem met definities:
Woorden hebben waardeoordelen (bijv. “geweld” of “liefde” laden emoties).
Verschillende wetenschappen gebruiken ze anders:
o Biologen: offensieve vs defensieve agressie, tussen soortgenoten of tegen
roofdieren.
o Criminologen: impulsieve vs geplande agressie.
o Antropologen: individuele moord vs oorlog tussen groepen.
Soorten agressie:
Reactieve (emotionele): reactie op provocatie.
Instrumentele (koude): doelgericht, zonder emotie (“ik wil je plek”).
Verplaatste agressie: frustratie afreageren op een zwakkere (rat, aap of mens).
Agressie uit plezier: geweld om het geweld zelf.
Speciale vormen: moederlijke agressie, symbolische dreiging i.p.v. echte aanval.
Ook “goede” begrippen zijn lastig te definiëren:
Empathie vs. sympathie, vergeving vs. verzoening, altruïsme vs. pathologisch altruïsme.
Voorbeeld: iemand die herhaaldelijk misbruikt wordt in een spel maar toch vriendelijk blijft
— moreel goed, maar biologisch gezien mogelijk hersenschade.
Bestaat “puur” altruïsme?
Mensen die bijvoorbeeld een nier aan een vreemde doneren wekken bewondering én
wantrouwen.
We vermoeden altijd een verborgen motivatie (erkenning, schuld, religieuze beloning).
Warm vs. koud gedrag:
We begrijpen “hete” (emotionele) misdaden of goede daden beter — ze voelen menselijk.
“Koude” (gevoelloze) misdaden zijn angstaanjagend, en kille goedheid voelt onnatuurlijk.
, Citaat van Elie Wiesel: “Het tegenovergestelde van liefde is niet haat, maar
onverschilligheid.”
Belangrijk inzicht:
Liefde en haat lijken biologisch sterk op elkaar.
We haten niet agressie zelf, maar de verkeerde soort.
Zelfs “goede” gedragingen kunnen verkeerd zijn in de verkeerde context.
Voorbeeldonderzoek:
Mensen in een experiment helpen een gewonde of schieten een bedreigend buitenaards
wezen neer.
Beide acties (“bandageren” en “schieten”) activeren dezelfde hersengebieden als ze in
context het juiste zijn.
Kernboodschap:
Gedrag is contextafhankelijk — er is geen vaste scheidslijn tussen goed en slecht.
De biologie van ons gedrag gaat niet over “goed” of “kwaad”, maar over onze beste en
slechtste kanten, afhankelijk van de omstandigheden.
The neurobiology of antisocial behavior in adolescence; current knowledge and relevance for youth
forensic clinical practice – Jansen
Inleiding
Antisociaal gedrag (agressie, regelovertreding, delinquentie) komt vaak voor in de puberteit.
Meestal gaat het om tijdelijk gedrag, maar bij een kleine groep jongeren is het hardnekkig en
vroeg begonnen.
Deze jongeren krijgen vaak de diagnose conduct disorder (CD), soms met callous-
unemotional (CU) traits:
o Gebrek aan empathie, schuldgevoel of emotie.
o CU-kenmerken zijn relatief stabiel tot in volwassenheid.
Antisociaal gedrag is een neurodevelopmentaal probleem dat ontstaat door de interactie
tussen biologie, psychologie en omgeving.
Toch wordt neurobiologische kennis nog nauwelijks gebruikt in forensische jeugdzorg.
Doel van het artikel
1. Een overzicht geven van de huidige kennis over de neurobiologie van antisociaal gedrag bij
adolescenten.
2. Bespreken hoe die kennis toegepast kan worden in forensische klinische praktijk
(diagnostiek, risicotaxatie, behandeling).
, 3. Pleiten voor een biopsychosociaal en translationeel onderzoeksmodel.
Neurobiologie van antisociaal gedrag
Genetica
Agressief en delinquent gedrag heeft een gematigde tot hoge erfelijkheid (≈ 40–70%).
Er zijn veel kleine genetische invloeden (dopamine-, serotonine-, oxytocinesystemen), vaak
in interactie met kindermishandeling.
Geen enkel “criminaliteitsgen”; gedrag is polygeen en sterk beïnvloed door omgeving.
Nieuwe studies gebruiken polygenic risk scores (PRS) om gecombineerde genetische
effecten te meten — deze verklaren kleine maar significante verschillen in agressie en CU-
gedrag.
Neuro-imaging
Normale adolescentie: hersenen in onbalans → snelle emotionele systemen, tragere
controlefuncties.
Jongeren met CD/CU tonen:
o Kleinere volumes in prefrontale, temporale, pariëtale en limbische gebieden.
o Verminderde connectiviteit tussen emotie- en controlecentra.
o Lagere amygdala-activiteit bij emotieverwerking (gebrek aan angst of empathie).
Functionele afwijkingen in belonings- en dreigingssystemen (striatum, orbitofrontale cortex).
Neuropsychologie
Jongeren met antisociaal gedrag hebben vaak:
o Lager (verbaal) IQ.
o Zwakke executieve functies (EF): impulscontrole, werkgeheugen, flexibiliteit.
o Problemen met emotieherkenning en -regulatie.
Deze tekorten hangen samen met afwijkingen in prefrontale en limbische hersengebieden.
Neurofysiologie & Neuro-endocrinologie
Autonoom zenuwstelsel (ANS):
o Lage rusthartslag = sterkste biologische marker voor antisociaal gedrag (“low-arousal
theory”).
o Jongeren met CU-traits → lage arousal (onverschillig, ongevoelig).
o Jongeren met angstige, reactieve agressie → hoge arousal.
Cortisol (stresshormoon):
o Antisociale jongeren, vooral met CU-traits, hebben vaak een verlaagde stressreactie.