van crimineel gedrag, 3e jaars criminologie aan de
Universiteit Leiden, op basis van:
- Hoorcolleges incl. PowerPoints en notities door
Dr J.(Jochem) Jansen
- Werkgroepen incl. PowerPoints en notities door
Dr J.(Jochem) Jansen & Dr J.M.H. (Hanneke)
Palmen
- Het boek: “Behave: the biology of humans at our
best and worst”- Sapolsky (2017).
- Alle voorgeschreven literatuur
,Inhoud
Week 1: Biopsychosociaal model en prenatale risicofactoren...............................................................2
Bio-psycho-sociaal model.................................................................................................................. 3
Prenatale risicofactoren..................................................................................................................... 4
Overige literatuur.............................................................................................................................. 6
Week 2: Prenatale en vroege risicofactoren......................................................................................... 7
Genetica en criminaliteit.................................................................................................................... 7
Algemeen effect van genetische variatie.......................................................................................7
Specifieke genen............................................................................................................................ 9
Literatuur..................................................................................................................................... 11
Adverse childhood experiences....................................................................................................... 12
Week 3: De schoolleeftijd (4-12 jaar).................................................................................................. 14
Cognitieve ontwikkeling................................................................................................................... 14
Theory of mind............................................................................................................................. 16
Literatuur..................................................................................................................................... 19
Morele ontwikkeling......................................................................................................................... 21
Emotie-regulatie: zelf controle......................................................................................................... 23
Week 4: Opvoeding en hechting......................................................................................................... 24
Opvoeding: hechting....................................................................................................................... 25
Gezinsfactoren................................................................................................................................. 30
Vrienden/peers................................................................................................................................ 35
Week 5: Adolescentie en het brein..................................................................................................... 38
Het brein.......................................................................................................................................... 38
Amygdala..................................................................................................................................... 39
Frontale cortex............................................................................................................................. 41
Nucleus accumbens...................................................................................................................... 42
Adolescentie.................................................................................................................................... 45
Het zenuwstelsel............................................................................................................................. 46
Oefenvraag tentamen......................................................................................................................... 48
Na afronding van dit vak kunnen jullie:
1. De theorieën binnen de ontwikkelingscriminologie en levensloopcriminologie toepassen;
2. Voorspellingen doen op basis van de besproken theorieën en aangeven op welke wijze deze
voorspellingen getoetst kunnen worden;
3. Het belang van longitudinaal onderzoek voor de ontwikkelings- en levensloopcriminologie
aangeven;
WEEK 1: BIOPSYCHOSOCIAAL MODEL EN PRENATALE RISICOFACTOREN
2
,Leerdoel: aan het eind van dit college kunnen jullie van enkele biologische processen,
vanuit de vroege (prenatale) periode, uitleggen hoe ze (crimineel) gedrag beïnvloeden.
Introductie & Hoofdstuk 1: The behavior uit: Sapolsky, R. M. (2017). Behave: The biology of
humans at our best and worst. Penguin. (p1-20)
Jansen, L. M. (2022). The neurobiology of antisocial behavior in adolescence; current
knowledge and relevance for youth forensic clinical practice. Current opinion in psychology,
47, 101356.
Neugebauer, R., Hoek, H. W., & Susser, E. (1999). Prenatal exposure to wartime famine and
development of antisocial personality disorder in early adulthood. Jama, 282(5), 455-462.
Het vak gaat over verklaringen voor daderschap gedurende de hele levensloop, vanuit het bio-
psychosociaal model.
Sapolski beschrijft in zijn boek dat we het best niet vanuit 1 discipline iets kunnen proberen te
begrijpen, maar dat we een bepaald gedrag – in dit geval criminaliteit – het best kunnen begrijpen
door het vanuit meerdere invalshoeken te bestuderen. Hij heeft ook veel aandacht voor de
biologische kant van het verhaal. Hij doet dit met een voorbeeld met een kip die de straat wil
oversteken omdat hij aan de andere kant een interessante mating partner ziet. Waarom steekt de
kip de straat over? Het antwoord hangt af vanuit welke discipline je deze vraag beantwoordt:
Doel van boek: voorkomen van categorisch
denken. Dit moeten we ook doen met
criminaliteit verklaren; niet vanuit 1 invalshoek,
want dan begrijpen we niet het hele verhaal. Er
zijn verschillende verklaringen samen die de
oplossing vormen voor waarom de een wel en
de ander niet criminaliteit pleegt.
BIO-PSYCHO-SOCIAAL MODEL
Wetenschappers hebben het idee om gedrag vanuit
meerdere perspectieven te bekijken, ook proberen te vatten
in theoretische modellen.
Een van de bekendere modellen voor het voorspellen van
gedrag (in ons geval criminaliteit – maar het model wordt
ook gebruikt om bijvoorbeeld gezondheidsgedrag mee te
voorspellen, enz) is het bio-psycho-sociale model.
- Biologische risicofactoren (linksboven): bepaalde
genetische aanleg, prenatale ontwikkeling,
hersenontwikkeling of de invloed van ervaren stress.
-> week 1, 2 en 5
- Psychologische risicofactoren (rechtsboven): vertraagde of verstoorde cognitieve of
emotionele ontwikkeling (emotie-regulatiestoornissen), psychische aandoeningen (bijv.
conduct disorder, ADHD, antisociale persoonlijkheidsstoornis, identiteitsontwikkeling of
bepaalde persoonlijkheidstrekken). -> week 3
- Sociale/interpersoonlijke risicofactoren (onderaan): effect van waargenomen of
daadwerkelijke sociale contacten; manier waarop het hechtingsproces verloopt, de invloed
van vrienden, en andere relaties, zoals de manier waarop je opvoeding verloopt -> week 4
3
, - Contextual dynamics: hierbij gaat het om de context/gelegenheid tijdens het delict die zich
kan voordoen. Niet om de context in de vorm van bijv. de school/buurt waar je woont etc.! Dit
hoort meer bij sociaal
Het zijn 3 losse blokjes, maar de pijlen ertussen gaan op en neer: alle typen factoren beïnvloeden
ook elkaar, bijv. als je een psychische stoornis hebt, is het soms ook lasting om om te gaan met
andere mensen, zoals bijvoorbeeld voor kinderen met ADHD, of autisme.
De factoren ontwikkelen zich ook over de tijd:
- Rijping van de hersenen
- Dingen die je leert als je ouder wordt
- Veranderende vriendschappen (eerst meer instrumenteel, daarna sociale steun). Als je
vrienden bijv. delinquent zijn, is de kans groter dat je dat ook doet.
- Mensen kunnen bijv. ook leren omgaan met hun stoornis over de tijd, evt. door een
behandeling. Zodoende kan het risico afnemen. Andersom kan juist ook, als iemand bijv. in de
toekomst opeens drugs gaat gebruiken. Kenmerken die een risico vormen voor criminaliteit in
de toekomst kunnen dus zowel toe- als afnemen.
Dit model wordt ook op medisch gebied gebruikt
Chronische pijn die erger wordt door stress en lage sociale steun
o Sociaal netwerk -> interpersoonlijk
o Stress -> interpersoonlijk + biologisch
Depressie beïnvloed door het verliezen van een baan en isolatie
Chronische ziektes zoals diabetes met een behandelplan dat fysieke zorg, psychologische
copingstrategieën en gezinsondersteuning omvat
o Verhoogd risico als je omgeving bijv. ook ongezond eet
Het risico is hoger, maar het is niet allesbepalend.
Het begrijpen van het ontstaan en ontwikkeling van crimineel gedrag is:
- een soort puzzel van de hele levensloop,
- op basis van biologische, psychologische en sociale factoren,
- de interactie tussen deze drie
- én de interactie met de omgeving.
PRENATALE RISICOFACTOREN
Prenatale risicofactoren=factoren tijdens de zwangerschap die van invloed zijn op antisociaal
gedrag op latere leeftijd, zoals:
- alcohol drinken
- ondervoeding (-> artikel)
- erfelijkheid
Ten eerste is het van belang om je af te vragen hoe je dit eigenlijk onderzoek, want het is lastig te
onderzoeken. Veel onderzoek richt zich bijv. op:
- Antisociale persoonlijkheidsstoornis / conduct disorder
- Antisociaal gedrag
- Agressief gedrag
Veel studies kijken dus naar stoornissen, maar er is een verschil tussen stoornis en gedrag ->
ingewikkeld wat je precies bekijkt.
Er zijn verschillende manieren/onderzoek om ernaar te kijken:
- Overkoepelende term is antisociaal gedrag
4
, - Bij jongeren/adolescenten wordt er vaak gekeken naar externaliserend gedrag=gedrag dat
naar buiten toe gericht is (spullen vernielen, in opstand komen)
o V.s. Internaliserend=gedrag dat zich meer naar binnen keert, zoals angst, depressie
- Bij volwassenen wordt er juist gekeken naar antisociale persoonlijkheidsstoornis en andere
stoornis
Als je naar specifiek gedrag kijkt, zoals agressie, wordt het vaak gemeten met specifieke
vragenlijsten die worden afgenomen. Deze zeggen iets over de mate waarin iemand bepaald gedrag
laat zien. Ze zijn niet altijd heel betrouwbaar; wordt door de personen zelf ingevuld en die zijn
misschien niet altijd eerlijk.
Diagnostiek van het vaststellen van een stoornis is veel meer dan slechts een vragenlijstje afnemen.
Er zijn verschillende richtlijnen voor forensische diagnostiek (testen, IQ-onderzoek, gesprekken) ->als
je spreekt van een vastgestelde diagnose, is dat een veel uitgebreider proces dan een snelle, minder
betrouwbare vragenlijst.
Prenatale factoren
Neugebauer, R., Hoek, H. W., & Susser, E. (1999). Prenatal exposure to wartime famine and
development of antisocial personality disorder in early adulthood. Jama, 282(5), 455-462
1. Voeding: mannen die een diagnose APD ontvangen bij keuring op 18 jarige leeftijd, hebben
vaker weinig voeding gehad tijdens zwangerschap
Context: Dutch Famine Study onderzoekt hoe ondervoeding tijdens de zwangerschap
een invloed heeft op later gedrag, de antisociale persoonlijkheidsstoornis.
Methode: zij maakten gebruik van een natuurlijke situatie met een grotere groep
mensen die lange tijd geen toegang hadden tot eten (hongeroorlog WO2), cohort
studie 1944-1945. Zwangere moeders in bevrijd en bezet gebied werden vergeleken.
Er werd ook gekeken naar hoeveelheid voeding in alle 3 trimesters. Kinderen (jongens)
werden onderzocht bij de ingang van militaire dienst op 18 jaar, omdat er toen nog
dienstplicht was en je daarbij fysiek/psychisch al wordt onderzocht. Deze gegevens zijn
gebruikt om te kijken of de kans hoger is om een antisociale persoonlijkheidsstoornis
te ontwikkelen als je in de buik (1e, 2e en/of 3e trimester) te weinig voeding had.
Conclusie: het blijkt dat jongens die in de buik te weinig voeding hebben gehad, een
hogere kans (tussen 1.8 en 2.4x zo groot, afhankelijk van in welk trimester) hebben
om op 18 jarige leeftijd een antisociale persoonlijkheidsstoornis te ontwikkelen.
Relaties vertellen echter niet het hele verhaal:
- Epigenetica: zonen en dochters van mensen met APS: effecten nog steeds
zichtbaar (diabetes, cognitieve problemen etc.)
- Beperkte hersenontwikkeling: gevoelig voor te weinig voeding tijdens bepaalde
periode in zwangerschap
Deze studie geeft een unieke context om dit allemaal te onderzoeken (ethisch niet op
een andere manier te onderzoeken) en is een voorbeeld van een interactie tussen
omgeving (te weinig voeding) en biologische (hersenontwikkeling), maar is slechts een
klein stukje van de hele puzzel.
Toepassing op bio-psycho-sociaal model:
- Hersenontwikkeling/ondervoeding=biologisch
- Ene moeder meer last ervan dan andere in bezet gebied vanwege hun sociaal-
economische status (wel/geen toegang tot beetje voedsel) +
5