Deelvraag 1: Wat leidde tot de opkomst van het nationaalsocialisme en welke
gevolgen had dit voor Duitsland en Europa? (1918-1945)
Begin 1918: de Duitse legerleiding zet haastig een offensief (aanval) in, om de
oorlog met overwinning te kunnen beëindigen vóórdat Amerika de Fransen en
Britten militair en materieel kon steunen. Dit offensief liep vast omdat de VS
arriveerden.
De Duitse legerleiding drong bij de regering aan om een wapenstilstand te sluiten,
omdat ze wisten dat ze de 1e Wereldoorlog hadden verloren.
De Duitse legerleiding en de regering begonnen daarom in oktober 1918
onderhandelingen met de Amerikanen. De Amerikaanse president Wilson eiste een
einde aan de regering van keizer Wilhelm II.
Op 4 november 1918 begon de Novemberrevolutie in Duitsland, door onvrede over
de oorlog (waarin DU al een paar maanden aan de verliezende hand was). De
revolutie verspreidde zich over heel DU en dreigde uit te groeien tot een
burgeroorlog tussen communisten + socialisten en de Duitse regering. Wilhelm ll.
vluchtte op 10 november 1918 (de dag voor de wapenstilstand) naar Nederland
omdat zijn positie onhoudbaar was geworden.
De nieuwe regering, onder leiding van gematigde sociaaldemocraten, tekende een
wapenstilstand op 11 november 1918. Duitsland werd omgevormd tot een
parlementaire democratie met een gekozen president. Het nieuwe bestuur kreeg de
naam ‘Republiek van Weimar’: Duitsland in de periode 1918/1919-1933.
Het was nog maar de vraag of de nieuwe Duitse regering zou standhouden: er
waren sterke tegenstanders van links (radicale socialisten en communisten) en
rechts (conservatieven die de keizer terug wilden). De steun voor de regering en
basis voor de democratie waren zwak om de volgende oorzaken:
(1) Voortdurend waren er demonstraties en opstanden van links en rechts, waarbij
het leger hard ingreep, vooral tegen communisten.
De politieke chaos was in Duitsland zo groot, dat de hoofdstad Berlijn te onveilig was
voor de nieuwe regering van de Duitse republiek.
De Spartacusopstand van 4 januari 1919 was onderdeel van de Novemberrevolutie
en werd geïnspireerd door de communistische partij (KPD). Ze wilden van Duitsland
een communistische staat maken. Deze opstand werd door het voormalige keizerlijk
leger neergeslagen.
Op 19 januari 1919 waren de eerste verkiezingen in de republiek, waaraan voor het
eerst ook vrouwen mochten meedoen. Na deze verkiezingen werd er een nieuw
parlement gekozen, met een coalitie van o.a. sociaaldemocraten.
(2) Op 28 juni 1919 werd de nieuwe Weimarregering gedwongen het vredesverdrag
van Versailles te ondertekenen, zonder deelname aan de bepaling van de
voorwaarden. Bij niet ondertekenen zou Duitsland opnieuw worden aangevallen.
1
, Duitsland werd verantwoordelijk gehouden (‘Alleinschuld’) voor het uitbreken van de
oorlog omdat ze Oostenrijk-Hongarije onvoorwaardelijk steunden en een agressief
mobilisatieplan (Von Schlieffenplan) hadden. Duitsland moest o.a. :
- Enorme herstelbetalingen betalen (132 miljard goudmark aan FR, BL, G-B)
- Het gebied Elzas-Lotharingen teruggeven aan Frankrijk.
- Afstaan gebied aan Polen en België.
- Afstaan koloniën, die onder het beheer van de Volkenbond kwamen.
- Ontwapenen, verkleinen militaire machtpositie (kleine oorlogsvloot, beroepsleger)
- Demilitarisatie van het Rijnland.
De regering die de voorwaarden ondertekende, kreeg veel woede van alle kanten.
Vooral oud-soldaten en conservatieven die het verlies van de oorlog en het keizerrijk
niet konden accepteren (door propaganda en censuur tijdens de oorlog) gaven de
schuld voor deze vernederende en onrechtvaardige vrede aan de nieuwe
sociaaldemocratische regering.
‘De nieuwe machthebbers hadden het Duitse leger verraden.’
(3) Zij geloofden graag in de zogenaamde dolkstootlegende: het onware verhaal
dat het Duitse leger de overwinning best had kunnen behalen als de socialisten +
communisten geen opstand waren begonnen en zo het leger een ‘dolkstoot in de
rug’ hadden gestoken.
De sociaaldemocratische regering kreeg zo de schuld voor de nederlaag en het
gedwongen vredesverdrag van Versailles.
Tot vijanden van de democratie behoorden de:
- Communisten die een dictatuur van de arbeiders wilden;
- Conservatieve elite die het keizerrijk terug wilden, met weinig invloed van
partijen. (bijvoorbeeld officieren van het voormalige keizerrijk)
- Extreemrechtse en nationalistische groeperingen die naar een sterke
regering met één leider pleitten.
Veel gefrustreerde oud-soldaten sloten zich bij een van deze drie groepen aan,
omdat ze veelal zonder werk zaten en ontevreden waren met het vredesverdrag.
(4) De basis voor de democratie en steun voor de regering was zwak: er was
onvrede over het Verdrag van Versailles, de dolkstootlegende was ontstaan én een
aanzienlijk groot deel van de bevolking steunde de regering niet.
(5) Ook versterken de economische problemen de kritiek op het nieuwe bestuur.
(Herstelbetalingen, schulden die tijdens de oorlog waren opgebouwd, verlies van
koloniën en belangrijke grondstofrijke + industriële gebieden).
Het lukte Duitsland steeds vaker niet om betalingen te betalen, wat in januari 1923
leidde tot de bezetting van het Ruhrgebied door Franse + Belgische troepen.
Als DU niet kon of wilde betalen, haalden zij steenkool en ijzererts uit deze gebieden
als betaling, wat tot een grote economische crisis in Duitsland leidde.
De reactie van Duitse regering was om álle herstelbetalingen op te schorten.
2