INHOUDSOPGAVE
BEGRIPPENLIJST ................................................................................................................................. 2
COLLEGE 1 – INTRODUCTIE COMMUNICATIE & IDENTITEIT ........................................................... 2
COLLEGE 2 – INTRODUCTIE SOCIALE IDENTITEITSTHEORIE (SIT) .................................................... 3
COLLEGE 3 – VERVOLG INTRODUCTIE SIT; MACHT, COMMUNICATIE, IDENTITEIT EN
INFORMATIEVERWERKING .............................................................................................................. 3
COLLEGE 4 – TAALGEBRUIK EN IDENTITEIT ..................................................................................... 4
COLLEGE 5 – IMAGO(SCHADE); RECHTVAARDIGHEID EN ORGANISATIEVERANDERING ................. 4
COLLEGE 6 – TOEPASSING COMMUNICATIE EN IDENTITEIT IN MANAGEMENT ............................. 5
COLLEGE 7 – LEIDERSCHAP .............................................................................................................. 5
COLLEGE 8 – MORALITEIT EN IDENTITEIT ........................................................................................ 6
COLLEGE 9 – MORELE ONTKOPPELING ........................................................................................... 6
COLLEGE 10 – CONTRAPRODUCTIEF GEDRAG OP HET WERK ......................................................... 6
COLLEGE 11 – (GENDER) DIVERSITEIT IN ORGANISATIES ................................................................ 7
COLLEGES ........................................................................................................................................... 8
COLLEGE 1 – INTRODUCTIE COMMUNICATIE & IDENTITEIT ................................................................ 8
COLLEGE 2 – INTRODUCTIE SOCIALE IDENTITEITSTHEORIE (SIT) ....................................................... 12
COLLEGE 3 – VERVOLG INTRODUCTIE SIT; MACHT, COMMUNICATIE, IDENTITEIT EN
INFORMATIEVERWERKING ............................................................................................................ 19
COLLEGE 4 – TAALGEBRUIK EN IDENTITEIT ........................................................................................ 27
COLLEGE 5 – IMAGO(SCHADE); RECHTVAARDIGHEID EN ORGANIATIEVERANDERING ..................... 34
COLLEGE 6 – TOEPASSING COMMUNICATIE EN IDENTITEIT IN MANAGEMENT ................................ 43
COLLEGE 7 – LEIDERSCHAP................................................................................................................. 47
COLLEGE 8 – MORALITEIT EN IDENTITEIT .......................................................................................... 56
COLLEGE 9 – MORELE ONTKOPPELING .............................................................................................. 65
COLLEGE 10 – CONTRAPRODUCTIEF GEDRAG OP HET WERK ............................................................ 73
COLLEGE 11 – (GENDER) DIVERSITEIT IN ORGANISATIES ................................................................... 81
COLLEGE 12 – ZIEN EN ONTZIEN: HOE ORGANISATIES ENTISCH-RACIALE ONGELIJKHEID
COMMUNICEREN ............................................................................................................................... 91
FACULTATIEVE OPDRACHTEN ......................................................................................................... 100
FACULTATIEVE OPDRACHT 1 ............................................................................................................ 100
FACULTATIEVE OPDRACHT 2 ............................................................................................................ 108
Normantwoorden facultatieve opdrachten ..................................................................................... 111
TEMTAMEN VRAGEN ...................................................................................................................... 115
, lOMoAR cPSD| 10361327
BEGRIPPENLIJST
COLLEGE 1 – INTRODUCTIE COMMUNICATIE & IDENTITEIT
Ingroup = De groep waarmee een individu zich identificeert en loyaal aan voelt. Lidmaatschap
geeft een gevoel van verbondenheid en beïnvloedt gedrag tegenover anderen. (Tajfel &
Turner, 1979)
Outgroup = Een groep waarmee iemand zich niet identificeert. Wordt vaak negatiever
beoordeeld, wat kan leiden tot competitie of uitsluiting. (Tajfel & Turner, 1979)
Sociale categorisatie = Het proces waarbij mensen zichzelf en anderen indelen in groepen op
basis van gedeelde kenmerken (bijv. beroep, afkomst, afdeling). Het helpt orde scheppen,
maar vergroot ook wij-tegen-zij-denken.
Zelfcategorisatie = Het definiëren van jezelf als lid van een groep op basis van gedeelde
kenmerken en zijn identiteit eraan ontleent. Deze theorie verklaart waarom groepsnormen
gedrag sturen. (Turner et al., 1987)
Ingroupfavoritisme = De voorkeur voor en positieve beoordeling van de eigen groep.
Outgroup favoritism = In sommige situaties beoordelen mensen juist de outgroup positiever,
bijvoorbeeld wanneer die hogere status heeft.
Sociale identiteit = Het deel van het zelfbeeld dat voortkomt uit groepslidmaatschap/ sociale
groepen en de emotionele waarde daarvan. Mensen ontlenen hieraan trots en zelfwaardering.
(Ashforth & Mael, 1989)
Intergroepsvergelijking = Het vergelijken van de eigen groep met andere groepen om de om
de waarde van de eigen identiteit te bepalen en om status te bepalen.
Positieve distinctie = Het streven om de eigen groep positief te onderscheiden van andere
groepen. Verklaart waarom we de eigen groep willen zien als beter
Normatieve fit = De mate waarin groepsverschillen overeenkomen met verwachtingen of
stereotypen.
Comparatieve fit = De mate waarin verschillen binnen groepen kleiner zijn dan tussen
groepen.
Groepsnormen = Gedeelde overtuigingen, warden en gedragsregels die richting geven aan
communicatie en samenwerking en die gedrag binnen een groep bepalen.
Sociale invloed = Het effect dat groepsleden op elkaars gedrag en overtuigingen hebben.
, lOMoAR cPSD| 10361327
COLLEGE 2 – INTRODUCTIE SOCIALE IDENTITEITSTHEORIE (SIT)
Sociale identiteitsbenadering = Een perspectief dat onderzoekt hoe groepslidmaatschap het
gedrag en zelfbeeld beïnvloedt.
Realistische conflicttheorie = Competitie om schaarse middelen leidt tot vijandigheid tussen
groepen.
Minimale groep paradigma = Toont aan dat zelfs willekeurige groepsindelingen leiden tot
discriminatie.
Sociale vergelijking = Mensen vergelijken hun groep met anderen om hun zelfbeeld te
versterken en hun status te bepalen. Dit bepaalt hoe positief de leden hun groep ervaren.
Distinctiviteit = De wens om de eigen groep als uniek en beter te zien dan andere groepen.
Salience = De mate waarin een sociale identiteit op dat moment actief en zichtbaar is.
Permeabiliteit = De mogelijkheid om van de ene groep naar een andere te verplaatsen. Hoge
permeabiliteit → mensen kunnen overstappen naar een hogere statusgroep (individual
mobility). Lage permeabiliteit → mensen blijven in hun groep en zoeken psychologische
manieren om status te verbeteren (social creativity of competition).
Stabiliteit = De mate waarin statusverschillen/verhoudingen tussen groepen vastliggen. Bij
stabiele verschillen worden ongelijkheden als normal geaccepteerd. Bij instabiliteit ontstaat er
strijd om status
Legitimiteit = De mate waarin statusverschillen als rechtvaardig worden beschouwd. Als
ongelijkheid onrechtvaardig lijkt, onstaan conflicten en pogingen tot herstructurering.
COLLEGE 3 – VERVOLG INTRODUCTIE SIT; MACHT, COMMUNICATIE, IDENTITEIT EN
INFORMATIEVERWERKING
Macht = De mate van invloed of controle die iemand uitoefent binnen een groep of
organisatie.
IMS = Wanneer mensen geconfronteerd worden met een identiteitsbedreiging —
bijvoorbeeld negatieve reacties, lage status of stigma — proberen ze hun zelfbeeld en sociale
identiteit te behouden.
Dat doen ze door bepaalde copingstrategieën, oftewel Identity Management Strategies (IMS).
Linguistic Intergroup Bias (LIB) = Positief gedrag van de ingroup abstracter beschrijven dan dat
van de outgroup en negatief gedrag concreter. Bij outgroup is dit omgekeerd dus positief
gedrag concreet en negatief gedrag abstract. Het bevestigt en versterkt vooroordelen
, lOMoAR cPSD| 10361327
Linguistic Expectancy Bias (LEB) = Verwachte gedragingen abstracter beschrijven dan
onverwachte gedragingen.
Impression management = Strategieën om een positief beeld van de organisatie of zichzelf te
behouden.
Procedural justice = De ervaren eerlijkheid van procedures binnen besluitvorming.
Distributive justice = De eerlijkheid van de verdeling van beloningen of middelen.
Interactional justice = De ervaren rechtvaardigheid in interpersoonlijke communicatie.
COLLEGE 4 – TAALGEBRUIK EN IDENTITEIT
Communicatieklimaat = De mate van openheid, vertrouwen en invloed binnen communicatie
in de organisatie.
Information received about organization = Hoe goed medewerkers geïnformeerd zijn over de
organisatie.
Information received about personal role = Hoe duidelijk medewerkers hun rol begrijpen.
Perceived external prestige = Hoe medewerkers denken dat anderen buiten de organisatie
hun organisatie zien.
Organizational identification = De mate waarin medewerkers zich identificeren met hun
organisatie.
Intergroup conflict = wij/zij denken
COLLEGE 5 – IMAGO(SCHADE); RECHTVAARDIGHEID EN ORGANISATIEVERANDERING
Imago = Het beeld dat anderen van een organisatie hebben.
Sense-making = Het proces waarin mensen betekenis geven aan gebeurtenissen binnen
organisaties.
Fairness = Het gevoel dat beslissingen eerlijk worden genomen.
Organizational change = Veranderingen in structuur, strategie of cultuur binnen een
organisatie.
Impression repair = Het herstellen van reputatieschade na een fout of crisis.
, lOMoAR cPSD| 10361327
COLLEGE 6 – TOEPASSING COMMUNICATIE EN IDENTITEIT IN MANAGEMENT
Leiderschap en identiteit = Effectieve leiders versterken de groepsidentiteit en gedeelde
waarden.
Communication climate = De openheid en vertrouwelijkheid binnen communicatierelaties in
de organisatie.
Perceived fairness = De subjectieve beoordeling van eerlijkheid in besluitvorming.
Identity affirmation = Het bevestigen van groepsidentiteit door leiderschap.
Followership = Het gedrag van volgers ten opzichte van leiders binnen een organisatie.
COLLEGE 7 – LEIDERSCHAP
Ingroup favoritism in leadership = Leiders die hun groep bevoordelen, krijgen vaak meer
steun, zelfs als dit oneerlijk lijkt.
Impression management = Strategieën om het imago van een organisatie te beschermen of te
verbeteren.
Organizational identification: = De mate waarin werknemers zichzelf identificeren met hun
organisatie.
Social Identity Theory of Leadership = Effectief leiderschap ontstaat wanneer leiders
groepsidentiteit versterken.
Fairness vs. identity affirmation = De spanning tussen eerlijkheid en groepsloyaliteit bij
leiderschap.
Queen Bee effect = Vrouwen in hoge posities die zich distantiëren van andere vrouwen om
hun status te behouden.
Glass Cliff = Vrouwen krijgen vaker leiderschapsposities in crisissituaties met hoog risico op
falen.
Identity affirmation = Leiders krijgen steun door het bevestigen van groepsidentiteit, zelfs als
ze niet eerlijk worden gevonden.
Social Exchange Theory (SET) = Theorie die stelt dat relaties gebaseerd zijn op een kosten-
batenanalyse (beloningen en verplichtingen).
Queen Bee Effect = Vrouwen op hoge posities distantiëren zich soms van andere vrouwen.
, lOMoAR cPSD| 10361327
COLLEGE 8 – MORALITEIT EN IDENTITEIT
Moraliteit = De waarden en normen die gedrag sturen binnen een groep of organisatie.
Perceived organizational morality = De perceptie van medewerkers over hoe moreel hun
organisatie handelt.
Impressievorming op basis van moraliteit = Mensen beoordelen anderen eerder op morele
dan op competente eigenschappen.
Corporate Social Responsibility = De maatschappelijke verantwoordelijkheid van organisaties.
Moral behavior = Gedrag dat overeenkomt met morele waarden en groepsnormen.
COLLEGE 9 – MORELE ONTKOPPELING
Morele ontkoppeling = Het loslaten van morele waarden om immoreel gedrag te
rechtvaardigen.
Morele rechtvaardiging = Immoreel gedrag goedpraten met een hoger doel.
Eufemistisch taalgebruik = Taal gebruiken die immoreel gedrag verzacht of normaliseert.
Verplaatsing van verantwoordelijkheid = De schuld leggen bij een meerdere of systeem.
Verspreiding van verantwoordelijkheid = Deelname van meerdere personen vermindert
individuele schuld.
Dehumanisering = Slachtoffers minder menselijk zien om gedrag te rechtvaardigen.
Toekenning van schuld = Het slachtoffer de schuld geven van de situatie.
COLLEGE 10 – CONTRAPRODUCTIEF GEDRAG OP HET WERK
Counterproductive Work Behavior (CWB) = Gedrag dat schade toebrengt aan de organisatie
of collega's.
Workplace aggression = Agressief gedrag of intimidatie op de werkvloer.
Workplace bullying = Herhaald en langdurig vijandig gedrag richting collega's.
Negative emotions = Emoties als woede, angst of frustratie die leiden tot negatief gedrag.
Moral disengagement = Het moreel loskoppelen van gedrag om misdragingen te
rationaliseren.
, lOMoAR cPSD| 10361327
Moral emotions = Emoties (zoals schuld of schaamte) die een rol spelen bij moreel gedrag op
de werkvloer.
COLLEGE 11 – (GENDER) DIVERSITEIT IN ORGANISATIES
Genderstereotypen = Verwachtingen over hoe mannen en vrouwen zich gedragen of zouden
moeten gedragen.
Descriptieve stereotypen = Verwachtingen over hoe mannen en vrouwen zijn.
Prescriptieve stereotypen = Verwachtingen over hoe mannen en vrouwen zich zouden
moeten gedragen.
Tightrope bias = Vrouwen worden gestraft voor assertief gedrag dat bij mannen wordt
gewaardeerd.
Prove-it-again bias = Vrouwen moeten vaker bewijzen dat ze competent zijn.
Maybe baby bias = Werkende moeders worden als minder competent of toegewijd gezien.
Opting-out = Wanneer vrouwen zelf besluiten hun carrière te beperken of te verlaten.
Collectieve team-identificatie = De emotionele verbondenheid van teamleden met hun team.
Expertise diversiteit = Verschillen in kennis en vaardigheden binnen een team die invloed
hebben op prestaties.
Team learning = Het gezamenlijk leren en kennisdelen binnen een team.
Contact hypothesis = Stelt dat intergroepscontact onder juiste omstandigheden vooroordelen
vermindert.
, lOMoAR cPSD| 10361327
COLLEGES
COLLEGE 1 – INTRODUCTIE COMMUNICATIE & IDENTITEIT
Datum: 2 september 2025
Literatuur:
Ashforth, B. E., & Mael, F. (1989). Social identity theory and the organization. Academy of
Management Review, 14(1), 20–39.
— Mensen streven naar een positieve sociale identiteit
— Als ze die niet hebben gaan ze proberen daar wat aan te ‘doen’
— Vaak is dat ‘doen’ een of andere vorm van communicatie
— Communicatie vormt de identiteit; identiteit beïnvloedt de communicatie
— Vooral afhankelijk van ‘de situatie’
Communicatie = Het uitwisselen van informatie
= De uitwisseling van symbolische informatie, die plaatsvindt tussen mensen die zich bewust
zijn van elkaar aanwezigheid, onmiddellijk of gemedieerd. Deze informatie wordt deels
bewust, deels onbewust gegeven, ontvangen en geïnterpreteerd.
Organisatorische communicatie = Proces waarbij individuen betekenis oproepen bij anderen,
via verbale/non-verbale boodschappen in een formele organisatie
Het proces van communiceren
Bedoelde boodschap → verzonden boodschap (medium) →
boodschap zoals ontvangen → boodschap zoals begrepen
Bedoelde en verzonden = feitelijke info, deze info komt niet
altijd allemaal aan
Kritiek: te simplistisch, geen voorspellende waarde, geen
theorie dus niet toetsbaar, te rationalistisch en houdt met
veel te weinig factoren rekening
Toch is het nuttig om basisprincipes van misverstanden te begrijpen.
Inspanning die de zender moet leveren:
- Boodschap goed coderen
o Jargongebruik → speciale terminologie die binnen een bepaalde groep, organisatie
wordt gebruikt. Het zijn vaak woorden, afkortingen of uitdrukkingen die voor
insiders vanzelfsprekend zijn, maar die voor buitenstaanders moeilijk te
begrijpen zijn.
o Kiss-Principe (keep it short and simple)
- Goed medium kiezen
- Controleren of boodschap is aangekomen
- Willen leren; feedback vragen
- Ruis reduceren
, lOMoAR cPSD| 10361327
Beetje pech voor de zender
Mensen die dialect spreken verdienen aanzienlijk minder dan degenen die ‘algemeen
Nederlands’ spreken. Het inkomensverschil is voornamelijk het geval bij mannen,
hoogopgeleiden en mensen uit de verste hoeken van het land. het verschil in salaris bedraagt
5 tot 15 procent
→ Nederlanders die met een streektaal zijn opgegroeid zitten gemiddeld een jaar korter op
school
→ Komen in banen terecht met een lagere status
= Situationeel effect: invloed van (weinig beheersbare) omstandigheden
→ Is discriminatie; grote kans dan organisaties verontwaardigd reageren op de suggestie dat
er sprake is van discriminatie. En dan zijn het niet eens zichtbare kenmerken. Puur
taalgebruik/stemgeluid
Problemen bij communicatie in organisaties:
- De hiërarchie/organisatiestructuur
- Boodschap die (al dan niet) overkomt
- (Creëren van de) inhoud van formele communicatie
- Betekenis die aan de communicatie-uiting wordt verleend
- Informatie overload
- ‘Cultuurverschillen’ (bijv. professies, afdelingen)
- Communicatieklimaat (open/ondersteunend vs. Gesloten/defensief)
De ontvanger nader geanalyseerd
Je bent lid van een groep (sociale identiteit), dat heeft invloed op de
manier hoe je informatie ontvangt en verwerkt. Dit kan ertoe leiden
dat mensen op andere conclusies komen dan bedoeld. Ondanks dat
je toegang hebt tot dezelfde informatie.
Vb.: Vaccinatie graad VS-republikeinen →
Informatieverwerking
Vooral gericht op manieren waarop individuen informatie verwerken
- Nogal psychologisch: uiterst ‘cognitief’: hersenprocessen – wat er in je hoofd gebeurt als je
iets leert, beoordeelt of beslist
- Cognitie: ook wel kenvermogen is de mentale activiteit en het proces van kenniswerving
door waarneming en het verwerken van de daarmee opgedane informatie door denken.
Bepaalde informatie die je krijgt verwerk je heel goed en bepaalde informatie verwerk je
heel slecht
- ‘Cognitieve miser’: oordelen en besluitvorming op basis van stereotypen
(zelfbescherming) → neiging van mensen om mentale inspanning te
minimaliseren
- Stereotypen: je ziet iemand, en op basis van huidskleur, gender heb je gelijk
een beeld van iemand: ‘dat is zo’n persoon’. Of bijv. bij een politieagent: ‘dat
zal wel een streng persoon zijn.’
- Beïnvloeding van gedrag
, lOMoAR cPSD| 10361327
Elaboration likelihood model (Petty & Cacioppo)
Perifere route: Is een route waarbij iemand een keuze
maakt die niet gemotiveerd is of niet bekwaam, het is
oppervlakkig. De ontvanger baseert zijn of haar mening op
oppervlakkige kenmerken van de boodschap, zoals
perifere cues, omdat de motivatie op de capaciteit om de
boodschap diepgaand te verwerken ontbreekt. Het gaat
vaak het ene oor in en het andere oor weer uit. Toch is er ook attitudeverandering: met
verleidelijke ‘cues’
Centrale route: Is een route waarbij iemand een keuze maakt die wel gemotiveerd en
bekwaam is. De keuze hangt af van de informatie die je krijgt. (vb. Een huis kopen). De
boodschap wordt kritisch geanalyseerd op basis van inhoud en feiten. → Soms wel, soms geen
blijvende attitudeverandering
We maken vaak keuzen op basis van de Perifere route!
(perifere) cues en nudges → echte consequenties
Een perifere cue is een niet-inhoudelijk aspect van een (reclame)boodschap dat een individu
helpt om een mening of attitude te vormen, zonder dat er diepgaande analyse plaatsvindt.
• Net even dat extra koekje in een café voor een grotere fooi
• Mooi bloemetje in het huis als je je huis verkoopt
• Kruidvat steeds verrassend altijd voordelig
Hoe kan het dat men niet gemotiveerd is om informatie te verwerken als het gaat om
belangrijke kwesties:
- Vaststaande meningen
- Raakt identiteit
- ‘dubieuze’ bron
- Gevoel onder druk te worden gezet
- Te druk
- ‘information overload’
Kritieken en ontwikkelingen
- Is het wel zo zeker dat er twee gescheiden processen zijn
- Emotie/affect speelt een rol bij informatieverwerking
- Effecten van digitalisering, eigenlijk perifere cues. Informatie wordt niet betrouwbaarder
als het veel likes heeft. Het is geen echte informatie maar omdat andere het leuk vinden
moet het wel zo zijn. Je algoritme zorgt ervoor dat het waarheid gaat worden maar
mensen hebben verschillende algoritmes
Communicatie vs. Informatie
- Communicaties binnen organisaties/ door organisaties
- Niet alleen om te informeren
- Niet neutraal, altijd gericht om gedrag en attitudes te
manipuleren
- Niet zoveel anders dan reclame dus