edition
Hoofdstuk 1
Statistische deviantie – Statistische deviantie verwijst naar hoe vaak bepaald gedrag
voorkomt in de populatie. Ontwikkelingspsychopathologie bekijkt gedrag dat zelden
voorkomt of sterk afwijkt van het gemiddelde als mogelijk problematisch, mits het duidt
op slechte aanpassing aan ontwikkelingsverwachtingen of ernstig lijden veroorzaakt.
Socioculturele normen – Socioculturele normen zijn de opvattingen en waarden van
een bepaalde samenleving over wat normaal en afwijkend gedrag is.
Ontwikkelingspsychopathologie plaatst gedragingen of symptomen in hun culturele
context en erkent dat wat in de ene cultuur als pathologisch wordt gezien, misschien als
normaal geldt in een andere cultuur.
Psychopathologie – Psychopathologie is de studie van afwijkende gedragingen,
gedachten en emoties. Ontwikkelingspsychopathologie focust daarbij op hoe deze
afwijkingen zich ontwikkelen bij kinderen en adolescenten, in relatie tot hun
ontwikkelingsfase en groei.
Definities van mentale gezondheid – Definities van mentale gezondheid leggen
nadruk op aanpassing en welzijn. Een kind of jongere wordt als mentaal gezond
beschouwd wanneer hij of zij zich kan aanpassen aan alledaagse uitdagingen en zich
ontwikkelt binnen de verwachtingen van leeftijd en omgeving. Niet alleen de afwezigheid
van stoornissen is van belang, maar vooral het vermogen tot flexibiliteit, weerbaarheid,
en het aangaan van positieve relaties. Deze definities zijn cultureel bepaald en kunnen
verschillen naargelang de waarden en normen van een samenleving.
Definities van psychische gezondheid – Psychische gezondheid wordt vaak
omschreven als het vermogen tot goede aanpassing en welzijn. Binnen
ontwikkelingspsychopathologie betekent dit dat het kind zich ontwikkelt binnen de voor
leeftijd en context geldende verwachte kaders, met voldoende flexibiliteit om uitdagingen
aan te kunnen.
Prevalentie en incidentie
Prevalentie: Het percentage kinderen dat op een bepaald moment of gedurende een
periode last heeft van een stoornis. Dit helpt ontwikkelingspsychopathologie bij het
beoordelen van hoe vaak stoornissen voorkomen en bij welke groepen ze meer
voorkomen.
Incidentie: Het aantal nieuwe gevallen van een stoornis binnen een bepaalde periode.
Dit is belangrijk om trends en risico’s in ontwikkelingsperioden te volgen.
Ontwikkelingspsychopathologie – Ontwikkelingspsychopathologie onderzoekt de
oorsprong en het verloop van psychische stoornissen bij kinderen en jongeren, rekening
houdend met de interactie tussen risicofactoren, beschermende factoren, en
ontwikkelingsfasen. Dit perspectief kijkt naar symptomen als een resultaat van interacties
tussen biologische, psychische en sociale invloeden over de tijd.
Ontwikkelingsepidemiologie – Onderzoekt de prevalentie (hoe vaak een stoornis
voorkomt) en incidentie (hoeveel nieuwe gevallen er zijn in een bepaalde periode) van
psychische stoornissen bij kinderen en jongeren. Deze discipline kijkt naar wie risico
loopt, op welke leeftijd stoornissen meestal ontstaan, en welke beschermende of
risicofactoren daarbij een rol spelen. Het doel is trends en veranderingen in mentale
gezondheid op populatieniveau te begrijpen zodat effectieve preventie en vroege
interventie mogelijk worden.
Barrières voor zorg – Deze barrières zijn de obstakels die kinderen en gezinnen
ondervinden bij het zoeken of krijgen van hulp — zoals stigma, gebrek aan kennis of
beperkte toegang tot voorzieningen. Vanuit ontwikkelingspsychopathologie is het
essentieel deze barrières te begrijpen en te verkleinen om tijdige en effectieve zorg te
kunnen leveren.
1
, Stigmatisering – Stigmatisering betreft het negatieve labelen van kinderen met
psychische stoornissen, waardoor ze buitengesloten kunnen worden en minder snel hulp
zoeken. Ontwikkelingspsychopathologie pleit voor normalisering en destigmatisering om
gezonde ontwikkeling te bevorderen.
Hoofdstuk 2
Dimensional models of psychopathology – Deze modellen beschrijven psychische
kenmerken op een continuüm (bijvoorbeeld van weinig tot veel symptomen), in plaats
van als aparte categorieën. Dit helpt nuances in ernst en variatie beter te begrijpen.
Categorical models of psychopathology – Psychische stoornissen worden gezien als
aparte, duidelijk af te bakenen categorieën (zoals ADHD of depressie wel/niet aanwezig).
Dit vergemakkelijkt diagnostiek, maar kan minder goed graden van variatie verklaren.
Physiological models – Leggen de nadruk op biologische processen (zoals
hersenactiviteit, hormonen, neurotransmitters) als verklarende factoren voor psychische
stoornissen.
Connectome – Het geheel van verbindingen in de hersenen. Veranderingen hierin
kunnen te maken hebben met kwetsbaarheid voor, of herstel van, stoornissen.
Sensitive periods – Bepaalde ontwikkelingsfasen waarin kinderen extra gevoelig zijn
voor omgevingsinvloeden – wat positieve of negatieve impact kan hebben op hun
psychische ontwikkeling.
Neural plasticity – Het vermogen van de hersenen om zich aan te passen tijdens de
ontwikkeling. Dit kan kansen bieden voor herstel, maar ook kwetsbaarheden vergroten.
Genotype – De genetische opmaak van een individu, die mede bijdraagt aan de aanleg
(of kwetsbaarheid) voor stoornissen.
Phenotype – De observeerbare uitingen van genen, zoals gedrag of symptomatologie,
beïnvloed door de omgeving.
Behavior genetics – Bestudeert hoe genetische en omgevingsfactoren samen het
gedrag beïnvloeden.
Molecular genetics – Onderzoekt specifieke genen die bijdragen aan het risico op
psychische stoornissen.
Genome-wide association studies – Onderzoeken die het hele genoom doorzoeken
naar genetische variaties die samenhangen met stoornissen.
Heritability – Het percentage variatie in een eigenschap (zoals kwetsbaarheid voor een
stoornis) in een populatie, toe te schrijven aan genetische verschillen.
Gene-by-environment-by-time effects – Hoe genetische factoren met
omgevingsinvloeden en tijd (ontwikkelingsfase) interacteren in het ontstaan van
stoornissen.
Gene-by-environment-by-time interactions – verwijzen naar de manier waarop
genetische kwetsbaarheden, omgevingsfactoren én het specifieke tijdstip in de
ontwikkeling samen bepalen hoe groot de kans is dat een psychische stoornis zich
ontwikkelt.
Epigenetics – Bestudeert hoe omgevingsfactoren genexpressie kunnen beïnvloeden
zonder veranderingen in het DNA zelf.
Risk alleles – Specifieke genetische varianten die het risico op het ontwikkelen van een
stoornis verhogen.
Polygenic models – Verklaren stoornissen als resultaat van de optelsom van veel
verschillende genen, ieder met een klein effect.
2