Samenvatting Staats- en bestuursrecht I
Week 1 – Inleiding
Zie voor 7.3 en 7.5.1 Week 7.
Hoofdstuk 1
Bestuursrecht is het recht voor, van en tegen het overheidsbestuur. Het bestuursrecht geeft een
grondslag voor het bestuursoptreden, en instrumenteert dit.
Het bestuursrecht heeft drie functies: een legitimerende, een instrumentele en een
waarborgfunctie.
Overheidsbestuur kan twee betekenissen hebben: het kan duiden op de bestuursorganisatie of op
de activiteit, de functie van het besturen. De bestuurlijke functie wordt in de leer van de trias
politica onderscheiden van de wetgevende en de rechtsprekende functie.
In een democratische rechtsstaat moet het overheidshandelen worden beoordeeld vanuit drie
dimensies. De eerste dimensie is die van de democratie: de burgers moeten zeggenschap hebben
over het overheidshandelen. De tweede dimensie beoogt vrijheid, rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid tegenover het overheidshandelen. De dimensies van de democratie en de liberale
rechtsstaat zijn negatief: de overheid mag niet handelen als er geen democratische legitimatie voor
is, en moet daarbij ook nog eens vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid in acht nemen. De
derde dimensie houdt in dat de overheid er niet voor zichzelf is, maar dat zij de omstandigheden
moet scheppen die het de burger daadwerkelijk mogelijk maken aan zijn leven gestalte te geven:
verwerkelijking van sociale rechtvaardigheid.
Ter uitwerking van de dimensie democratie, zijn in de loop der tijden verschillende nadere
beginselen ontwikkeld:
a. Beslissen door algemeen vertegenwoordigde organen;
b. Kiesrecht
c. Politieke verantwoordelijkheid;
d. (politieke) burgerschapsrechten;
e. Decentralisatie;
f. Inspraak;
g. Openbaarheid.
De dimensie van de liberale rechtsstaat (centrale beginselen vrijheid, rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid) kan worden uitgewerkt in de volgende nadere beginselen:
a. Wetmatigheid;
b. Machtsverdeling;
c. Grondrechten;
d. Rechterlijke controle;
e. Voorlichting.
Ter uitwerking van de derde dimensie kan worden uitgewerkt in de volgende nadere beginselen:
a. Effectiviteit;
b. Doelmatigheid.
1
Week 1 – Inleiding
Zie voor 7.3 en 7.5.1 Week 7.
Hoofdstuk 1
Bestuursrecht is het recht voor, van en tegen het overheidsbestuur. Het bestuursrecht geeft een
grondslag voor het bestuursoptreden, en instrumenteert dit.
Het bestuursrecht heeft drie functies: een legitimerende, een instrumentele en een
waarborgfunctie.
Overheidsbestuur kan twee betekenissen hebben: het kan duiden op de bestuursorganisatie of op
de activiteit, de functie van het besturen. De bestuurlijke functie wordt in de leer van de trias
politica onderscheiden van de wetgevende en de rechtsprekende functie.
In een democratische rechtsstaat moet het overheidshandelen worden beoordeeld vanuit drie
dimensies. De eerste dimensie is die van de democratie: de burgers moeten zeggenschap hebben
over het overheidshandelen. De tweede dimensie beoogt vrijheid, rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid tegenover het overheidshandelen. De dimensies van de democratie en de liberale
rechtsstaat zijn negatief: de overheid mag niet handelen als er geen democratische legitimatie voor
is, en moet daarbij ook nog eens vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid in acht nemen. De
derde dimensie houdt in dat de overheid er niet voor zichzelf is, maar dat zij de omstandigheden
moet scheppen die het de burger daadwerkelijk mogelijk maken aan zijn leven gestalte te geven:
verwerkelijking van sociale rechtvaardigheid.
Ter uitwerking van de dimensie democratie, zijn in de loop der tijden verschillende nadere
beginselen ontwikkeld:
a. Beslissen door algemeen vertegenwoordigde organen;
b. Kiesrecht
c. Politieke verantwoordelijkheid;
d. (politieke) burgerschapsrechten;
e. Decentralisatie;
f. Inspraak;
g. Openbaarheid.
De dimensie van de liberale rechtsstaat (centrale beginselen vrijheid, rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid) kan worden uitgewerkt in de volgende nadere beginselen:
a. Wetmatigheid;
b. Machtsverdeling;
c. Grondrechten;
d. Rechterlijke controle;
e. Voorlichting.
Ter uitwerking van de derde dimensie kan worden uitgewerkt in de volgende nadere beginselen:
a. Effectiviteit;
b. Doelmatigheid.
1