Dit document is het resultaat van veel oefenen, controleren en verbeteren
tijdens mijn voorbereiding op Klinische Psychologie 1B van de Open
Universiteit.
Het bevat alle multiplechoicevragen uit hoofdstukken 11 t/m 25 (afkomstig
van Studiemeister van de site van Noordhoff), aangevuld met oude
oefententamens, Brightspace-vragen en open vragen met antwoorden.
De vragen zijn verzameld via openbare studentenfora en oefenplatforms
waarop studenten oefenmateriaal en studietips delen. Ik ben niet
verantwoordelijk voor de oorspronkelijke inhoud van deze vragen, maar
heb ze gecontroleerd, fouten gecorrigeerd en beter gestructureerd om het
studeren overzichtelijker te maken.
Er zijn geen officiële tentamenvragen van de Open Universiteit
opgenomen in dit document. Het betreft uitsluitend oefententamens die
door studenten zijn gedeeld, mogelijk ook afkomstig van andere
universiteiten of oefensites.
Omdat op de site van Noordhoff veel fouten stonden, heb ik deze
zorgvuldig verbeterd zonder de betekenis of inhoud van de vragen te
veranderen.
Mijn manier van leren is veel oefenvragen en oefententamens te maken,
zodat ik de lesstof echt begrijp. Hopelijk helpt dit document andere
studenten op dezelfde manier.
De inhoudsopgave geeft een volledig overzicht van de hoofdstukken,
paginanummers en vraag bereiken. In totaal bevat dit bestand ruim
2.180 vragen, allemaal duidelijk genummerd en per thema geordend.
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 11 – Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen bij
volwassenen
p. 3–25 | Vragen 1–79 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 12 – Schizofreniespectrum- en andere psychotische
stoornissen
p. 26–50 | Vragen 80–173 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 13 – Depressieve- en bipolaire-stemmingsstoornissen
p. 51–74 | Vragen 174–253 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 14 – Angststoornissen
p. 75–96 | Vragen 241–332 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 15 – Obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen
p. 97–118 | Vragen 321–407 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Klinische Psychologie HO 11 t/m 25 Pagina 1
,Hoofdstuk 16 – Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen
p. 119–125 | Vragen 401–430 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 17 – Dissociatieve stoornissen
p. 126–145 | Vragen 461–507 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 18 – Somatisch-symptoomstoornis en verwante
stoornissen
p. 146–163 | Vragen 521–576 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 19 – Eetstoornissen
p. 164–180 | Vragen 561–621 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 20 – Slaap- en waakstoornissen
p. 181–197 | Vragen 646–713 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 21 – Seksuele stoornissen
p. 198–218 | Vragen 714–789 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 22 – Disruptieve, impuls- en gedragsstoornissen
p. 219–242 | Vragen 790–857 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 23 – Middelgerelateerde en verslavingsstoornissen
p. 243–262 | Vragen 858–929 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 24 – Neurocognitieve stoornissen
p. 263–281 | Vragen 930–991 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Hoofdstuk 25 – Persoonlijkheidsstoornissen
p. 282–305 | Vragen 992–1059 | MC-vragen (Studiemeister / Noordhoff)
Oude oefententamens – Klinische Psychologie 1B
p. 306–338 | Vragen 1060–1115 | MC-vragen (gevonden op diverse sites)
Voorbeeldvragen uit Brightspace en overige
p. 339–375 | Vragen 1116–1222 | MC-vragen uit de lesstof van Brightspace
Oefententamen 1 – Klinische Psychologie 1B (2025)
p. 376–393 | Vragen 1223–1262 | MC-vragen (Open Universiteit)
Oefententamen 2 – Klinische Psychologie 1B (2025)
p. 394–413 | Vragen 1263–1301 | MC-vragen (Open Universiteit)
Open vragen met antwoorden – Klinische Psychologie
p. 414–620 | Vragen 1302–2181 | Open vragen met korte antwoorden
(gevonden op diverse sites)
Klinische Psychologie HO 11 t/m 25 Pagina 2
,Hoofdstuk 11 – Neurobiologische ontwikkelingsstoornissen bij
volwassenen
Vraag 1
De autismespectrumstoornis wordt gekenmerkt door ernstige gebreken in
de ontwikkeling van sociaal-communicatieve vaardigheden en het
voorkomen van stereotiepe gedragingen en interesses.
A. Juist
B. Onjuist
Antwoord: A
Uitleg: Volgens de DSM-5 bestaan de kernsymptomen uit sociaal-
communicatieve tekorten en repetitieve of stereotiepe gedragingen.
Vraag 2
Voor het vaststellen van een autismespectrumstoornis moeten symptomen
aanwezig zijn in twee kerndomeinen. Het eerste domein betreft
deficiënties in de sociale communicatie en interactie. Dit domein omvat
verschillende criteria. Welke worden genoemd?
A. Deficiënties in de sociale wederkerigheid
B. Deficiënties in de non-verbale communicatie
C. Deficiënties in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van sociale
relaties
D. Deficiënties in het vermogen om andere rollen te spelen
Antwoord: A, B en C
Uitleg: De DSM-5 noemt sociale wederkerigheid, non-verbale
communicatie en sociale relaties; “andere rollen spelen” is geen officieel
criterium.
Vraag 3
Welke kenmerken behoren niet tot het tweede kerndomein ‘repetitieve
gedragingen en interesses’ van ASS?
A. Stereotiepe bewegingen, gedragingen of spraak
B. Moeite met veranderingen
C. Sensorische overgevoeligheid
D. Het niet kunnen interpreteren van humor
E. Een sterk ontwikkeld wiskundig vermogen
Antwoord: D en E
Uitleg: Het tweede domein omvat stereotypieën, rigide gedrag en
sensorische bijzonderheden; humor en speciale talenten horen daar niet
bij.
Klinische Psychologie HO 11 t/m 25 Pagina 3
,Vraag 4
De sociale communicatiestoornis betreft geen stoornis in het
autismespectrum maar wordt gekenmerkt door aanhoudende problemen
met het toepassen van (non-)verbale communicatie in de sociale context.
A. Juist
B. Onjuist
Antwoord: A
Uitleg: Sociale communicatiestoornis is een aparte DSM-5-diagnose en
omvat pragmatische communicatieproblemen zonder repetitieve
gedragingen.
Vraag 5
Het tweede domein om vast te stellen of er sprake is van een
autismespectrumstoornis betreft beperkte, repetitieve gedragspatronen,
interesses en activiteiten. Welke criteria omvat dit domein?
A. Stereotype bewegingen, gedragingen of spraak
B. Trage of afwezige reacties op sociale prikkels
C. Moeite met veranderingen, rituelen en routines
D. Hyper- of hyporeactiviteit op zintuiglijke prikkels
Antwoord: A, C en D
Uitleg: Domein 2 gaat over stereotypieën, rigiditeit en sensorische
bijzonderheden; trage sociale reacties horen bij domein 1.
Vraag 6
Bij wie komt ASS het meeste voor?
A. Bij vrouwen; de man-vrouwverhouding is 1:4
B. Bij vrouwen; de man-vrouwverhouding is 1:2
C. Bij mannen; de man-vrouwverhouding is 3:1
D. Bij mannen; de man-vrouwverhouding is 2:1
Antwoord: C
Uitleg: ASS komt vaker voor bij mannen; de verhouding ligt gemiddeld
rond 3 op 1.
Vraag 7
Kun je verwachten dat de prevalentie van ASS met de komst van de DSM-5
zal dalen?
A. Ja, want kinderen worden op steeds jongere leeftijd sociaal vaardig
gemaakt.
B. Nee, de afgelopen jaren is er een stijging gezien in de prevalentie van
ASS en de logische verwachting is dat deze trend doorzet.
Klinische Psychologie HO 11 t/m 25 Pagina 4
,C. Ja, omdat de criteria strenger zijn dan voor de DSM-IV.
D. Nee, door de expliciete beschrijving van de ASS-kenmerken zal de
prevalentie ten minste gaan verdubbelen.
E. Ja, want je moet aan meer criteria voldoen om de diagnose ASS te
krijgen.
Antwoord: C en E
Uitleg: De DSM-5 stelt strengere eisen en vereist dat aan meer kenmerken
voldaan wordt, waardoor de prevalentie naar verwachting daalt.
Vraag 8
Welke omgevingsfactor wordt genoemd die kan leiden tot een
autismespectrumstoornis?
A. Zwangerschap
B. Leeftijd
C. Opvoeding
Antwoord: A
Uitleg: Risicofactoren tijdens de zwangerschap, zoals infecties of
blootstelling aan toxische stoffen, kunnen bijdragen aan het ontstaan van
ASS.
Vraag 9
Op welke manier is de kans het grootste om ASS op een juiste manier te
diagnosticeren?
A. Observatie, anamnese en heteroanamnese
B. Observatie, onderzoek op biologisch en neurocognitief niveau
C. Onderzoek op biologisch niveau, vragenlijsten en heteroanamnese
D. Vragenlijsten, neurocognitief onderzoek en biologisch onderzoek
Antwoord: A
Uitleg: De diagnose wordt het meest betrouwbaar gesteld via observaties
en gesprekken met de patiënt en diens omgeving.
Vraag 10
Met welke andere psychiatrische stoornissen gaat ASS vaak samen?
A. Eetstoornis
B. Obsessief-compulsieve stoornis
C. Depressieve stoornis
D. Sociale angststoornis
Antwoord: B, C en D
Klinische Psychologie HO 11 t/m 25 Pagina 5
,Uitleg: ASS gaat vaak samen met een obsessief-compulsieve stoornis,
depressie en sociale angststoornissen.
Vraag 11
Bij de behandeling van personen met ASS met een normale tot hoge
intelligentie wordt psycho-educatie ten strengste afgeraden.
A. Onjuist
B. Juist
Antwoord: A
Uitleg: Psycho-educatie is juist een belangrijk onderdeel van de
behandeling bij ASS met normale tot hoge intelligentie, omdat inzicht en
strategieën helpen bij het omgaan met de stoornis.
Vraag 12
Hoe kun je een autismespectrumstoornis het beste kenmerken? Door
ernstige gebreken in de ontwikkeling van sociaal-communicatieve
vaardigheden en:
A. Hyperactiviteit en impulsiviteit
B. Het voorkomen van stereotiepe gedragingen en interesses
C. Moeite hebben met veranderingen
D. Sensorische overgevoeligheid voor geluid, licht en aanrakingen
Antwoord: B
Uitleg: De kern van ASS is een combinatie van sociale-communicatieve
tekorten en repetitieve of stereotiepe gedragingen of interesses; andere
kenmerken zijn aanvullend.
Vraag 13
Voor het vaststellen van een autismespectrumstoornis moeten symptomen
aanwezig zijn in twee kerndomeinen. Het eerste domein betreft
deficiënties in de sociale communicatie en interactie. Dit domein omvat
verschillende criteria. Welke worden genoemd?
A. Deficiënties in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van sociale
relaties
B. Deficiënties in de non-verbale communicatie
C. Deficiënties in de verbale communicatie
D. Deficiënties in de sociale wederkerigheid
Antwoord: A, B en D
Uitleg: Domein 1 omvat tekorten in sociale wederkerigheid, non-verbale
communicatie en sociale relaties; “verbale communicatie” is geen apart
criterium.
Klinische Psychologie HO 11 t/m 25 Pagina 6
,Vraag 14
Het tweede kerndomein ‘repetitieve gedragingen en interesses’ van ASS
bevat een aantal kenmerken. Welk kenmerk hoort daar niet bij?
A. Sensorische overgevoeligheid
B. Stereotiepe bewegingen, gedragingen of spraak
C. Een sterk ontwikkeld wiskundig vermogen
D. Moeite met veranderingen
Antwoord: C
Uitleg: Het tweede domein omvat stereotypieën, rigiditeit en sensorische
bijzonderheden; speciale talenten of hoogbegaafdheid horen daar niet
standaard bij.
Vraag 15
Wanneer er wordt gedacht aan ASS maar de symptomen van repetitief
gedrag en specifieke interesses afwezig zijn, kan de diagnose sociale
communicatiestoornis worden overwogen.
A. Onjuist
B. Juist
Antwoord: B
Uitleg: Bij een sociale communicatiestoornis zijn er pragmatische tekorten
in sociale communicatie, maar ontbreken de repetitieve gedragingen die
kenmerkend zijn voor ASS.
Vraag 16
Het tweede domein om vast te stellen of er sprake is van een
autismespectrumstoornis betreft beperkte, repetitieve gedragspatronen,
interesses en activiteiten. Welke criteria omvat dit domein?
A. Moeite met veranderingen, rituelen en routines
B. Beperkte gefixeerde interesses
C. Stereotype bewegingen, gedragingen of spraak
D. Trage of afwezige reacties op sociale prikkels
Antwoord: A, B en C
Uitleg: Domein 2 omvat stereotypieën, rigiditeit en beperkte interesses;
trage of afwezige sociale reacties horen bij domein 1.
Vraag 17
Bij wie en met welke verdeling komt ASS het meeste voor?
A. Met een man-vrouwverdeling 1:2
B. Met een man-vrouwverdeling 2:1
C. Bij vrouwen
Klinische Psychologie HO 11 t/m 25 Pagina 7
,D. Met een man-vrouwverdeling 3:1
E. Bij mannen
Antwoord: D en E
Uitleg: ASS komt vaker voor bij mannen; de verhouding is ongeveer 3 op 1.
Vraag 18
De prevalentie van ASS zal toenemen nu de DSM-5 er is.
A. Onjuist
B. Juist
Antwoord: A
Uitleg: De DSM-5 heeft strengere criteria waardoor de prevalentie eerder
zal dalen dan toenemen.
Vraag 19
Welke omgevingsfactor wordt genoemd die kan leiden tot een
autismespectrumstoornis?
A. Zwangerschap
B. Leeftijd
C. Sociale achtergrond
Antwoord: A
Uitleg: Omgevingsfactoren tijdens de zwangerschap, zoals infecties of
blootstelling aan toxische stoffen, kunnen het risico verhogen.
Vraag 20
Wanneer je gebruik mag maken van drie interventies, is de kans het
grootste om ASS te diagnosticeren door middel van observatie,
neurocognitief onderzoek en heteroanamnese.
A. Juist
B. Onjuist
Antwoord: B
Uitleg: De gouden standaard voor ASS-diagnostiek is observatie,
anamnese en heteroanamnese; neurocognitief onderzoek is slechts
ondersteunend.
Vraag 21
Is het aannemelijk dat in de onderstaande casus ASS gediagnosticeerd kan
worden?
Casus: Een vrouw komt bij de psycholoog. Terwijl zij onophoudelijk heen en
weer wiegt vertelt zij over haar klachten: "Ik heb moeite met het aangaan
van vriendschappen. Ik vind het moeilijk spontaan te reageren op anderen
Klinische Psychologie HO 11 t/m 25 Pagina 8
,of de gezichtsuitdrukking van een ander te lezen. Ik heb moeite om te
gaan met plotselinge veranderingen op mijn werk en thuis. Ik kan niet
tegen plaatsen waar drukte en lawaai is."
A. Ja, want zij voldoet aan alle kenmerken.
B. Ja, want zij voldoet aan alle kenmerken, mits aanwezig sinds haar jeugd.
C. Nee, de symptomen hebben meer aanknopingspunten met een
angststoornis.
D. Nee, want de ernst en hinder in functioneren zijn onbekend.
Antwoord: B
Uitleg: Voor een ASS-diagnose moeten de symptomen sinds de vroege
ontwikkelingsperiode aanwezig zijn en beperkingen veroorzaken in het
functioneren.
Vraag 22
Bij de behandeling van personen met ASS met een lage intelligentie wordt
psycho-educatie aangeraden omdat zij anders niet goed kunnen begrijpen
hoe hun beperkingen hen hinderen.
A. Juist
B. Onjuist
Antwoord: B
Uitleg: Psycho-educatie vraagt voldoende cognitieve capaciteiten en wordt
vooral toegepast bij normale tot hoge intelligentie; bij lage intelligentie ligt
de nadruk op structuur en begeleiding.
Vraag 23
Door welke twee kenmerken wordt de autismespectrumstoornis het beste
gekenmerkt?
A. Het voorkomen van stereotiepe gedragingen en interesses
B. Een typische motoriek die het dagelijks functioneren hindert
C. Het niet of nauwelijks maken van oogcontact
D. Echolalie, het napraten van woorden of delen van zinnen
E. Ernstige gebreken in de ontwikkeling van sociaal-communicatieve
vaardigheden
Antwoord: A en E
Uitleg: ASS wordt gekenmerkt door sociaal-communicatieve tekorten en
repetitieve gedragingen of interesses; andere kenmerken kunnen
voorkomen maar zijn niet kernachtig.
Vraag 24
Voor het vaststellen van een autismespectrumstoornis moeten symptomen
Klinische Psychologie HO 11 t/m 25 Pagina 9
, aanwezig zijn in twee kerndomeinen. Het eerste domein betreft
deficiënties in de sociale communicatie en interactie. Welke worden
genoemd?
A. Deficiënties in de non-verbale communicatie
B. Deficiënties in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van sociale
relaties
C. Deficiënties in het vermogen om verbanden te ontrafelen
D. Deficiënties in de sociale wederkerigheid
Antwoord: A, B en D
Uitleg: Domein 1 omvat tekorten in sociale wederkerigheid, non-verbale
communicatie en sociale relaties; “verbanden ontrafelen” is geen
criterium.
Vraag 25
Welke kenmerken bevat het tweede kerndomein ‘repetitieve gedragingen
en interesses’ van ASS?
A. Een sterk ontwikkeld wiskundig vermogen
B. Sensorische overgevoeligheid
C. Het niet kunnen interpreteren van humor
D. Stereotiepe bewegingen, gedragingen of spraak
E. Moeite met veranderingen
Antwoord: B, D en E
Uitleg: Domein 2 omvat stereotypieën, rigiditeit en sensorische
bijzonderheden; speciale talenten en humorproblemen horen er niet bij.
Vraag 26
Wanneer er sprake is van aanhoudende problemen met het toepassen van
(non-)verbale communicatie in de sociale context – denk aan beperkingen
in de omgang met anderen zoals geen oogcontact maken of geen
vriendschappen aangaan – welke diagnose is dan het meest passend
volgens de DSM-5?
A. ADHD
B. Sociale communicatiestoornis
C. PDD-NOS
D. ASS
Antwoord: B
Uitleg: Bij een sociale communicatiestoornis zijn er pragmatische tekorten
in communicatie en relaties, maar ontbreken de repetitieve gedragingen
van ASS. PDD-NOS bestaat niet meer in de DSM-5.
Klinische Psychologie HO 11 t/m 25 Pagina 10