Bladzijde 13 tot 18 staan de antwoorden + korte uitleg. Bevat 58 meerkeuzevragen waarvan 40/58 goed een voldoende is.
1. Wanneer een genetische eigenschap recessief is:
A. Moet het gen van beide ouders geërfd worden om tot uiting te komen in het fenotype.
B. Wordt de eigenschap uitsluitend bepaald door de geslachtschromosomen.
C. Is de eigenschap altijd schadelijk voor het individu.
D. Kunnen alleen ouders die de eigenschap zelf hebben deze doorgeven aan hun kinderen.
2. Tijdens welke fase worden de kaliumkanalen (K+) geopend waardoor kaliumionen de cel
verlaten?
A. Repolarisatie
B. Sleutel-slot principe
C. Depolarisatie
D. Hyperpolarisatie
3. In een onderzoek wordt gekeken naar hoeveel van de verschillen in intelligentie tussen
mensen verklaard kan worden door genetische factoren in plaats van omgevingsinvloeden.
De onderzoekers willen dus weten in welke mate genen bijdragen aan variatie binnen een populatie.
Hoe heet dit begrip?
A. Genexpressie
B. Heritability
C. Epigenetica
D. Natuurlijke selectie
4. Tijdens welke slaapfase vinden meestal de levendigste dromen plaats en is de hersenactiviteit
het meest vergelijkbaar met die van iemand die wakker is?
A. Stadium 1 van de non-REM-slaap
B. Stadium 3 (diepe slaap)
C. REM-slaap
D. Fase tussen waken en slapen
5. Welke van de volgende uitspraken over kegeltjes en staafjes in het netvlies is juist?
A. Staafjes zorgen voor kleuren zien bij fel licht.
B. Kegeltjes zijn vooral actief bij weinig licht.
C.Kegeltjes liggen verspreid over het hele netvlies en niet in de gele vlek.
D. Staafjes zijn gevoelig voor zwak licht maar nemen geen kleuren waar
, 6. Welke uitspraak over kleurenzien is juist?
A. De trichromatische theorie stelt dat kleurenzien gebaseerd is op drie soorten kegeltjes die gevoelig
zijn voor rood, groen en blauw licht.
B. De opponent-procestheorie verklaart kleurenblindheid als gevolg van het ontbreken van één type
staafje.
C. Volgens de trichromatische theorie worden kleuren waargenomen via receptoren in de hersenstam,
niet in het netvlies.
D. De opponent-procestheorie beweert dat alle kleurenblindheid wordt veroorzaakt door defecten in
de iris.
7. Welke van de volgende uitspraken over visuele verwerking is juist?
A. De dorsale route loopt naar de pariëtale kwab en helpt bij het lokaliseren van objecten en het
bepalen van hun beweging.
B. De ventrale route (“wat”-pad) loopt naar de pariëtale kwab en helpt bij het lokaliseren van objecten
in de ruimte.
C. De dorsale route (“waar”-pad) loopt naar de temporale kwab en helpt bij het herkennen van
objecten.
D. De ventrale route loopt naar de occipitale kwab en speelt geen rol bij objectherkenning
8. Welke van de volgende voorbeelden is een top-down proces bij perceptie?
A. Je ziet een vaag beeld van een dier in het bos en herkent het dankzij je eerdere kennis van dieren.
B. Je voelt een hete pan en trekt je hand automatisch terug zonder na te denken.
C. Je ziet een voorwerp en je hersenen verwerken de vormen en kleuren om te bepalen wat het is,
zonder eerdere verwachtingen.
D. Je reageert op een plotseling hard geluid zonder erover na te denken.
9. Welke van de volgende situaties is een voorbeeld van het gestaltprincipe van nabijheid?
A. Je ziet een incomplete cirkel, maar vult automatisch de ontbrekende stukjes in zodat je een
volledige cirkel ziet.
B. Je ziet een logo waarvan bepaalde delen dezelfde kleur hebben, waardoor je ze als bij elkaar
horend ervaart.
C. Je ziet een gebogen lijn en volgt deze vloeiend, ook al wordt hij onderbroken door een ander
object.
D. Je ziet stippen die dicht bij elkaar staan en je waarneemt ze als een groep, terwijl de verder weg
staande stippen apart lijken.
10. Welke factor kan prenatale ontwikkeling negatief beïnvloeden door omgevingsinvloeden en
niet door genetische aanleg?
A. Chromosoomafwijkingen zoals Downsyndroom
B. Teratogenen zoals alcohol of bepaalde medicijnen tijdens de zwangerschap
C. Erfelijke genetische mutaties in het DNA
D. De kleur van het haar van de ouders