Samenvatting Inleiding Publiekrecht
Aantekeningen HC 1:
Staatsrecht geeft antwoord op 3 vragen:
1. wie bepaalt wat wel en niet mag?
- regels over wetgevende bevoegdheden staan in de Gw
2. op welke wijze kan de overheid dmv dwang de naleving van regels afdwingen?
3. hoe kunnen burgers/bedrijven van bestraffing?
- geen strafrecht, maar meer de organisatie van de rechterlijke macht.
Staatsrecht = recht dat ziet op:
a) inhoud en functioneren van de instellingen van de staat
b) bevoegdheden om regels vast te stellen en besluiten te nemen
c) regulering/beperking staatsmacht (grondrechten)
Verschil tussen politiestaat en rechtsstaat?
- politiestaat = dictatuur → overheid heeft onbeperkte macht en burgers geen macht.
- ook in politiestaat geldt staatsrecht: er zijn regels over:
a) inhoud en functioneren van de instellingen van de staat
b) bevoegdheden om regels vast te stellen en besluiten te nemen
c) soms ook op papier (niet in praktijk): regulering/beperking
staatsmacht (grondrechten)
- kenmerken rechtsstaat:
1) legaliteitsbeginsel → overheid mag alleen ingrijpende maatregelen
nemen als er een wettelijke grondslag is.
→ belangrijk want: waarborg tegen willekeur
2) scheidings/spreiding van machten → voorkomen dat alle macht in
handen is van 1 persoon/instelling.
→ belangrijk want: waarborg tegen machtsmisbruik
→ trias politica (Montesquieu): wetgevende, uitvoerende en
rechtsprekende macht.
3) onafhankelijke rechterlijke macht
4) grondrechten → bijv. vrijheid van godsdienst, meningsuiting,
vergadering: zijn rechten die je als burger kunt uitoefenen tegenover
de staat.
5) democratiebeginsel
Waar vind je het staatsrecht?
- grondwet en andere wetten, zoals kieswet, gemeentewet, etc.
- staatsrechtelijke handboeken → ongeschreven recht
Grondwet = een rigid constitution
→ houdt in dat het lastig is om de grondwet aan te passen
Hoofdrolspelers van het staatsrecht:
- regering → koning + ministers (art. 42 Gw)
- koning → 2 hoofdtaken:
a) staatshoofd → in sommige landen heeft de koning alleen deze functie
en geen verdere macht → ceremonieel koningschap
, *belangrijke begrippen
b) lid van de regering → daarmee heeft de koning macht, maar wel
gedeelde macht met de ministers.
- concrete taken:
- benoeming en ontslag ministers (art. 43 Gw)
- formeel betrokken bij alle beslissingen van de regering:
- indienen/bekrachtiging van wetsvoorstellen
- heel veel benoemingen (o.a. burgemeesters, rechters,
topambtenaren)
- ministerraad
- waar ministers elke vrijdag met elkaar vergaderen
- taken: (art. 45 GW en art. 4 RvO ministerraad)
a) beraadslaging over en bevordering van algemeen
regeringsbeleid
b) belangrijke kabinetsstandpunten innemen
→ vaak in de vorm van een nota voor de tweede en/of eerste
kamer.
c) ontwerpen van wet → indienen wetsvoorstellen bij de tweede
kamer
d) goedkeuren verdragen waar nederland zich bij wil aansluiten
e) benoemingsvoorstellen
- onderraden en commissies → voorbereiden/verlichten van ministerraad
- homogeniteit van de ministerraad → je mag als minister niet in strijd handelen
met een besluit van de ministerraad en niet naar buiten laten blijken dat je het
oneens bent met het besluit.
- ministers / staatssecretarissen
- minister-president → voorzitter van ministerraad, kan geen ministers
ontstaan, lid van Europese Raad, representeert het kabinet, hoofd van
Ministerie van Algemene Zaken.
- ‘de eerste onder zijn gelijken’ → verschilt niet veel van gewone
ministers.
- minister staat aan het hoofd van een departement, geeft leiding aan een
ministerie, neemt deel aan ministerraad (staatssecretaris niet)
- elk ministerie heeft meerdere staatssecretarissen
- weinig verschil tussen functie van minister en staatssecretaris, maar
staatssecretaris heeft nooit stemrecht in de ministerraad.
- als de minister aftreedt, biedt ook de staatssecretaris ontslag aan.
- politiek optreden van staatssecretaris is zijn eigen verantwoordelijkheid,
vervolgens kan overwogen worden in hoeverre het ook de
verantwoordelijkheid van de minister is.
- minister ad interim → vervangende minister, als minister niet meer in staat is
om de staatssecretaris aanwijzigingen te geven.
- parlement
= Staten-Generaal
- Tweede kamer + Eerste kamer
- Tweede kamer:
- bestaat uit 150 leden, fulltime politici
- rechtstreeks door de bevolking gekozen
- vergaderen van di tot do
, *belangrijke begrippen
- Eerste kamer:
- vergaderen alleen op di
- bestaat uit 75 kamerleden (senatoren)
- indirect gekozen → leden van provinciale staten mogen kiezen voor
de samenstelling van de Eerste kamer
→ trapsverkiezingen
- politieke ‘primaat’ ligt bij de Tweede kamer (want heeft rechten van initiatief
en amendement, die Eerste kamer niet heeft)
- reglement van orde = afkomstig van de kamer zelf, niet van een wet of
koninklijk besluit.
Kabinetsformatie:
- koning heeft hier tegenwoordig geen actieve rol meer bij
- nu neemt de tweede kamer het initiatief voor het samenstellen van een nieuw kabinet
- verkenner: kijkt welke partijen mogelijk kunnen samenwerken. Je wilt meerderheid
van de zetels hebben (min 76 zetels).
- informateur: praten met partijen die verkenner heeft uitgekozen, onderhandelaar
tussen politieke partijen, mogelijke coalitie, taak is voldaan als de partijen het eens
worden (compromissen) over een regeerprogramma
- formateur: laatste fase, in praktijk degene die later ook minister-president wordt, taak
= kijken welke personen ministers en staatssecretarissen kunnen worden, voorstel
doen aan de koning om de ministers/staatssecretarissen te gaan benoemen.
- er worden afspraken gemaakt over hoe de kabinetsperiode eruitziet, belangrijkste
doelstellingen: coalitie-/regeerakkoord. Niemand is hieraan gebonden, geen
juridische betekenis, puur politieke afspraken.
parlementaire onschendbaarheid → art. 71 Gw
→ leden van de staten-generaal, ministers, staatssecretarissen en personen die deelnemen
aan de beraadslaging (dus ook als ik in de tweede kamer zou staan) kunnen niet worden
vervolgd voor wat zij tijdens de beraadslagingen (dus op de gang kan je wel vervolgd
worden) zeggen.
reglement van orde Tweede kamer art. 8.16 lid II, 8.17 en art. 8.18 en art. 8.4 →
bevoegdheden van de kamervoorzitter om in te grijpen. (TABJES PLAKKEN)
, *belangrijke begrippen
verband tussen parlementaire onschendbaarheid en machtenscheiding: de staten-generaal
is de wetgevende macht. De rechterlijke macht kan zich hier niet mee bemoeien, want mag
vanwege de parlementaire onschendebaarheid niet tot een veroordeling komen. Ook een
antwoord: de uitvoerende macht kan zich niet mee bemoeien, er komt geen veroordeling,
dus is er ook geen uitvoering mogelijk door het OM (uitvoerende macht, staat onder
minsters).
Art. 67 lid 3 Gw → ‘de (kamer)leden (van de staten-generaal) stemmen zonder last’
→ je kamerzetel behoort tot een persoon en niet tot een partij. (logisch want bij verkiezingen
stem je ook op een persoon), dus als je uit een fractie in de tweede kamer wordt gezet, hoef
je je zetel niet op te geven.
→ een kamerlid kan stemmen zoals hij/zij wil ongeacht wat anderen (de partij waartoe je
behoort) willen
actief kiesrecht → mogen stemmen
passief kiesrecht → gekozen mogen worden
Art. 54 lid 1 Gw jo. art 56 Gw: markeren: Nederlanders, 18 jaar en bij de wet te bepalen
uitzonderingen.
Art. 54 lid 2 Gw: markeren:
4 vereisten om uitgesloten te worden van het kiesrecht
- bij de wet aangewezen delict (niet elk delict, maar bepaalde delicten die verband
houden met het stemmen: zoals stemfraude, bedreigen van de staat (terroristische
actie, aanslag op de koning))
- onherroepelijke rechterlijke uitspraak (je kunt er niet meer tegen in beroep)
- vrijheidsstraf van tenminste een jaar
- ontzet van het kiesrecht (moet rechter expliciet uitspreken, gebeurt niet standaard)