Week 3: Cognitieve gedragstherapie...............................................................2
Prins, Bosch & Braet (2018), H1 + H6.............................................................................2
Hoofdstuk 1: Gedragstherapie bij kinderen en jongeren..............................................2
Hoofdstuk 6: Cognitieve gedragstherapie (CGT)........................................................27
Braet & Bögels (2020) H4 (Schematherapie)................................................................50
VGCT (2023): Cognitieve herstructurering – Uitlegplaat................................................76
VGCT (2018): factsheet holistische theorie...................................................................77
VGCT (2018) factsheet exposure..................................................................................81
Week 4: Systeemtherapie.............................................................................86
Van der Pol et al. (2019)- Common elements of evidence-based systemic treatments
for adolescents with disruptive behaviour problems.....................................................86
Lange (2018), H10 — Gezinstherapie en systeemgerichte behandeling bij jeugdigen. .94
NVRG (2019)Factsheet: Systeemtherapie – Effectiviteit en toepassingsgebieden......102
NVRG (2017), p. 5–14 : De meerwaarde van systeemtherapie...................................110
Tang et al. (2024) – family-centred practice and family outcomes in residential youth
care: a systematic review........................................................................................... 116
Barth, Zeinstra, Lee & Harder (2023)- Shared Family Care – Uit-huisplaatsing voor
ouders en kinderen samen.......................................................................................... 131
1
,Week 3: Cognitieve gedragstherapie
Prins, Bosch & Braet (2018), H1 + H6
Hoofdstuk 1: Gedragstherapie bij kinderen en jongeren
Geschiedenis van de gedragstherapie bij kinderen en jongeren
De gedragstherapeutische aanpak van probleemgedrag bij kinderen en jongeren
kent een lange en gefaseerde ontwikkeling. De onderliggende leerprincipes
(zoals klassiek en operant leren) vormen vanaf het begin de basis.
Hoewel gedragstherapie vaak met de moderne psychologie wordt geassocieerd,
vinden we al vroeg sporen van deze ideeën terug in pedagogische en
psychologische literatuur.
Fase 1 — Vroege invloeden en eerste experimenten (voor 1960)
Vroege ideeën (18e eeuw – begin 20e eeuw)
Jean-Jacques Rousseau (1979) – Emilde
Legt nadruk op “leren door te doen”.
Wordt niet gezien als gedragstherapeut, maar zijn ideeën weerspiegelen een
vroege vorm van leerprincipes.
Eerste experimentele toepassingen (jaren 1920–30)
John B. Watson, Rosalie Rayner en Mary Cover Jones
Onderzochten conditioneringsprincipes als verklaring voor neurotisch
gedrag bij kinderen.
Bekende casussen:
o Little Albert→ vreesreacties aanleren door klassieke conditionering.
o Little Peter→ angst verminderen door blootstelling, modeling en
overreding.
Mary Cover Jones onderzocht al technieken die lijken op huidige
exposuretherapie.
Belangrijk: deze experimenten bevatten al veel elementen die nu standaard
zijn in gedragstherapie — blootstelling, modeling en conditionering — maar
kregen destijds weinig navolging.
Klinische toepassingen — maar geen doorbraak
O. Hobart Mowrer & William Mowrer (1938)
o Ontwikkelden de plaswekkermethode voor bedplassen.
o Effectieve methode, maar vond weinig weerklank bij therapeuten
destijds.
Arnold Gesell
o Probeerde kindertherapeuten te overtuigen van de effectiviteit van
deze methode.
o Geen brede toepassing → psychoanalyse domineerde de jeugdzorg.
Gedragstherapie en onderwijs
2
, Sidney Pressey (1919)
o Ontwikkelde de eerste leermachine → een voorloper van
programmagericht leren.
o Werd echter niet breed geaccepteerd → gedragstherapeutische
principes sloegen nog niet aan in onderwijs.
Fase 2 — De doorbraak (jaren 1960)
Context
In deze periode groeide de kritiek op de psychoanalyse en de vraag naar
meer evidence-based benaderingen.
Gedragstherapie werd vooral toegepast bij ernstige ontwikkelings- en
gedragsstoornissen.
Toepassing bij ernstige problematiek
B.F. Skinner → operante conditionering als leidraad.
Gedragstherapie werd toegepast bij:
o Kinderen met autisme of schizofrenie.
o Kinderen met ernstig probleemgedrag in residentiële instellingen.
Doelen van de eerste programma’s:
Terugdringen van bizar of zelfverwondend gedrag.
Stimuleren van sociale vaardigheden en zelfredzaamheid bij verstandelijk
beperkte kinderen.
Systematisch aanleren van taal bij kinderen met autisme.
o Ole Ivar Løvaas speelde hierin een pioniersrol.
Fase 3 — Uitbreiding en institutionalisering (vanaf jaren 1970)
Verbreding naar minder ernstige problematiek
Gedragstherapie verplaatste zich geleidelijk van de residentiële zorg naar
ambulante zorg, opvoeding en onderwijs.
Het denken in termen van “contingenties in natuurlijke omgevingen” —
dus niet meer alleen in klinische settings, maar ook thuis en op school.
Belangrijke ontwikkelingen:
Integratie van gedragstherapie in opvoedingsprogramma’s.
Meer nadruk op praktische gedragsverandering en oudertraining.
Start van gedragstherapeutische methoden die later ook bij minder ernstige
gedragsproblemen effectief bleken.
Belangrijkste kenmerken per periode
Periode Kenmerken Belangrijke Context / Toepassing
namen
Vroege invloeden Leren door doen Rousseau Filosofische
(voor 1920) (pedagogisch), grondgedachte
Geen formele gedragstherapie
Eerste Conditionering, Watson, Rayner, Klinisch onderzoek,
experimenten Exposure, Mary Cover Jones, onderwijs — weinig
(1920–30) Modeling, Mowrer, Pressey navolging
3
, Angstbehandeling
Doorbraak (1960) Operante conditionering, Skinner, Løvaas Residentiële instellingen,
(fase 2) Behandeling ernstige autisme en
problematiek gedragsstoornissen
Uitbreiding (1970 Toepassing in opvoeding, Bijou, Baer, Verbreding naar minder
e.v.) (fase 3) onderwijs, ambulante zorg; Patterson ernstige problematiek,
Denken in natuurlijke oudertraining e.d.
contingenties
Ontwikkeling van gedragstherapie bij kinderen en jeugdigen
De ontwikkeling van gedragstherapie in de afgelopen vijftig jaar kan worden
onderverdeeld in drie generaties.
Elke generatie bouwt voort op de voorgaande.
Het centrale doel blijft: begrijpen en veranderen van probleemgedrag
bij kinderen en jongeren.
De benadering verschuift van puur observeerbaar gedrag naar meer aandacht
voor interne cognitieve processen.
Eerste generatie gedragstherapie (± jaren 60–80)
Kernkenmerken:
Focus op waarneembaar gedrag.
Gebaseerd op klassieke en operante conditionering.
Introspectie (zelfreflectie) werd gezien als onbetrouwbaar.
Probleemgedrag werd geanalyseerd als een interactie tussen gedrag en
specifieke omgevingsfactoren.
Belangrijke bijdragen:
Albert Bandura — Principles of behavior Modification (1969)
o Legde nadruk op modelfunctie van ouders en leeftijdsgenoten.
o Introduceerde sociaal leren → cognitieve processen spelen een rol bij
gedragsverandering.
Frederick H. Kanfer & Alan P. Phillips —Learning foundations of behavior
therapy (1970)
o Opener voor interne psychische processen, maar binnen een
empirisch en gedragsmatig kader.
Doelen en uitgangspunten:
Duidelijke afbakening ten opzichte van psychoanalytische therapieën.
Zette zich scherp af tegen de heersende psychotherapeutische stromingen,
die men onwetenschappelijk vond
Nadruk op:
o Leermodellen van symptoomontwikkeling en -verandering
o Directe symptoombehandeling
o Evidence-based interventies
o Afwijzing van niet-empirische methoden
Kern:Deze generatie legde de wetenschappelijke basis van de
gedragstherapie, met nadruk op leerprincipes en observeerbaar gedrag.
Tweede generatie gedragstherapie (± jaren 80–90)
4