Feldman 9e editie
Opleiding: Pedagogiek – Jaar 1
Gemaakt door: J.A
Aantal pagina’s: 23
Bevat de hoofdstukken:
Deel 1: De ontwikkeling van het kind
- H3, Het begin van het leven
- H4, De geboorte en het pasgeboren kind
Deel 2: De babytijd
- H5, De fysieke ontwikkeling in de babytijd
- H6, De cognitieve ontwikkeling in de babytijd
- H7, De sociaal-emotionele ontwikkeling en de
persoonlijkheidsontwikkeling in de babytijd
,H3 Het begin van het leven
3.1 D E VROEGSTE ONTWIKKELING
Gameten: Naam voor de mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen, ze
bevatten enorm veel genetische informatie.
Zygote: De bevruchte eicel.
Genen: Basiseenheid van genetische informatie.
DNA: Lange ketens van chemische stoffen, bevat genetische informatie
die bepalend is voor de aard en de functie van elke cel in het lichaam.
Chromosomen: Staafvormige stuk DNA. Genen die op specifieke volgorde
en op specifieke locaties gerangschikt op 46 chromosomen.
Mitose: Normale celdeling. Een proces waarbij lichaamscellen worden
aangemaakt.
Meiose: Geslachtsceldeling. Een proces waarbij er geslachtscellen worden
aangemaakt.
Soorten Meerlingen
Monozygote tweeling: ‘Eeneiig’, genetisch identiek en kan door
afsplitsing van 1 bevruchtte cellencluster ontstaan.
Dizygote tweeling: ‘Twee-eiig’, verwekt vanuit 2 afzonderlijke
eicellen die ongeveer tegelijkertijd bevrucht worden, wat gebeurt
door 2 verschillende zaadcellen.
Van de chromosomen zijn het 23ste paar de geslachtscellen.
XX= Vrouw XY=Man Na conceptie bepaalt de man gelijk welk
geslacht het
Kindje Wordt. Een man kan namelijk een X en een Y kwijt.
Basisbeginselen genetica
Oostenrijkse monnik Mendel (1822-1884) vormde de basis voor genetica.
Gen: Stuk DNA dat een bepaalde eigenschap bepaalt. (Bijv.
Oogkleur)
Allel: Een specifieke versie van een gen. (Bijv. Blauwe ogen)
, Dominante allel: Deze eigenschap komt steeds tot uiting.
Recessief allel: Komt alleen tot uiting als het aanwezig is op beide
chromosomen.
Genotype: Verzameling van genetisch materiaal in een organisme.
Fenotype: Het geheel van uiterlijk waarneembare kenmerken van
een organisme.
Overdracht genetische info:
Je hebt 3 soorten overerving.
1. Autosomale overerving: Betrokken gen ligt op 1 van de 22
chromosomen (lichaamscellen).
2. X-gebonden overerving: Betrokken gen ligt op het X-
chromosoom.
Bij mannen (XY): Zij hebben maar 1 X-chromosoom, als die een
afwijkend gen heeft
Krijgt het kind dat.
Bij vrouwen (XX): Zij hebben 2 X-chromosomen, als 1 een afwijkend gen
is kan het kind
Nog gezond zijn. Want het andere X-chromosoom kan het compenseren
(door
dominant te zijn Komt de afwijking niet naar voren)
3. Polygenische overerving: Een eigenschap wordt bepaald door
meerdere genen samen, in plaats van 1 gen. VB: Lengte wordt
beïnvloed door verschillende soorten genen.
Homozygoot: Gelijke varianten van de eigenschap van het gen. (AA)
Heterozygoot: Verschillende varianten van de eigenschap van het gen.
(Aa)
Gedragsgenetica: Richt op de relatie tussen genetische variatie en
individuele verschillen in gedrag.
Epigenetica: Studie van de manier waarop ervaringen en
leefomstandigheden van een individu de erfelijke aanleg kunnen
beïnvloeden.