Hoofdstuk 4: Biologisch en Psychologisch Perspectief
Dit hoofdstuk richt zich op de individuele kenmerken, aanleg en leerprocessen die
ten grondslag liggen aan antisociaal gedrag.
Theorie / Model Uitleg en Inhoud Bronn
en
Antisociaal Gedrag Dit is een brede categorie van gedrag.
(Externaliserend Gedrag) Het betreft een patroon van
negativistisch, opstandig, ongehoorzaam
en vijandig gedrag tegenover
autoriteitsfiguren, of gedrag waarbij de
grondrechten van anderen en belangrijke
sociale normen of regels worden
overtreden, en dat niet bij de leeftijd
past. Vormen hiervan zijn criminaliteit,
riskant gedrag (roken, alcoholmisbruik)
en problematisch gedrag bij
minderjarigen (spijbelen).
Gedragsgenetica Dit zijn kwantitatieve technieken binnen
(Tweeling- en de gedragsgenetica, ontwikkeld om de
Adoptiestudies) vermenging van genetische en
omgevingsfactoren op te lossen.
Tweelingstudies wijzen op een sterke
erfelijke invloed op het ontstaan van
crimineel gedrag. Adoptiestudies
volgen geadopteerde kinderen om te
bepalen in hoeverre hun gedrag wordt
beïnvloed door de biologische aanleg
(biologische verwanten) of de omgeving
(adoptieve verwanten). De studies
suggereren dat naarmate mensen ouder
worden, hun antisociaal gedrag meer in
overeenstemming is met hun genetisch
potentieel.
Antisocial Personality Dit is een psychische stoornis waarbij
Disorder (ASPD) men ervan uitgaat dat crimineel gedrag
(Psychopathie/Sociopathi voortkomt uit psychologische oorzaken.
e) Het wijst op een persoon die inadequaat
is gesocialiseerd, vaak als gevolg van
wrede, afwijzende of onverschillige
behandeling in de jeugd, waardoor
empathie ontbreekt. Genetische
factoren (zoals het MAOA-gen, het
‘warrior gene’, en 5-HTTLPR) en
biochemische factoren (hoge levels
van testosteron en lage levels van het
stresshormoon cortisol) spelen hierbij een
rol.
Attention Deficit and Een psychische stoornis waarvan de
Hyperactivity Disorder hoofdkenmerken onoplettendheid,
(ADHD) hyperactiviteit en impulsiviteit zijn.
ADHD, in combinatie met een antisociale
persoonlijkheidsstoornis, levert een groot
, risico op crimineel gedrag.
Spanningsbehoefte Een persoonlijkheidstheorie, ontwikkeld
(Sensation Seeking Scale door Zuckerman, waarin de behoefte aan
- SSS) spanning centraal staat. Delinquenten
scoren hoger op subschalen zoals
Risicobereidheid (neiging tot
activiteiten met fysiek gevaar) en
Ontremming (behoefte om zich in
sociale situaties te laten gaan).
Big-Five-model Een model dat persoonlijkheden beschrijft
aan de hand van vijf dimensies
(Extraversion, Agreeableness,
Conscientiousness, Neuroticism,
Openness/Intellect). Studies hebben
aangetoond dat een lagere score op
Agreeableness (vriendelijkheid) en
Conscientiousness (zorgvuldigheid)
samenhangt met antisociaal gedrag.
HEXACO-model Dit is een uitbreiding van de Big-Five die
de zesde persoonlijkheidsdimensie
Honesty-humility (integriteit)
toevoegt. Deze dimensie, die ook
samenhangt met bedrog en criminaliteit,
is in het bijzonder relevant voor de
criminologie.
STOA-model (Situatie- Dit model veronderstelt dat een
Trek-Opbrengst-Actie) persoonlijkheidstype bepaalde situaties
activeert, omdat mensen met bepaalde
persoonlijkheidstrekken eerder geneigd
zijn die situaties op te zoeken.
Zelfbeheersing (Low Zelfcontrole wordt gezien als het
Self-Control) (Gottfredson vermogen om de eigen emoties,
& Hirschi) gedragingen en verlangens te beheersen
met het oog op een toekomstige (grotere)
beloning. Gebrek aan zelfbeheersing
wordt beschouwd als de belangrijkste
oorzaak van criminaliteit op individueel
niveau. Dit gebrek berust op een
genetisch bepaalde aanleg waaraan in de
opvoeding te weinig tegenwicht is
geboden.
Levensloopcriminologi Deze tak bestudeert de ontwikkeling van
e criminaliteit en ander probleemgedrag
gedurende de gehele levensloop, vaak
met behulp van longitudinale datasets.
Een belangrijke conclusie is dat crimineel
gedrag zich bij de meeste daders al op
jonge leeftijd manifesteert, piekt in de
adolescentie en afneemt in de vroege
volwassenheid, hoewel een kleine groep
daders doorgaat.
Klassieke Een van de hoofdvormen van leren,
Conditionering (Pavlov) waarbij een neutrale stimulus kan worden
verbonden met een reactie die
, oorspronkelijk geen relatie heeft met die
prikkel. Het afleren van sociaal
ongewenst gedrag door bestraffing kan
hieronder worden verstaan, waarbij de
aandrang tot verboden gedrag
associaties oproept met de dreiging van
straf.
Instrumenteel Leren Dit leerproces richt zich op de
ontwikkeling van doelgericht gedrag door
de sociale gevolgen ervan te ervaren
(leren van de consequenties van gedrag).
De ontwikkeling wordt bepaald door
reinforcers (beloningen) en straffen. Het
uitgangspunt is dat de mens streeft naar
zo veel mogelijk beloning en zo min
mogelijk straf.
Sociaal Leren (Leren Dit omvat complexere wijzen van leren,
door Observatie) waarbij onder meer de verwerking van
sociale ervaringen door de hersenen en
het leren door observatie van anderen
betrokken zijn. Dit leren veronderstelt
cognitieve vaardigheden zoals geheugen
en logisch redeneren.
Theorie van Deze theorie gaat ervan uit dat crimineel
Differentiële Associatie gedrag niet berust op erfelijke aanleg,
(Sutherland) maar wordt aangeleerd in contact met
anderen (een combinatie van sociaal
leren en observatie). Het leerproces is
hetzelfde als bij het aanleren van niet-
criminele gedragingen; het verschil ligt in
het soort personen met wie iemand zich
associeert.
Hoofdstuk 5: Economisch en Sociologisch Perspectief
Dit hoofdstuk behandelt theorieën die criminaliteit verklaren vanuit rationele
keuzes van de mens (economisch) en de invloed van de sociale omgeving
(sociologisch).
Economisch Perspectief
Theorie / Model Uitleg en Inhoud Bronn
en
Klassieke Ideeën De grondleggers hiervan (Beccaria, Bentham)
(Beccaria & Bentham) wilden de strafrechtspleging rationaliseren.
Ze zagen de mens als homo economicus die
een afweging maakt tussen de voor- en
nadelen van gedragsalternatieven. Beccaria
stelde dat criminaliteit een overtreding is van
het maatschappelijk contract en dat de
zwaarte van de straf evenredig moet zijn aan
de zwaarte van het delict (proportionaliteit).
Bentham stelde dat de straf net hoog
genoeg moest zijn om potentiële daders af te
schrikken.