1
, Samenvatting.
Inhoud
Hoofdstuk 1. Het terrein van de
ontwikkelingspsychologie…
Blz. 3 t/m 11
Hoofdstuk 2. Ontwikkelingspsychologie
theorieën…
Blz. 12 t/m 21
Hoofdstuk 3. Erfelijkheid en prenatale
ontwikkeling...
Blz 22 t/m 31
Hoofdstuk 4. Fysieke ontwikkeling….
Blz. 32 t/m 41
Hoofdstuk 6. Het denken…
Blz. 42 t/m 54
Hoofdstuk 7. Temperament…
Blz. 55 t/m 60
Hoofdstuk 8. Gehechtheid…
Blz. 61 t/m 72
2
,Hoofdstuk 1. Kennismaking met
ontwikkelingspsychologie.
1.1 Een definitie van ontwikkeling.
‘Ontwikkelen’ is het omgekeerde van wikkelen, opvouwen of omhullen; het
is in die zin te vergelijken met de woorden ‘ontplooien’, ‘ontvouwen’ of
‘onthullen’. Het ‘verhulde’ wordt pas zichtbaar als we laag voor laag
verwijderen. Dat proces moeten we stapsgewijs en in een vaste volgorde
doorlopen. ‘Ontwikkelen’ kunnen we dan typeren als het doorlopen van
een reeks toestanden. Van sommige reeksen kennen we het begin- en
eindpunt. Van andere ontwikkelingen, die nog in volle gang zijn, is het
eindpunt onbekend.
Verandering en vooruitgang zijn twee essentiële kenmerken van
ontwikkeling. Ontwikkeling laat zich als een getrapt proces beschrijven
waarin elke volgende trede op een ‘hoger’ niveau staat en meer op het
eindresultaat lijkt dan de trede die eraan voorafging. Rijping impliceert
verandering en vooruitgang op twee niveaus: van klein naar groot (groei)
en van eenvoudig naar complex (differentiatie).
Leren verwijst naar het verwerven van kennis en vaardigheden op basis
van ervaring. Die ervaring doen we op door actief in contact te treden met
de omgeving. We leren ons op alle mogelijke manieren aan te passen aan
de eisen van de omgeving en verhogen daarmee onze competentie, dat
wil zeggen ons vermogen om grip op de omgeving te krijgen. Ontwikkeling
wordt opgevat als een reeks. Progressieve veranderingen die tot hogere
niveaus van differentiatie en functioneren leiden.
De psychologische ontwikkeling van de mens staat nooit stil, maar alleen
in de kinder- en jeugdjaren leiden deze veranderingen door de combinatie
van rijping en leren tot een steeds hoger niveau van functioneren. Deze
levensfase eindigt met het bereiken van de volwassenheid.
De ontwikkelingspsychologie houdt zich met twee fundamentele kwesties
bezig:
1. Welke psychologische toestanden doorlopen individuen tijdens hun
ontwikkeling?
2. Welke mechanismen zijn verantwoordelijk voor de overgang van de ene
toestand naar de volgende?
Er zijn twee manieren om de ontwikkeling van kinderen en jeugdigen te
beschrijven. We kunnen van een leeftijdsindeling uitgaan. Dit is een
3
, praktische benadering die vooral prettig is voor degene die in hun werk of
studie slechts met één specifieke leeftijdsgroep te maken hebben.
1.2 Kinder- en jeugdjaren: een afbakening.
Een belangrijk element binnen de ontwikkelingspsychologie is de factor
tijd. Dat zien we in de toegepaste onderzoeksmethoden, zoals het
longitudinale onderzoek waarin men meetresultaten op verschillende
tijdstippen met elkaar vergelijkt. Het is gebruikelijk om de kinder- en
jeugdjaren in perioden op te splitsen.
We onderscheiden:
- Babyperiode (0-12 maanden)
- Peuterperiode (1-4 jaar)
- Kleuterperiode (4-6 jaar)
- Schoolperiode (6-12 jaar)
- Adolescentie (12-18 jaar)
1. Babyperiode (0-12 maanden)
We spreken van een baby of zuigeling zolang het kind nog niet loopt.
Grofweg komt de babyperiode dan overeen met het eerste levensjaar. In
dat eerste levensjaar is het groei- en ontwikkelingstempo heel hoog.
Vooral op motorisch gebied zijn de vorderingen spectaculair. Een van de
belangrijke ontwikkelingen in het eerste levensjaar is het ontstaan van de
eerste gehechtheidsrelatie; zoals we later zullen zien een eerste mijlpaal
in de persoonlijkheidsontwikkeling.
2. Peuterperiode (1-4 jaar)
Zo afhankelijk als de baby van zijn omgeving is, zo ondernemend en
zelfbewust is de peuter. Talloze nieuwe vaardigheden zorgen voor een
geweldige toename van verkenningsmogelijkheden en leerervaringen. De
belangrijkste daarvan is wel de taalontwikkeling die de basis vormt van de
snel toenemende sociale en communicatieve vaardigheden. Een
eigenschap van peuters die we nog veel tegen zullen komen is
egocentrisme. Peuters denken en handelen sterk vanuit hun eigen
belevingswereld en kunnen zich nog niet in andere verplaatsen.
3. Kleuterperiode (4-6 jaar)
De kleuterperiode komt overeen met wat vroeger de kleuterschooltijd
werd genoemd. De kleuter is meer dan de peuters op andere kinderen
gericht en beschikt meestal over een rijke fantasie. De kleutertijd heeft
echter heel specifieke kenmerken en onderscheidt zich nog altijd duidelijk
van de schoolperiode die op zesjarige leeftijd wordt ingeluid. Het accent
verschuift van spelen naar leren.
In Nederland gaan vrijwel alle vierjarigen naar de basisschool, maar de
leerplicht begint pas met vijf jaar. De omgeving van de kleuter breidt zich
4