(boekstof)
Inhoudsopgave:
H1: De cellulaire grondslagen van gedrag
- 1.1: De biologische benadering van gedrag
- 1.2: Neuronen en andere cellen
- 1.3: Het actiepotentiaal
H2: Synapsen
- 2.1: Het concept van de synaps
- 2.2: Chemische activiteiten in de synaps
H3: Anatomie en onderzoeksmethoden
- 3.1: Structuur van het zenuwstelsel van gewervelde dieren
- 3.2: De hersenschors
- 3.3: Onderzoeksmethoden
H4: Genetica, ontwikkeling en plasticiteit
- 4.1: Genetica en evolutie van gedrag
- 4.2: Ontwikkeling van de hersenen
- 4.3: Plasticiteit na hersenbeschadiging
H5: Visie
- 5.1: Visueel coderen
- 5.2: Visuele verwerking in de hersenen
- 5.3: Gespecialiseerde visuele processen
H6: Horen, de mechanische zintuigen en de chemische zintuigen
- 6.1: Horen
- 6.2: De mechanische zintuigen
- 6.3: De chemische zintuigen
,H1: DE CELLULAIRE GRONDSLAGEN VAN GEDRAG
1.1: De biologische benadering van gedrag
Vraag 1 – Waarom is het universum geschikt voor leven?
Na de oerknal bleef er net iets meer materie dan antimaterie over, waardoor sterren en
planeten konden ontstaan.
Water speelt belangrijke rol: door de hoek van 104,5° in het watermolecuul ontstaat een
positieve en negatieve kant, waardoor watermoleculen elkaar aantrekken en vloeibaar
water mogelijk is.
Vraag 2 – Waarom bestaat er bewustzijn?
Het bestaan van bewustzijn niet vanzelfsprekend. Computers kunnen complexe
berekeningen uitvoeren zonder bewuste ervaring, terwijl bij mensen
informatieverwerking wel bewust ervaren wordt.
Geest-lichaamprobleem / geest-brein probleem: waarom zijn bepaalde soorten
hersenactiviteit bewust?
Het veld van de Biologische Psychologie
Biologische psychologie (BP) onderzoekt de fysiologische, evolutionaire en
ontwikkelingsmechanismen van gedrag en ervaring. Uitgangspunt: denken en handelen
komt voort uit hersenmechanismen de zich hebben ontwikkeld omdat ze bijdroegen aan
overleving en voortplanting.
BP richt zich op hersenactiviteit en de cellen die daarbij betrokken zijn
- Neuronen, die signalen doorgeven aan andere neuronen, spieren en klieren,
- Gliacellen, die kleiner zijn maar informatie over grote afstanden doorgeven.
Drie belangrijke punten:
1. Waarneming gebeurt in de hersenen – wat we voelen, zien of horen is niet
werkelijkheid zelf, maar een representatie in brein.
2. Geest en brein zijn één (monisme) – mentale processen zijn direct verbonden
met hersenactiviteit, in tegenstelling tot het dualisme dat lichaam en geest
scheidt.
3. Individuele verschillen komen uit hersenen – verschillen in waarneming,
gevoeligheid en gedrag hangen samen met variaties in hersenstructuur en -
werking.
Biologische verklaringen van gedrag
Mens/dier heeft geen bewust inzicht in reden voor eigen gedrag, bijv. gapen of trekken
naar warme landen vogels.
Vier categorieën van biologische verklaringen:
, 1. Fysiologisch – gedrag wordt verklaard vanuit activiteit van hersenen en andere
organen. Bijv. chemische reacties in het lichaam.
2. Ontogenetisch – gedrag wordt verklaard vanuit ontwikkeling en groei. Bijv.
verschillen tussen mannen en vrouwen ontstaan deels door veranderingen in het
zenuwstelsel gedurende het leven.
3. Evolutionair – gedrag wordt verklaard vanuit evolutionaire geschiedenis van
structuur of gedrag. Bijv. gereedschapsgebruik bij apen en mensen heeft een
gemeenschappelijke oorsprong, enkel mens heeft vaardigheid verder ontwikkelt.
4. Functioneel – gedrag wordt verklaard vanuit de functie voor overleving en
voortplanting. Bijv. camouflagegedrag van dieren beschermt tegen roofdieren.
Voorbeeld: vogelgezang
Fysiologisch: hersengebied groeit onder invloed van testosteron bij broedende
mannetjes → mogelijk maken van zang.
Ontogenetisch: jonge vogels leren zingen door volwassenen te imiteren; genen +
blootstelling in gevoelige periode zijn essentieel.
Evolutionair: soortovereenkomsten in zang wijzen op gemeenschappelijke
voorouder.
Functioneel: zang trekt vrouwtjes aan en houdt rivalen op afstand; alleen tijdens
voortplantingsseizoen en in territorium.
Kwesties betreffende dieronderzoek
Dieronderzoek roept ethische vragen op. Biologische psychologen gebruiken dieren
omdat:
1. Veel gedragsmechanismen vergelijkbaar zijn met die van mensen en die v.
dieren zijn makkelijker te bestuderen.
2. Men nieuwsgierig is naar dieren zelf, bijv. hoe vleermuizen jagen in het donker.
3. Wat we leren over dieren licht werpt op menselijke evolutie en verschillen met
andere soorten.
4. Wettelijke en ethische beperkingen maken onderzoek op mensen vaak
onmogelijk.
Graden van tegenstelling bij dierproeven
Minimalisten: accepteren dierproeven als de wetenschap waardevol is, het leed
beperkt blijft en het soort dier geschikt is.
Abolitionisten: alle dieren hebben dezelfde rechten als mensen; geen dier mag
worden gebruikt, ongeacht nut of pijnloosheid.
Wettelijke norm: de 3 V’s
Vermindering: minder dieren gebruiken.
, Vervanging: alternatieven zoals computermodellen.
Verfijning: procedures aanpassen om pijn en ongemak te verminderen.
1.2: Neuronen en andere cellen
Neuronen
Zenuwstelsel bestaat uit neuronen en glia. Neuronen ontvangen informatie en zenden
deze door naar andere cellen bijv. neuronen, spieren, klieren. Volwassen brein ong. 86
miljard neuronen.
Santiago Ramón y Cajal toonde aan dat neuronen individuele cellen zijn, gescheiden
door kleine tussenruimte (synapsen). Oftewel: afzonderlijke maar functioneel verbonden
cellen.
Structuren van een dierlijke cel
Celmembraan (oppervlakte v. cel) vormt de grens tussen binnen- en buitenkant van de
cel, regelt welke stoffen de cel in- en uitgaan. Meeste chemicaliën kunnen het
membraan niet passeren, maar speciale eiwitkanalen laten gecontroleerde stromen van
water, zuurstof, natrium, kalium, calcium, chloride en andere belangrijke stoffen toe.
De nucleolus (kernlichaampje) bevat de chromosomen.
- DNA – chemische stof die chromosomen vormt – is in waterige oplossingen
instabiel, dus andere moleculen ondersteunen de stabiliteit en functionaliteit van
DNA.
Ribosomen synthetiseren (samenvoegen) nieuwe eiwitten; sommige drijven vrij rond in
cel, anderen hechten zich aan endoplasmatisch reticulum = netwerk van buizen dat
gesynthetiseerde eiwitten naar de juiste locaties transporteert.
Mitochondriën voeren de stofwisseling (metabolische activiteiten) uit en leveren
energie voor alle cel-activiteiten. Hebben eigen genen die zijn gescheiden van het DNA
in de kern. Mitochondriën worden geërfd via het cytoplasma van de eicel.
Hersenen afhankelijk van goed functionerende mitochondriën omdat energiebehoefte
van hersenen hoog is. Gezonde mitochondriën ondersteunen hersengezondheid,
cognitieve functies en algemene lichaamsgezondheid. Verminderde mitochondriale
activiteit kan optreden door genetische factoren, giftige stoffen, stress of
ontstekingsziekten. Door verminderde mitochondriale functie ontstaat verminderde
mentale energie, kans op depressie, verhoogde ernst epilepsie, Alzheimer, Parkinson,
Huntington.
,Structuur van neuronen
Soma (cellichaam): bevat kern, ribosomen en mitochondriën; ontvangt input van
dendrieten en stuurt signalen via axon.
Dendrieten: vertakte vezels die informatie ontvangen van andere neuronen via
synaptische receptoren.
Axon: dunne vezel die impulsen naar andere neuronen, spieren of klieren
geleidt; kan wel 1 meter lang zijn. heeft vertakkingen bij uiteinde:
Presynaptische terminals (eindknoppen/boutons): hier geef axon chemische
signalen vrij naar andere cellen.
Veel axonen bij gewervelden hebben myelineschede (isolatie) met Knopen van
Ranvier. Ongewervelde axonen hebben geen schede.
Soorten neuronen:
1) Sensorisch (afferent): één uiteinde gespecialiseerd (zeer gevoelig) voor
stimulatie, bijv. aanraking; brengt informatie naar een structuur.
2) Motorisch (efferent): ontvangt prikkeling via dendrieten en geleid impulsen
langs axon naar spier; voert informatie weg van een structuur.
3) Interneuron (intrinsiek): dendrieten en axon blijven binnen één structuur;
functioneert als schakelcel. Aan beide einden verbonden met andere
zenuwcellen.
Variatie tussen neuronen
Neuronen verschillen sterk in grootte, vorm en functie. Vorm van neuron bepaalt zijn
verbindingen met andere cellen en bepaalt daarmee zijn functie.
Bijv. cerebellum-neuronen ontvangen input van duizenden andere neuronen,
terwijl netvliescellen input van slechts enkele cellen ontvangen.
Glia
Glia (of neuroglia) ondersteunt neuronen en vervult diverse functies. Verhouding
neuronen tot glia verschilt per hersengebied. Typen:
1. Astrocyten: stervormige cellen die neuronen omringen en beschermen.
o Helpen ionen en neurotransmitters door neuronen te synchroniseren,
hierdoor kunnen axonen info in golven sturen
o Belangrijk voor ritmes zoals ademhaling.
o Verwijden bloedvaten om actieve hersengebieden van voedingsstoffen te
voorzien.
o Tripartiete synaps: beïnvloeden overdracht van signalen tussen neuronen.
o Reguleren kritieke perioden in de vroege visuele cortex.
, 2. Microglia: kleine immuuncellen van de hersenen.
o Verwijderen virussen, schimmels en dode neuronen (vermenigvuldigen
zich na hersenletsel)
o Passen effectiviteit van synapsen aan; verwijderen v. ongepaste
synapsen; belangrijk voor normale ontwikkeling.
o Geven negatieve feedback op neuronale activiteit (elektrische activiteit in
neuron) om rem in te zetten; verlies kan leiden tot epilepsie.
3. Oligodendrocyten & Schwann-cellen:
o Bouwen myelinescheden rond axonen en isoleren deze.
o Schwann-cellen versnellen impulsgeleiding in axon
o Voorzien axonen van voedingsstoffen; beïnvloeden leren en geheugen.
o Oligodendrocyten reageren op neurale activiteit door myelinescheden te
veranderen om timing v.d. reacties van axon aan te passen ->
leren/geheugen
4. Radiale gliacellen: begeleiden migratie van neuronen, axonen en dendrieten
tijdens embryonale ontwikkeling.
De bloed-hersenbarrière (BHB)
Hersenen kunnen voedingsstoffen uit bloed ontvangen. (meeste) Chemicaliën kunnen niet
van bloed naar hersenen oversteken, komt door bloed-hersenbarrière.
De BHB beschermt de hersenen door te voorkomen dat de meeste stoffen uit het
bloed binnendringen. Dit is nodig omdat neuronen niet kunnen worden vervangen
zoals huid- of bloedcellen; ze mogen dus niet zomaar worden opgeofferd bij een
infectie. Soms kunnen virussen wel door BHB heen, dan vallen de microglia v.d.
hersenen de virussen aan en zetten een ontstekingsreactie op die het virus
bestrijdt zónder het neuron te doden.
Hoe de BHB werkt
De BHB bestaat uit strak verbonden endotheelcellen (bekleden binnenkant van
alle bloedvaten voor barrièrefunctie) in de bloedvaten van de hersenen.
Voordeel: houdt virussen, bacteriën en giftige stoffen buiten.
Nadeel: laat ook nuttige stoffen (zoals medicijnen) moeilijk door.
Alleen vetoplosbare stoffen kunnen vanzelf door de barrière: zuurstof, CO₂,
vitamines A & D en hersenbeïnvloedende medicijnen.
Hoe snel BHB passeert, bepaalt hoe snel gedrag wordt beïnvloed.
Water, natrium, kalium- en chloriode-ionen passeren via specifieke kanalen.