Week 1
. Noem de 6 uitgangspunten van HGW / HGD.
. Noem 3 voor- en 3 nadelen van classificeren in het onderwijs.
. Wanneer is classificeren in het onderwijs zinvol?
. Noem de 5 fasen van handelingsgerichte diagnostiek
. Waarom ligt er vaak een onnatuurlijke focus op classificatie in het onderwijs? Noem drie problemen
die hieruit voortkomen.
. Wat is handelingsgerichte indicatiestelling?
Franz et al. (2023)
. Wat is een label-effect?
. Als iemand beter presteert omdat de leerkracht hogere verwachtingen heeft, noem je dat het ...
effect. Als iemand slechter presteert vanwege lagere verwachtingen, heet dat het ... effect.
. Wat is de belangrijkste bevinding van het onderzoek van Franz et al. (2023) over labeling bias?
Boek Pameijer, H1 - Inleiding
. Wat betekent het dat de HGD aanpak evidence-based moet zijn?
. Leg uit wat de therapeutische waarde van diagnostiek is.
. Leg uit wat het hoor-recht van kinderen inhoudt.
Boek Pameijer, H2 - De uitgangspunten
. Wanneer is classificatie (uitgebreide diagnostiek) nuttig? Noem 4 redenen.
. Om te bepalen wat je wil onderzoeken probeer je te focussen op ... to know en niet op ... to know.
. Er zijn 2 soorten doelen in HGD. Beschrijf ze.
. Noem de 4 systemen van Bronfenbrenner en beschrijf ze.
. In HGD spreken we van directe en indirecte factoren. Beschrijf ze.
. Beschrijf het model van de drie cirkels.
. Wat is het cascademodel? Hoe houdt dit verband met het verleden van het kind?
. Beschrijf het verschil tussen circulair en lineair denken. Wat behoeft de voorkeur in diagnostiek?
Welke redenering gebruik je hierbij?
. Wat is het verschil tussen risicofactoren en risicomechanismen?
. Wanneer hebben risico- en beschermende factoren meer invloed (noem 3 dingen)
. Noem 3 soorten behoeften die horen bij het kind.
. Beschrijf wat wordt bedoeld met ondersteuningsbehoeften van professionele opvoeders.
. Wat wordt bedoeld met Empowerment? Bij welk HGD-uitgangspunt hoort dit?
. Wat wordt er bedoeld met de uitspraak: "Essential for one, beneficial for all"?
. Noem 4 redenen waarom aandacht hebben voor positieve aspecten zo belangrijk is.
. Wat wordt beddoeld met "aanschuiven, niet doorschuiven?"
. Noem 4 dingen die kinderen zelf heel belangrijk vinden in een diagnostisch proces. Noem ook dingen
die specifiek belangrijk zijn voor kids met een migratie-achtergrond.
. Noem van alle samenwerkingspartners in het diagnostisch proces hun specifieke rol (kind, ouders,
leraren, professionele opvoeders, betrokkenen, professional)
, Oefenvragen.md 2025-10-21
. Wat wordt er bedoeld met de uitspraak: "go slow, go fast"?
. Beschrijf deze termen: overzicht, inzicht, uitzicht.
. Noem 3 belangrijke valkuilen in het diagnostisch proces
. Noem 5 vormen van tunnelvisie.
. Wat is reïficatie?
. Beschrijf de termen: feed-up, feedback, feedforward.
Boek Pameijer, H3 - Intakefase
. Welke 4 vragen stel je jezelf aan het begin van de intakefase?
. Wat zijn de 3 doelen va de intakefase?
. Welke rol neemt de professional voornamelijk aan in de intakefase? Welke komt op de tweede plek?
. Wat is Informed consent?
. Welke 7 stappen worden doorlopen in de intakefase?
. Noem een voorbeeld van directe- en indirecte betrokkenheid van het kind tijdens de intake. Welke
behoeft de voorkeur?
. Is het wenselijk om alle betrokkenen tegelijk te spreken bij de intake?
. Denk eens verder: je vraagt in de intake wat voor betrokkenen 'goed nieuws' of 'slecht nieuws' zou
inhouden. Hoe komt dit in de adviesfase terug, hoe bepaalt dit hoe je met de betrokkenen je
onderzoeksuitkomsten bespreekt?
. Wat wordt er bedoeld met "hertalen"?
. Wat is het verschil tussen de klachtanalyse en probleemanalyse?
. Wat wordt bedoeld met signaalgedrag?
. Wat wordt bedoeld met het ideografisch en nomothetisch perspectief?
. Wat hebben onderrapportage en overrapportage te maken met "cry for help"?
. Hoe kun je ermee omgaan als betrokkenen alleen extern attribueren?
. Welke vier aandachtspunten zijn er als je de attributies van betrokkenen verkent?
. Wanneer maak je een signalerings- of veiligheidsplan?
. Wat is het deurknopfenomeen en hoe kun je hierop voorsorteren?
Week 2
Zeidner et al. (2007)
. Noem 4 aspecten waar toetsangst een grote rol speelt in het leven van een individu
. Hoe heeft toetsangst invloed op wetenschappelijk onderzoek?
. Hoe beschrijven respectievelijk cognitieve inferentietheorieën, tekort-theorieën en de S-REF theorie
van emotionele stress het bestaan van testangst?
. Beschrijf het proces van toetsangst volgens de S-REF theorie van emotionele stress.
. Wat is de rol van vermijding in het proces van toetsangst?
. Hoe kan toetsangst worden gemeten?
. Wat is state anxiety? Wat is trait anxiety?
. Is zelfrapportage over toetsangst betrouwbaar?
. Noem een paar onderdelen die onder het construct angst vallen.
. Noem een cognitief en een affectief component van angst.
. Hoe hangen toetsangst en cognitieve prestaties samen?