Opdrachten behorend bij 1. Atomen, moleculen, atoommassa en
verbindingen.
1. Uit welke delen zijn atomen opgebouwd?
Atoom is opgebouwd uit:
- Protonen (positieve lading)
- Neutronen (geen lading)
- Elektronen (negatieve lading)
2. Is de kern van een atoom positief, negatief of neutraal
Positief, want de kern bestaat uit neutronen en protonen.
Elektronen zitten om de atoomkern heen.
3. Van een onbekend element is het massagetal van het atoom 275. De
kernlading is +114. Hoeveel neutronen zitten er in de kern van dit
element?
Massagetal: protonen + neutronen
Atoomnummer: aantal protonen
275 – 114 = 161
161 neutronen in de kern
4. Wat wordt bedoeld met het begrip covalentie?
Het aantal elektronenparen dat door een atoom gevormd kan worden.
De negatieve elektronen bevinden zich tussen de atomen en trekken de positieve
lading van andere atoomkernen aan.
5. Wat is de covalentie van koolstof? (hoeveel bindingen kan koolstof
hebben?)
(koolstof) C: 4 bindingen met een ander atoom
N: 3 bindingen met een ander atoom
O: 2 bindingen met een ander atoom
H: 1 binding met een ander atoom
, 6. Wat is een molecuulformule?
Formule (naam) waarin staat hoeveel van welke atomen er in een bepaald
molecuul zitten.
Bijvoorbeeld H2O
7. Wat is een structuurformule?
Formule om de ruimtelijke bouw en eigenschappen van een molecuul te kunnen
weergeven.
Isotopen / isomeren: hebben hetzelfde atoomnummer (behoren dus tot hetzelfde
element), maar hebben een verschillend aantal neutronen (ander massagetal).
Bindingen tussen atomen (door het vormen van een of meer elektronenparen):
- Apolaire atoombinding
- Polaire atoombinding
- Ionbinding
Bindingen tussen moleculen:
- Van der Waals binding
- Waterstofbruggen