Psychologie
Psychologie
Biopsychiosociaal model voor
psychische gezondheid
- Biologisch
- Psychisch
- Sociaal
Alles hangt samen
Lichaamsbeeld: Persoonlijke een
subjectief beeld van je eigen uiterlijk
Seksuele oriëntatie
Heeft betrekking op het geslacht van de personen op wie men verliefd
wordt, tot wie men zich seksueel aangetrokken voelt en/of een relatie of
seks mee heeft.
Neurologsiche veranderingen tijdens adolecentie
Frontaalkwabben: Betrokken bij sociale en emotionele gedragingen net
als bij rationeel denken en oordelen. Dit is ontwikkeld bij volwassenheid
(25+)
Bij jongeren wordt informatie verwekt vanuit de amygdala -> verstuurt
pulsen die de frontaalkwabben niet aankunnen waardoor (samen met
hormonen) emotionele reacties komen.
- Omgeving verkennen en experimenteren
- Helpt bij waarnemen en bedreigen
- Kans op overleving en succes groter
Synaptisch snoeiproces: Kortwieken van hersendelen die niet adequaat
gestimuleerd zijn in de puberteit. Tijdens dit proces wordt het brein van de
puber geleidelijk steeds minder goed in het leren van compleet nieuwe
dingen. Omdat de capaciteit voor de vorming van neurale verbindingen
afneemt.
Snoeien = afbreken van overbodige verbindingen.
, + Andere regio's van de hersenen ontwikkelen beter -> neuronen meer
myeline -> sneller functioneren
- Plasticiteit neemt af en problematische gedragspatronen of
eigenschappen die ontwikkeld zijn worden resistenter tegen
veranderingen
Uit de hand gelopen snoeiprocessen zorgen voor stoornissen zoals
schizofrenie.
Cognitie = is het denkvermogen. Dus het mentale proces van
informatieverwerking: leren, geheugen, perceptie, denken
Laatste fase van Piaget: de formeel-operationele fase
Het vermogen tot abstract en complex denken oftewel overdenken.
Jean Piaget
Sensomotorisch fase: baby
Preoperationele fase
Concreet-operationele fase
Formeel-operationele fase
- Begint in pubertijd
- Abstract denken wordt
ontwikkeld
- De laatste fase van Piaget
Informatieverwerkingstheorie: Geleidelijke veranderingen in
vermogens. Een mentale groei is een geleidelijk en permanent proces.
Piagets visie: Groei van vermogen van adolescenten en stadia-achtige
spurts
Piaget en kritiek
,Piaget dacht dat kinderen en jongeren in vaste stappen leren denken.
Maar andere onderzoekers zeggen dat denken en leren niet altijd in
stappen gaan, maar meer geleidelijk en afhankelijk van de situatie.
Informatieverwerkingstheorie
Deze theorie zegt dat het denken van kinderen en jongeren langzaam
maar constant beter wordt. Ze kunnen steeds meer informatie tegelijk
verwerken, beter onthouden en problemen oplossen. Ook leren ze beter
plannen en strategieën gebruiken.
• Cognitieve groei in de adolescentie
In de puberteit maken jongeren grote sprongen in hun denkvermogen.
Ze kunnen:
• meer dingen tegelijk doen en onthouden
• beter abstract denken (problemen bedenken die niet direct
zichtbaar zijn)
• meer hypothetisch denken (nadenken over ‘wat als…’
situaties)
Ze begrijpen de wereld steeds beter en kunnen hun eigen denken beter
volgen (metacognitie). Dus de kennis van je eigen denkproces, hoe heb
ik iets gedaan en waarom? Gebruik je bij je zelfreflectie.
Egocentrisme in de puberteit
Egocentrisme: toestand waarbij het eigen ik in het middelpunt staat en
waarin de wereld vanuit de eigen invalshoek wordt bekeken. Vaak andere
mensen schuld geven.
Imaginaire publiek: Jongeren denken vaak dat anderen net zoveel met
hen bezig zijn als zijzelf. Ze voelen zich bekeken of beoordeeld, ook al is
dat niet zo.
Ze hebben ook persoonlijke fabels: het idee dat hun ervaringen heel
uniek zijn of dat risico’s voor anderen gelden, maar niet voor henzelf
(bijvoorbeeld onveilig vrijen of gevaarlijk rijden).
, Morele ontwikkeling
Jongeren ontwikkelen ook hun gevoel van goed en fout. Ze denken na over
eerlijke en oneerlijke situaties en krijgen steeds meer inzicht in
ingewikkelde morele vragen. Lawrence Kohlberg heeft hier een bekende
theorie over.
Risicovol gedrag
- Hormonen beïnvloeden je stemming = stemmingswisseling
- Werken in op je beloningsgebied (drug gebruik, compliment)
- Controlecentrum dus impulsen handelen
Geslacht = lichamelijke/biologische kenmerken (chromosomen,
hormonen, geslachtsorganen).
Het is niet puur binair (man/vrouw), maar een continuüm met veel
variatie.
- In de puberteit ontwikkelen zich secundaire geslachtskenmerken
(stem, lengte, beharing, borstontwikkeling).
Geslachtsontwikkeling & intersekse
Bij de bevruchting wordt het geslacht genetisch bepaald (XX/XY), maar
ontwikkeling kan variëren.
Intersekse = verzamelterm voor mensen die niet in het standaardbeeld
van man of vrouw passen.
Kan zichtbaar (bij geboorte) of onzichtbaar (chromosomen/hormonen) zijn.
Vaak maatschappelijk onzichtbaar, soms zelfs medische operaties om in
het binaire model te passen.
Continuüm man-vrouw
Lichamelijke verschillen tussen mannen en vrouwen bestaan, maar
overlappen sterk (lengte, stemhoogte, borstontwikkeling).
Er is geen strikte tweedeling: biologische en sociale factoren zorgen voor
variatie.
Compartimenten model en continuüm model
Compartimenten model is man vrouw, in hokjes. Of homo of hetero, of
relegieus of niet.
Continuüm model is alle tinten grijs tussen bijvoorbeeld man en vrouw is
mogelijk.
Gender = sociale/culturele invulling van mannelijkheid en vrouwelijkheid.
Genderidentiteit = innerlijk gevoel (man, vrouw, beide of geen).
Genderexpressie = hoe iemand dit uit via uiterlijk, kleding, gedrag.
Gender hoeft niet overeen te komen met geboortegeslacht.