ITO 3 tentamen
Hoofdstuk 11
Consontant = Medeklinker.
Clitisch = woorden die niet zelfstandig klemtoon dragen, maar tegen andere
woorden ‘aanleunen’.
Iconiciteit = de mate waarin de vorm van een woord/gebaar verband houdt met de
betekenis van het woord.
Onamatopee = klanknabootsende woorden, zoals kukeleku
Open klassen = inhoudswoorden, in deze klassen kunnen nieuwe woorden bedacht
worden.
Gesloten klassen = grammaticale woorden/functiewoorden, kunnen niet nieuw
bedacht worden.
Lexicon = de verzameling woorden van een taal.
Lemma = het woord waarop een begrip kan worden opgezocht. Eén lemma kan
meerdere betekenissen hebben wanneer deze betekenissen aan elkaar gerelateerd
zijn. Eén woord kan echter meerdere lemmata geven als de betekenissen niet aan
elkaar gerelateerd zijn.
Lexicografie = het vak waarin men zich bezighoudt met het samenstellen van
woordenboeken van verschillende aard.
Polysemie = wanneer een woord beschikt over verschillende, met elkaar
samenhangede betekenissen. Bijvoorbeeld ‘milieu’.
Homonymie = wanneer een woord beschikt over verschillende betekenissen,
waarbij de vormovereekomst toevallig is en de betekenissen niet samenhangen.
Bijvoorbeeld ‘spel’.
Ambiguïteit = situaties waarin het niet duidelijk is welke betekenis bedoeld wordt,
meerduidigheid.
Semantische relatie = onderlinge samenhang binnen woordparen, kan zijn:
- Hyponomie = betekenisonderschikking, hiërarchische relaties tussen
woorden in het lexicon, bijvoorbeeld ‘wodka’ en ‘borrel’.
- Antonymie = betekenistegenstelling, in een bepaald opzicht tegengestelde
betekenis hebbend, bijvoorbeeld ‘zwart’ en ‘wit’.
- Synonymie = betekenisidentiteit, de betekenissen zijn precies hetzelfde,
bijvoorbeeld ‘jurk’ en ‘japon’. Kan geheel of gedeeltelijk.
Detonatie = wat je ermee kunt aanduiden.
, Connotatie = betreft zaken als gevoelswaarde, stilistische waarde en de sociale
betekenis van een woord.
Als woorden dezelfde detonatie hebben, kunnen ze wel een andere connotatie
hebben.
Parafrase = omschrijving in andere woorden.
Semantische kenmerken = geven waarde aan langs de dimensies van een woord
‘vrouw’ kan bijvoorbeeld opgedeeld worden in: mens, vrouwelijk, volwassen.
Swadesh lijst = lijst van concepten die helpen bij het bepalen van
afstammingsrelaties van woorden.
Hoofdstuk 12
Geleed = woorden die in kleinere delen zijn op te splitsen.
Ongeleed = woorden die geen verdere geledingen vertonen.
Morfemen = het kleinste betekenis dragende element van een woord.
Morfologie = de wetenschap die zich bezighoudt met de vorming van woorden.
Derivatie = een lexicaal element wordt verbonden met een niet-lexicaal element tot
een nieuw woord, zodoende wordt door middel van afleiding de woordenschat
uitgebreid. Bijvoorbeeld groen 🡪 groenig.
Samenstelling = wanneer een woord tot stand komt doordat twee lexicale
elementen of inhoudswoorden samengevoegd worden.
Flexie = de vorm van morfologie waarbij bestaande woorden worden ingepast in de
grammaticale structuur, dus verborgen om ‘te kloppen’ kan:
- Contextuele flexie = de vorm van woorden wordt alleen bepaald door
grammaticale context en de flexie draagt niet zelfstandig bij aan de betekenis
van de zin. ‘vette vis’.
- Inherente flexie = wanneer de flexie niet bepaald wordt door de grammatica,
maar bijvoorbeeld door wat de spreker probeert te zeggen.
Paradigma = het patroon van vormen die woorden door flexie van de stam kunnen
aannemen.
Affigering = een niet-lexicaal element, een affix, hecht zich aan de stam van een
woord. Kunnen zijn:
- Suffixen = komen achteraan het woord. Bijvoorbeeld: zenuwachtig.
- Prefixen = komen vooraan het woord. Bijvoorbeeld: gezeur.
- Infixen = komen in de stam van het woord. Is niet in NL.
Hoofdstuk 11
Consontant = Medeklinker.
Clitisch = woorden die niet zelfstandig klemtoon dragen, maar tegen andere
woorden ‘aanleunen’.
Iconiciteit = de mate waarin de vorm van een woord/gebaar verband houdt met de
betekenis van het woord.
Onamatopee = klanknabootsende woorden, zoals kukeleku
Open klassen = inhoudswoorden, in deze klassen kunnen nieuwe woorden bedacht
worden.
Gesloten klassen = grammaticale woorden/functiewoorden, kunnen niet nieuw
bedacht worden.
Lexicon = de verzameling woorden van een taal.
Lemma = het woord waarop een begrip kan worden opgezocht. Eén lemma kan
meerdere betekenissen hebben wanneer deze betekenissen aan elkaar gerelateerd
zijn. Eén woord kan echter meerdere lemmata geven als de betekenissen niet aan
elkaar gerelateerd zijn.
Lexicografie = het vak waarin men zich bezighoudt met het samenstellen van
woordenboeken van verschillende aard.
Polysemie = wanneer een woord beschikt over verschillende, met elkaar
samenhangede betekenissen. Bijvoorbeeld ‘milieu’.
Homonymie = wanneer een woord beschikt over verschillende betekenissen,
waarbij de vormovereekomst toevallig is en de betekenissen niet samenhangen.
Bijvoorbeeld ‘spel’.
Ambiguïteit = situaties waarin het niet duidelijk is welke betekenis bedoeld wordt,
meerduidigheid.
Semantische relatie = onderlinge samenhang binnen woordparen, kan zijn:
- Hyponomie = betekenisonderschikking, hiërarchische relaties tussen
woorden in het lexicon, bijvoorbeeld ‘wodka’ en ‘borrel’.
- Antonymie = betekenistegenstelling, in een bepaald opzicht tegengestelde
betekenis hebbend, bijvoorbeeld ‘zwart’ en ‘wit’.
- Synonymie = betekenisidentiteit, de betekenissen zijn precies hetzelfde,
bijvoorbeeld ‘jurk’ en ‘japon’. Kan geheel of gedeeltelijk.
Detonatie = wat je ermee kunt aanduiden.
, Connotatie = betreft zaken als gevoelswaarde, stilistische waarde en de sociale
betekenis van een woord.
Als woorden dezelfde detonatie hebben, kunnen ze wel een andere connotatie
hebben.
Parafrase = omschrijving in andere woorden.
Semantische kenmerken = geven waarde aan langs de dimensies van een woord
‘vrouw’ kan bijvoorbeeld opgedeeld worden in: mens, vrouwelijk, volwassen.
Swadesh lijst = lijst van concepten die helpen bij het bepalen van
afstammingsrelaties van woorden.
Hoofdstuk 12
Geleed = woorden die in kleinere delen zijn op te splitsen.
Ongeleed = woorden die geen verdere geledingen vertonen.
Morfemen = het kleinste betekenis dragende element van een woord.
Morfologie = de wetenschap die zich bezighoudt met de vorming van woorden.
Derivatie = een lexicaal element wordt verbonden met een niet-lexicaal element tot
een nieuw woord, zodoende wordt door middel van afleiding de woordenschat
uitgebreid. Bijvoorbeeld groen 🡪 groenig.
Samenstelling = wanneer een woord tot stand komt doordat twee lexicale
elementen of inhoudswoorden samengevoegd worden.
Flexie = de vorm van morfologie waarbij bestaande woorden worden ingepast in de
grammaticale structuur, dus verborgen om ‘te kloppen’ kan:
- Contextuele flexie = de vorm van woorden wordt alleen bepaald door
grammaticale context en de flexie draagt niet zelfstandig bij aan de betekenis
van de zin. ‘vette vis’.
- Inherente flexie = wanneer de flexie niet bepaald wordt door de grammatica,
maar bijvoorbeeld door wat de spreker probeert te zeggen.
Paradigma = het patroon van vormen die woorden door flexie van de stam kunnen
aannemen.
Affigering = een niet-lexicaal element, een affix, hecht zich aan de stam van een
woord. Kunnen zijn:
- Suffixen = komen achteraan het woord. Bijvoorbeeld: zenuwachtig.
- Prefixen = komen vooraan het woord. Bijvoorbeeld: gezeur.
- Infixen = komen in de stam van het woord. Is niet in NL.