Economie vwo
LET OP: de stof die niet van toepassing was op het centraal examen, is niet
samengevat! Deze kunnen dus wel op SE-tentamens van toepassing zijn, maar
staan hier dus niet in! Katern 1 was geen CE-stof, dus ook niet samengevat.
Katern 2 – Markt: Vraag en Aanbod
Hoofdstuk 1: Markt en vraag
§1.1 De vraag in de markt
Markt: geheel van vraag naar en aanbod van bepaald product.
o Concrete markt: markt met zichtbare en vaste ontmoetingsplaats (vb
rommelmarkt, wekelijkse markt)
o Abstracte markt: geen concrete ontmoetingsplaats waar
vragers/aanbieders elkaar ontmoeten (huizenmarkt, arbeidsmarkt)
o Door internet verschil lastiger: bijv marktplaats kenmerk concrete markt,
maar vragers/aanbieders ontmoeten elkaar niet fysiek /op zelfde moment.
Vraag: hoeveelheid producten die klanten willen kopen
Aanbod: hoeveelheid producten die verkopers willen verkopen.
Betalingsbereidheid: maximale bedrag dat koper wil betalen voor een product
verschilt per koper, dus belangrijk te weten voor verkoper!
Afzet: aantal verkochte producten
Omzet: totale opbrengst van de verkopen afzet x verkoopprijs
Individuele vraaglijn (=individuele vraagcurve: geeft verband aan tussen prijs en
gevraagde hoeveelheid van product van individuele koper je laat
betalingsbereidheid van consument zien voor product bij verschillende prijzen.
o Van linksboven naar rechtsonder: hoe goedkoper het product, hoe meer ze
ervan kopen
Collectieve vraaglijn (=collectieve vraagcurve): geeft verband aan tussen prijs
en gevraagde hoeveelheid van een product van de gezamenlijke kopers.
o In formule vergelijking = vraagfunctie
o Qv – ap + b
Qv =gevraagde hoeveelheid, p=prijs, a is kleiner dan 0. (a =
richtingscoëfficiënt)
In grafiek tekenen: verticale as = prijs, horizontale as = hoeveelheid
Tabel met twee punten: invullen in vergelijking, dan lijn trekken
§1.2 - De vraag verandert
Vraagfactoren: factoren die de vraag bepalen:
, o Inkomen van consumenten (hoger inkomen betalingsbereidheid neemt
toe)
o Prijs van substitutiegoederen en complementaire goederen
o Voorkeuren van consumenten
o Aantal consumenten
Verschuiving op/langs de vraaglijn:
o Door verandering van de prijs prijs stijgt, hoeveelheid neemt af of prijs
daalt, hoeveelheid neemt toe
Verschuiving VAN de vraaglijn:
o Door verandering van een andere factor (behalve prijs) (bijv. inkomen of
voorkeur verandert) veel reclame voor iPhone, dus vraag naar iPhone
neemt toe, vraaglijn schuif naar rechts OF inkomen neemt af, dus vraag
naar iPhone neemt af, vraaglijn schuift naar links.
§1.3 - De invloed van de prijs op de vraag
Letten op prijselasticiteit van de hoeveelheid: in welke mate zorgt prijsverandering
(naar beneden of omhoog) voor verandering in gevraagde hoeveelheid?
Prijselasticiteit van de vraag:
o Formule: verandering gevraagde hoeveelheid (%) / verandering prijs (%)
o Prijselasticiteit van de vraag vaak negatief, want: verhoging prijs = afname
hoeveelheid
Hoe sterk reageert de vraag op een prijsverandering?
o Inelastische vraag: elasticiteit tussen -1 en 0 (hoeveelheid reageert zwak
op prijsverandering)
Vraaglijn is STEIL: prijsverandering weinig invloed op hoeveelheid
o Elastische vraag: elasticiteit kleiner dan -1 (hoeveelheid reageert sterk op
prijsverandering)
Vraaglijn VLAK: prijsverandering veel invloed
o Volkomen inelastische vraag: elasticiteit = 0 (hoeveelheid reageert niet
op prijsverandering)
Wel of niet sterk reageren op verandering van prijs is afhankelijk van:
o Bestaan van substituten: is er vervanging? Dan stappen ze over.
o Soort goed: noodzakelijk je stapt niet over; luxe goed dan koop je
het niet
o Termijn die je in beschouwing neemt: op lange termijn bedenk je
alternatief (benzine duur, dus koop je e-bike)
Hoe sterk reageert omzet op prijsverandering?
o Prijselasticiteit van de omzet: mate waarin relatieve prijsverandering zorgt
voor relatieve verandering van de omzet
o Elastische vraag prijs stijgt, omzet daalt EN prijs daalt, omzet stijgt
o Inelastische vraag prijs stijgt, omzet stijgt EN prijs daalt, omzet daalt
o Volkomen inelastische vraag prijs stijgt, omzet stijgt EN prijs daalt,
omzet daalt (prijs stijgt of daalt, maar vraag blijft gelijk)
Hoe sterk reageert de vraag naar andere goederen op prijsverandering?
o Kruislingse prijselasticiteit van de vraag
, Formule: verandering gevraagde hoeveelheid goed A (%) /
verandering prijs goed B (%)
Substituten (kunnen vervangen): kruislingse prijselasticiteit vaak
positief.
Complementaire goederen (vullen elkaar aan): kruislingse
prijselasticiteit vaak negatief.
§1.4 - De invloed van inkomen op de vraag
Meer inkomen je kunt meer kopen! Dus inkomen invloed op gevraagde
hoeveelheid.
Inkomenselasticiteit: verandering gevraagde hoeveelheid (%) / verandering
inkomen (%)
o Noodzakelijke goederen: positief verband tussen vraag/inkomen vraag
reageert zwak op inkomensverandering Elasticiteit tussen 0 en 1
o Luxe goederen: positief verband tussen vraag/inkomen vraag reageert
sterk op inkomensverandering elasticiteit is groter dan 1
o Inferieure goederen: vraag stijgt als inkomen daalt, maar daalt als
inkomen stijgt. elasticiteit is kleiner dan 0
Meestal: inkomensstijging betekent stijging van vraag! Inkomenselasticiteit
positief vraaglijn verschuift dan naar RECHTS.
Inferieure goederen: negatieve inkomenselasticiteit stijging inkomen = daling
vraag want consument kiest dan liever een luxer alternatief vraaglijn naar
LINKS.
Hoofdstuk 2: markt en aanbod
§2.1 - Het aanbod in de markt
Verkoopbereidheid: prijs waartegen producent producten wil aanbieden ligt
hoog als verkoopprijs product hoog is (want veel winst op te behalen)
Kosten verdeeld in:
o Constante kosten: kosten die niet veranderen als je meer of minder
produceert huur, verzekeringen, afschrijving, loon van de leiding
o Variabele kosten: kosten die veranderen als je meer of minder produceert
kosten grond/hulpstoffen, transport, uitzendkrachten (let op:
grondstoffen zie je in product terug, hulpstoffen niet)
Rekenen en tekenen met totale kosten:
o Totale kosten: totale variabele + totale constante kosten
TK = TVK + TCK TK = aq + b (q=hoeveelheid, a=variabele kosten, b =
constante kosten)
o Proportioneel variabele kosten: variabele kosten die gelijk blijven per
eenheid als productieomvang toeneemt (dus per product stijgen variabele
kosten met 100 euro: 1 product erbij, is 100 euro extra kosten, 2 producten
erbij is 100x2 = 200 euro, etc.)
Kosten per stuk:
o Weten wat elk product kost: