Gravesteijn & Monica Aartsma.
Hoofdstukken: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 13, 14 en 15.
Inhoudsopgave
Week 1 - H1 en 5....................................................................................................................................2
Week 2 - H2............................................................................................................................................6
Week 3- H7 en 8.....................................................................................................................................8
Week 4 - H6 en 9..................................................................................................................................12
Week 5 - H15........................................................................................................................................19
Week 6 - H13 en 14..............................................................................................................................21
Week 7 - H3 en 4..................................................................................................................................24
1
,Week 1 - H1 en 5
Lesdoelen:
● Dat ouderschap niet hetzelfde is als opvoederschap
● Dat opvattingen over ouders, kinderen en opvoeden altijd nauw samnhangen met
de tijd en de cultuur waarin ze ontstaan.
● Dat het leren kennen van de geschiedenis helpt om opvattingen over ouders,
kinderen en opvoeden goed te doorzien en ze vervolgens te relativeren,
bekritiseren of juist te verstevigen of onderbouwen.
H1
Op 1 januari 2015 traden drie nieuwe wetten in werking: de nieuwe Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Participatiewet en de Jeugdwet. Deze zijn
allemaal gericht op meer (samen)redzaamheid.
De rol van de sociaal werker hierin is om als kritische vriend op te treden en te streven
naar het versterken van de eigenkracht en potenties van de cliënt. Hij zoekt balans
tussen steunen, bevestigen en problemen aan de kaak durven stellen, de cliënt
stimuleren. De relatie tussen de sociaal werker en de cliënt is het fundament.
Er wordt groot belang gehecht aan de steun die de cliënt krijgt vanuit zijn sociale
omgeving. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat steun van belangrijke volwassenen
in de omgeving in belangrijke mate bijdraagt aan een voorspoedige ontwikkeling van
jeugdige.
De sociaal werker moet bewust leren omgaan met de kwetsbare posities van ouders.
Ouderschap is meer dan alleen opvoeden. Er wordt van de sociaal werker gevraagd dat
hij mildheid, erkenning en vertrouwen uitstraalt. Solidariteit is het sleutelbegrip als het
gaat om het steunen en faciliteren van ouderschap.
Het is belangrijk om al sociaal werker kennis te hebben over ouderschap. Het helpt
bijvoorbeeld om te weten dat veel ouders zichzelf de schuld geven als het niet goed gaat
in de opvoeding; schaamte, machteloosheid en falen, kunnen leiden tot isolement.
Als sociaal werker ga je de ouders hulp bieden bij de opvoeding. Hiervoor zijn
verschillende interventies.
Kennis van de geschiedenis van het opvoeden maakt het gemakkelijker om de eigen
ideeën over dit onderwerp te relativeren, bekritiseren of juist te verstevigen of
onderbouwen. De zeer uiteenlopende opvoedingsadviezen die in de afgelopen vier
eeuwen werden gegeven, werden immers allemaal gegeven door de wens ‘het juiste’ te
doen.
H5
Opvattingen over ouders, kinderen en opvoeden hangen altijd nauw samen met de tijd
en de cultuur waarin ze ontstaan. Die tijd en cultuur ‘vragen’ om een bepaald soort
mensen en daarmee om een bepaald soort opvoeding.
Inzicht in de geschiedenis van het denken over maatschappelijk opvoeden maakt het
mogelijk de ideeën van onze eigen tijd met enige afstand te bezien en te vergelijken met
opvattingen uit andere tijden en om een eigen visie op de opvattingen van tegenwoordig
te ontwikkelen.
2
, Vanaf de middeleeuwen zijn er aanwijzingen voor genegenheid tussen kinderen en
ouders en dat ouders het grootbrengen van hun kinderen serieus namen. Dit is misschien
wel van alle tijden, maar ze worden niet in iedere tijd op dezelfde manier tot uiting
gebracht.
De enorme hoeveelheid opvoedingsboeken die de laatste 150 jaar verschenen, is
behulpzaam bij het leren kennen van de opvoedingsnormen, - waarde en -idealen. Hoe
het echte leven ook was, ouders stonden onder invloed van heersende
opvoedingsopvattingen. Niemand kan zich onttrekken aan de normen en waarden van
zijn tijd en cultuur. Het is daarom nuttig om te overdenken wat de normen, waarden en
idealen van opvoeding die in opvoedingsadvies naar voren komen voor ouders betekend
kunnen hebben.
17e eeuw, gouden eeuw
In de 17e eeuw moesten kinderen opgevoed worden tot deugdzame en vrome burgers.
De Republiek der Verenigde Nederlanden had goed opgeleide en betrouwbare mensen
nodig voor haar bloeiende economie. Eerlijkheid, bescheidenheid en hulpvaardigheid
waren belangrijke deugden die kinderen moesten aanleren. Vrijwel de gehele burgerij
was protestants of katholiek. Vanuit geloofsovertuigingen was het doel vroom
(uitstekend, uitmunt in verplichtingen jegens god) te leven. Vaders en moeders moesten
het goede voorbeeld geven. Vaders droegen het gezag en waren eindverantwoordelijk,
moeders waren verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg voor de kinderen.
Een rede dat ze kinderen verwend vonden in die tijd, kan zijn dat kinderen begrip en
waardering kregen van hun ouders; er werd naar ze geluisterd. Dit gold vooral voor de
rijke kinderen. Arme kinderen gingen korter naar school en moesten al op jonge leeftijd
werken. Zij werden dan mede opgevoed door hun werkgevers. Wezen zaten ook vaak
lang op school. De jongens leerde vanaf hun 12e een vak en meisjes leerde om
huisvrouw te worden.
Eind 18e eeuw
Aan het einde van de 18e eeuw was de bloeiende economie verval geraakt en heerste
politieke onrust. Ouders werden daarom nog meer aangespoord hun kinderen tot
arbeidzame burgers op te voeden. Men schreef de crisis mede toe aan het verval van de
normen en waarden en hoopte door het verspreiden van kennis de oude deugden in ere
te herstellen. Vroomheid stond niet langer voorop. In dit verlichtingsdenken stond
vooruitgang centraal; meer kennis door wetenschap, meer deugd en beschaving door
dingen te bekijken vanuit vastliggende overtuigingen.
Volksopvoeding was een leidend ideaal rond 1800. Het volk zou net als een kind kunnen
worden onderwezen en opgevoed, want niet alleen kinderen, maar ook armen moesten
goede burgers worden.
Schrijvers van de opvoedadviezen beginnen meer nadruk te leggen op de plaats van
moeders in de opvoeding. Verlichte denkers zetten die al lang bestaande rolverdeling in
het perspectief van het romantisch denken. Het liefdevolle en huiselijke karakter dat
vrouwen van nature zouden hebben, maakte hen geschikt om binnenshuis voor de
kinderen te zorgen. De vader vond men geschikter voor de grote maatschappij. Vrouwen
moesten tegen hun zachtheid wel grenzen stellen naar de kinderen. Rijke moeders
konden zich richten op het opvoeden. Voor de meeste andere moeders was dit niet
haalbaar, zij moesten werken om hun gezin te onderhouden.
3