pedagogische verkenning 2025
Inhoudsopgave
Hoorcollege 1 - Paradigmata, theorieën en risicofactoren................................2
Leertheoretisch paradigma......................................................................................... 2
Cognitief paradigma.................................................................................................... 3
Ontwikkelingspsychopathologie (OPP).........................................................................3
Risico, bescherming en veerkracht..............................................................................3
Hoorcollege 2 - Probleemgedrag: Ernsttaxatie en sekseverschillen in
probleemgedrag en opvoeding.......................................................................4
Sekseverschillen in psychopathologie.........................................................................5
Oorzaken van sekseverschillen...................................................................................5
Rol van broers en zussen............................................................................................ 5
Het kind zelf................................................................................................................ 6
Hoorcollege 3 - Internaliseren: Angst en Depressie..........................................7
Hoorcollege 4 - Externaliseren: Agressieve en regelovertredende
gedragsproblemen.......................................................................................10
Hoorcollege 5 – Kinderen en scheiding..........................................................13
Ecologisch model van Bronfenbrenner (1979, zie ook Aleva, 2015)..........................13
Toepassing op scheiding (Rejaän et al., 2021)..........................................................13
Sense of belonging (Project Waar hoor ik thuis?)......................................................13
Coparenting (Rejaän et al., 2022)..............................................................................14
Opvoedstijlen (Baumrind 1966; Maccoby & Martin 1983)..........................................14
Bepalende factoren voor opvoeding (Van der Horst et al., 2020)..............................14
Divorce-Stress-Adjustment Perspective (Amato, 2010).............................................14
Gevolgen voor kinderen (Amato, 2010; Kroese et al., 2021).....................................15
Scheidingsleed (Laumann-Billings & Emery, 2000)...................................................15
Belangrijke factoren na scheiding – Omgevingsfactoren...........................................16
Moderatie vs. Mediatie (Weaver & Schofield, 2019)..................................................16
Kernsamenvatting..................................................................................................... 16
Hoorcollege 6 – Jeugd en media.....................................................................17
Twee perspectieven.................................................................................................. 17
Waarom media aantrekkelijk zijn..............................................................................17
Ontwikkelingsfasen en mediavoorkeur......................................................................17
Educatieve media...................................................................................................... 18
Sociale media en sociale relaties...............................................................................18
Hoorcollege 7 - Multi-probleemgezinnen; Ouders met psychische problemen. .20
Hoorcollege 8 - Kindermishandeling..............................................................23
,Hoorcollege 1 - Paradigmata, theorieën en risicofactoren
Paradigma = een geheel van waarden, overtuigingen en methoden dat bepaalt hoe
wetenschappers naar de werkelijkheid kijken (Kuhn, 1970).
Leertheoretisch paradigma
Klassieke conditionering (Pavlov) = leren door associatie. Een neutrale prikkel wordt
gekoppeld aan een betekenisvolle prikkel tot er een automatische reactie ontstaat.
Belangrijke begrippen:
Extinctie = uitdoving van het geleerde gedrag.
Stimulusgeneralisatie = reactie op vergelijkbare prikkels.
Stimulusdiscriminatie = onderscheid kunnen maken tussen prikkels.
Voorbeeld = Watsons “Little Albert”, waarin angst werd aangeleerd.
Operante conditionering (Skinner) = leren door de gevolgen van gedrag.
Positieve bekrachtiging = belonen → gedrag neemt toe.
Negatieve bekrachtiging = iets vervelends wegnemen → gedrag neemt toe.
Positieve straf = iets vervelends toevoegen → gedrag neemt af.
Negatieve straf = iets prettigs wegnemen → gedrag neemt af.
Belangrijk: directe consequenties en ‘shaping’ (stapsgewijs aanleren).
Sociaal-cognitieve leertheorie (Bandura) = leren door observatie en imitatie (modeling).
Mensen leren niet alleen door eigen ervaring, maar ook door het bekijken van anderen.
Vicarious reinforcement = meebeleven van beloning of straf van een ander.
Bekend voorbeeld = Bobo doll-experiment waarin kinderen agressief gedrag nadoen.
, Cognitief paradigma
Sociaal Informatieverwerkingsmodel (Crick & Dodge, 1994) = gedrag ontstaat door de
manier waarop iemand sociale situaties waarneemt en interpreteert.
Belangrijke stappen:
1. Aandacht = focus op bedreigende signalen (attentional bias).
2. Interpretatie = anderen vijandige bedoelingen toeschrijven (hostile attribution bias).
3. Emotieregulatie = sterke boosheid en behoefte aan wraak.
4. Responsgeneratie = beperkte en vaak agressieve reacties.
5. Evaluatie = overschatting van eigen kunnen en goedkeuring van agressie.
Ontwikkelingspsychopathologie (OPP)
Macroparadigma = kijkt naar het samenspel tussen kind en omgeving.
Systeemprincipe = afwijkende ontwikkeling is het gevolg van interacties tussen:
Tijdsdimensie = ontwikkelingsfase, levensgebeurtenissen
Organisch niveau = hersenen, biologie, genetica
Intrapersoonlijk niveau = temperament, zelfbeeld, cognities
Interpersoonlijk niveau = ouders, leeftijdsgenoten, leraren
Sociocultureel niveau = buurt, maatschappij, cultuur
Modellen van ontwikkeling =
Trek- of statusmodel = nadruk op kindfactoren
Contextueel model = nadruk op omgevingsfactoren
Interactiemodel = kind en omgeving beïnvloeden elkaar
Transactioneel model = kind en omgeving veranderen door die wederzijdse invloed
Voorbeeld: een ouder die toegeeft aan een kind met driftbuien → beide
gedragspatronen worden versterkt.
Risico, bescherming en veerkracht
Risicofactor = omstandigheid die de kans op negatieve ontwikkeling vergroot.
Beschermende factor = vermindert het effect van risico’s (buffer).
Bevorderlijke (promotieve) factor = stimuleert positieve ontwikkeling, ook zonder risico.
Veerkracht = vermogen om goed te functioneren ondanks tegenslag; dit is dynamisch en
contextafhankelijk.
Belangrijke principes =
Hoe meer risicofactoren, hoe groter de kans op problemen (cumulatie).
Risico’s clusteren vaak en versterken elkaar.
De intensiteit, duur en timing van risico’s zijn van invloed.
Voorbeelden =