Wat is onderzoek? H1 (1.1 t/m 1.3) & H14
Hoofdstuk 1: Waarom doe je onderzoek?
1.1 Uitgangspunten van onderzoek
Praktische aandachtspunten
1; onderzoeksplan; formuleren van een probleemstelling
2; kijken welke onderzoeken + conclusies er al zijn
3; deadline bepalen
4; budget nodig + beschikbaar
- Overleg met je begeleider, opdrachtgever, medeonderzoekers
Markers
Diepgaande uitgangspunten:
Basisprincipes (normen) van onderzoek -> methodologie
Onderzoek op verschillende manieren omschrijven; markers van het
onderzoek
Onderscheid tussen fundamenteel en praktijkgericht
Onderscheid tussen kwalitatief en kwantitatief
Onderscheid tussen inductie of deductie
Basisregel van onderzoek: begrijp het doel en de functie van het onderzoek
Fundamenteel of praktijkgericht onderzoek
Universiteit: fundamenteel onderzoek -> beantwoord vragen om kennis te
ontwikkelen; kennisvragen
Kennisvraag = een vraag die je met behulp van fundamenteel onderzoek
beantwoordt en die in het onderzoek kennis oplevert.
(Intern gericht, belangrijk voor de wetenschap)
Hogeschool/hbo: praktijkgericht onderzoek -> oplossen van praktijkproblemen;
praktijkvragen
Praktijkvraag = afkomstig uit de dagelijkse praktijk, uit de samenleving. Het antwoord
levert handvatten op waarmee je praktijkproblemen kunt oplossen.
(Extern gericht, belangrijk voor de maatschappij)
Belangrijkste verschil: soort probleem dat je ermee oplost
Soms antwoord op een kennisvraag een goede oplossing van een praktijkprobleem
Fundamenteel onderzoek ook praktijkgericht
Kwalitatief of kwantitatief
Kwantitatieve methoden = onderzoek met behulp van cijfermatige gegevens.
Nadruk: het objectief meten van kenmerken en een geldige, algemene conclusie
trekken. ‘Meten is weten’
Cijfermatige (numerieke) informatie
o Gegevens (kenmerken) in cijfers over objecten, organisaties en
personen.
Als onderzoeker ken je aan deze gegevens een getal toe:
Leeftijd in jaren, waardering van ‘1’ t/m ‘5’, geslacht ‘1’ (man) ‘2’ (vrouw)
o Objectieve meting
Instrument: Statische technieken
, Kwalitatieve methoden = onderzoek met behulp van niet-cijfermatige gegevens.
Nadruk: context van de onderzochte
Onderzoek in het veld, in de werkelijkheid
Geïnteresseerd in de betekenis die de onderzochte personen
(onderzoekseenheden) zelf aan situaties geven.
Verzamelen van gegevens open en flexibel; onderzoeker kan inspringen op
onverwachte situaties.
Gegevens verwerkt in alledaagse taal i.p.v. cijfers
Instrument: taal
Holisme = onderzoeker onderzoekt de onderzoekseenheden in de omgeving als
geheel
- Je beschouwt een ervaring als onderdeel van de hele belevingswereld van
personen, niet als een opzichzelfstaand feit.
Interpretatief van aard
Kwalitatief en kwantitatief onderzoek niet elkaars tegenpool; vullen elkaar goed aan.
Probleemstelling vanuit meerdere perspectieven
Problemen aanpakken met meerdere onderzoeksmethoden
1. Noem je: triangulatie (letterlijk: ‘driehoeksmeting’)
Gebruikt om: kwaliteit van onderzoek (betrouwbaarheid) te verhogen
Mixed Method-benadering = onderzoek waarbij kwalitatieve en kwantitatieve
methoden worden ingezet
1.1.4 Inductief of deductief
Inductief: van tevoren geen theorie bekend = theorie-ontwikkelend onderzoek.
Doel v/d onderzoeker: gaandeweg deze theorie te ontwikkelen
Formeel gezegd: onderzoeker op zoek naar ‘empirische regelmatigheden’.
Aan de hand van observaties uitspraken doen
Vaak kwalitatief onderzoek
Theorievormend: van het ‘bijzondere’ (verzamelde gegevens) naar het
‘algemene’ (te vormen theorie)
Leidend principe: iteratie (herhaling) -> hogere kwaliteit van resultaten
Onderzoeker gaat als volgt te werk:
1 Verzamelt en analyseert de gegevens en trekt de eerste conclusies
2 Er komt vast te staan welk type aanvullende informatie nodig is
3 Verzamelt en analyseert nieuwe gegevens
Onderzoeker koppelt de resultaten telkens aan eerder verkregen resultaten
Gevolg: ontstaan theorie
Deductief: onderzoeker formuleert verwachtingen aan de hand van (bestaande)
theorieën en modellen. = theorietoetsend onderzoek.
Toetst of jouw model (theorie) geldig is (waar is) voor de door jou verzamelde
gegevens.
Vaak kwantitatief onderzoek
Theorietoetsend: Van ‘algemeen’ (de theorie) naar ‘bijzonder (de gegevens)
Inductief en deductief vullen elkaar aan: je ontwikkelt een theorie op een inductieve
manier. Daarna ga je met behulp van deductie na of de theorie waar is.
Hoofdstuk 1: Waarom doe je onderzoek?
1.1 Uitgangspunten van onderzoek
Praktische aandachtspunten
1; onderzoeksplan; formuleren van een probleemstelling
2; kijken welke onderzoeken + conclusies er al zijn
3; deadline bepalen
4; budget nodig + beschikbaar
- Overleg met je begeleider, opdrachtgever, medeonderzoekers
Markers
Diepgaande uitgangspunten:
Basisprincipes (normen) van onderzoek -> methodologie
Onderzoek op verschillende manieren omschrijven; markers van het
onderzoek
Onderscheid tussen fundamenteel en praktijkgericht
Onderscheid tussen kwalitatief en kwantitatief
Onderscheid tussen inductie of deductie
Basisregel van onderzoek: begrijp het doel en de functie van het onderzoek
Fundamenteel of praktijkgericht onderzoek
Universiteit: fundamenteel onderzoek -> beantwoord vragen om kennis te
ontwikkelen; kennisvragen
Kennisvraag = een vraag die je met behulp van fundamenteel onderzoek
beantwoordt en die in het onderzoek kennis oplevert.
(Intern gericht, belangrijk voor de wetenschap)
Hogeschool/hbo: praktijkgericht onderzoek -> oplossen van praktijkproblemen;
praktijkvragen
Praktijkvraag = afkomstig uit de dagelijkse praktijk, uit de samenleving. Het antwoord
levert handvatten op waarmee je praktijkproblemen kunt oplossen.
(Extern gericht, belangrijk voor de maatschappij)
Belangrijkste verschil: soort probleem dat je ermee oplost
Soms antwoord op een kennisvraag een goede oplossing van een praktijkprobleem
Fundamenteel onderzoek ook praktijkgericht
Kwalitatief of kwantitatief
Kwantitatieve methoden = onderzoek met behulp van cijfermatige gegevens.
Nadruk: het objectief meten van kenmerken en een geldige, algemene conclusie
trekken. ‘Meten is weten’
Cijfermatige (numerieke) informatie
o Gegevens (kenmerken) in cijfers over objecten, organisaties en
personen.
Als onderzoeker ken je aan deze gegevens een getal toe:
Leeftijd in jaren, waardering van ‘1’ t/m ‘5’, geslacht ‘1’ (man) ‘2’ (vrouw)
o Objectieve meting
Instrument: Statische technieken
, Kwalitatieve methoden = onderzoek met behulp van niet-cijfermatige gegevens.
Nadruk: context van de onderzochte
Onderzoek in het veld, in de werkelijkheid
Geïnteresseerd in de betekenis die de onderzochte personen
(onderzoekseenheden) zelf aan situaties geven.
Verzamelen van gegevens open en flexibel; onderzoeker kan inspringen op
onverwachte situaties.
Gegevens verwerkt in alledaagse taal i.p.v. cijfers
Instrument: taal
Holisme = onderzoeker onderzoekt de onderzoekseenheden in de omgeving als
geheel
- Je beschouwt een ervaring als onderdeel van de hele belevingswereld van
personen, niet als een opzichzelfstaand feit.
Interpretatief van aard
Kwalitatief en kwantitatief onderzoek niet elkaars tegenpool; vullen elkaar goed aan.
Probleemstelling vanuit meerdere perspectieven
Problemen aanpakken met meerdere onderzoeksmethoden
1. Noem je: triangulatie (letterlijk: ‘driehoeksmeting’)
Gebruikt om: kwaliteit van onderzoek (betrouwbaarheid) te verhogen
Mixed Method-benadering = onderzoek waarbij kwalitatieve en kwantitatieve
methoden worden ingezet
1.1.4 Inductief of deductief
Inductief: van tevoren geen theorie bekend = theorie-ontwikkelend onderzoek.
Doel v/d onderzoeker: gaandeweg deze theorie te ontwikkelen
Formeel gezegd: onderzoeker op zoek naar ‘empirische regelmatigheden’.
Aan de hand van observaties uitspraken doen
Vaak kwalitatief onderzoek
Theorievormend: van het ‘bijzondere’ (verzamelde gegevens) naar het
‘algemene’ (te vormen theorie)
Leidend principe: iteratie (herhaling) -> hogere kwaliteit van resultaten
Onderzoeker gaat als volgt te werk:
1 Verzamelt en analyseert de gegevens en trekt de eerste conclusies
2 Er komt vast te staan welk type aanvullende informatie nodig is
3 Verzamelt en analyseert nieuwe gegevens
Onderzoeker koppelt de resultaten telkens aan eerder verkregen resultaten
Gevolg: ontstaan theorie
Deductief: onderzoeker formuleert verwachtingen aan de hand van (bestaande)
theorieën en modellen. = theorietoetsend onderzoek.
Toetst of jouw model (theorie) geldig is (waar is) voor de door jou verzamelde
gegevens.
Vaak kwantitatief onderzoek
Theorietoetsend: Van ‘algemeen’ (de theorie) naar ‘bijzonder (de gegevens)
Inductief en deductief vullen elkaar aan: je ontwikkelt een theorie op een inductieve
manier. Daarna ga je met behulp van deductie na of de theorie waar is.