Bewijs, rechtspsychologie en likelihood ratio’s
Inleiding
Schiedammer Parkmoord (2000)
- Nienke vermoord, Maikel overleeft het incident
- Kees Borsboom is als eerste ter plaatse en belt het alarmnummer. Later is hij onterecht
veroordeeld o.b.v. valse bekentenissen, getuigenverklaringen. De rechtbank doet een
reconstructie van de tijdlijn en die toont aan dat hij niet of nauwelijks op tijd kan zijn
geweest om het delict te plegen
Maikel herkende Kees niet en het signalement wat Maikel gaf sluit niet aan op Kees
Er is geen technisch bewijs gevonden (geen DNA van Kees veiliggesteld op plaats
delict)
- Rechtbank zegt: bewijs van tijdlijn wordt weerlegd, het signalement van Maikel zou
niet kloppen en wijst Kees Borsboom aan als schuldige in de moord op Nienke en
mishandeling van Maikel. > hij bleek slachtoffer van rechtelijke dwaling
- Nieuwe serieuze verdachte Wik H
Gevolgen van deze rechtelijke dwaling
1. OM zelfevaluatie die resulteerde in rapport van Posthumus (2005) en commissie die
later overging in de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) welke nu
Advies Commissie Afgesloten Strafzaken (ACAS) heet
Mogelijkheid tot herziening na een onherroepelijke uitspraak van de Hoge Raad
2. Striktere regulering inzet deskundigen > Nederlands Register Gerechtelijk
Deskundigen (NRGD)
3. Nieuwe formulering en toetsing betrouwbaarheid forensisch bewijs
Vb: “deze vingerafdruk is zeer waarschijnlijk van de verdachte” -> “als de verdachte
de donor is van de vingerafdruk, is het zeer veel warschijnlijker dat het gevonden
spoort er zo zou uitzien, dan wanneer een willekeurig ander persoon de donor zou
zijn.”
Eerst: eendimensionale aanpak: als het spoor sterk
overeenstemt met de verdachte, dan stemt het per definitie
minder overeen met een willekeurig ander potentiële donor
Nieuw: tweedimensionale aanpak waarbij hypothesen worden
toegepast
1) de overeenstemming als de verdachten de donor is
2) de (geschatte) overeenkomst als een willekeurig ander
persoon de donor is.
Likelihood ratio’s; een manier om de bewijskracht van een spoor of onderzoeksresultaat uit te
drukken
Een sterke overeenstemming tussen verdachte en spoor zegt niet dat het spoor sterk bewijs is.
Daarvoor zijn twee waarschijnlijkheden nodig; de verdachte is de dader en de verdachte is
niet de dader -> likelihoods
Kans verhouding: kans die past bij de hypothese ‘verdachte is donor’ gedeeld door de kans
die past bij hypothese ‘willekeurig ander is de donor’
Deze kans verhouding (de likelihood ratio) levert diagnostische waarde op
,Stel: bewijsmiddel past goed bij primaire scenario (99,99%) en tegelijkertij slecht in
alternatief scenario (0,0001%), dan levert dat een likelihood ratio op van 99,99%/0,0001% =
999.900 (afgerond miljoen). > het bewijs past een miljoen keer beter bij het primaire scenario
dan bij het alternatieve scenario
- Past bewijs precies even goed in beide scenarios dan likelihood ratio = 1, bewijs is
geheel niet informatief
- Likelihood ratio < 1 = betreffende informatie ontlastend voor de verdachte
NFI Likelihood
Verschil: andere marges en bewijskracht uitgedrukt in waarschijnlijkheid in het primaire
scenario vergeleken bij het alternatieve scenario (AFSP spreekt van steun voor primaire)
Weak evidence effect: zwak forensisch bewijs wordt vaak als steun gezien – soms sterker dan
géén bewijs – waardoor de kan sop rechtelijke dwalingen toeneemt. Juryleden/rechters zijn
geneigd om zwak forensisch bewijs toch als ondersteuning voor schuld te zien
DNA-onderzoek op een plaats delict zegt meestal wél van wie het DNA afkomstig is (Hoog
likelihood ratio op identificatiniveau) maar is onduidelijk in hoe en wanneer dat DNA daar
terecht is gekomen dus een activiteit vraag/onderzoek op activiteitenniveau is nodig.
Andere marges voor technische analyses:
,Voordelen gebruik likelihood ratio’s
- Rolafbakening: deskundige beperkt zich tot het bewijs, rechter beslist over schuld
- Bescherming tegen bias/tunnelvisie: omdat de deskundige verplicht is ook het
alternatieve scenario (onschuld) mee te nemen in de berekening
- Minder invloed van contexteffecten: contexteffecten zijn vertekeningen in oordeel
door irrelevante of emotionele informatie.
Context kan oordelen beïnvloeden, vooral bij onduidelijk bewijs
- Gebruik van LR’s dwingt tot systematische vergelijking van schuld- en
onschuldscenario
- Blindering/linear sequential unmasking: deskundige krijgt alleen de strikt
noodzakelijke informatie om het bewijs te beoordelen, zodat hij/zij niet beïnvloedt
wordt door overbodige of emotionele details
- Bescherming tegen Allegiance bias; de verleiding om de conclusie van het rapport
zodanig te formuleren dat die gunstig uitpakt voor de opdrachtgever
DUS: LR’s zorgen ervoor dat deskundigen zich beperken tot de bewijskracht van een spoor,
waardoor hun rol duidelijk blijft en de kans op fouten door bias of context kleiner wordt.
Nadeel:
- Mensen moeten accepteren dat complexe werkelijkheid wordt teruggebracht tot
waarschijnlijkheden
- LR’s zijn moeilijk correct te interpreteren
Onderzoek De Keijser & Elffers (2012): men denkt LR’s goed te begrijpen, maar in
werkelijkheid is dat begrip beperkt
1. Rechtspsychologie
Artikel 350 Sv.: rechter dient 4 hoofdvragen te beantwoorden
1. De bewijsvraag/schuldvraag: “Is het ten laste gelegde feit door de verdachte
gepleegd?”
De rechter mag alleen op basis van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging
komen dat een verdachte schuldig is.
Wettige bewijsmiddelen: eigen waarnemingen van de rechter, verklaringen van de
verdachte, getuigenverklaringen, dekundigenverklaringen en schriftelijke bescheiden
Geen bewijs: feiten en omstandigheden van algemene bekendheid
Rechter mag niet op slechts 1 bewijsmiddel varen; 1 verdachte verklaring of 1 getuige
verklaring is niet genoeg
2. Is het ten laste gelegde feit kwalificeerbaar als strafbaar feit?
3. Is de verdachte derhalve strafbaar?
4. Welke straf of maatregel is geïndiceerd?
Deskundigen binnen rechtsspraak:
- Forensische psychologen en desundige kunen worden ingezet in context van vraag 3 en 4
- In kader van vraag 1 worden ze dan rechtspsychologen genoemd en beslaat 3 onderwerpen:
statement validity, deception detection en psychology of evidence.
- onderscheid tussen praktiserend klinisch psychologen en wetenschappers
, Greenberg en Shuman (1997): het is onmogelijk voor een psycholoog om de rol van
therapeut te combineren met die van deskundige. Wordt gezegd dat therapeuten niet kunnen
worden ingezet als deskundigen in een rechtszaak omdat het onmogelijk is om bij het
schrijven van een rapport een empathische relatie te onderhouden met die cliënt en anderzijds
een zakelijk rapport te produceren.
Fundamentele verschillen:
Wat Therapeut (klinische psychologie) Rechtspsychologie (deskundig)
Opdrachtgever De cliënt De rechter
Doel Welbevinden van de cliënt Bijdragen aan waarheidsvinding.
Verschil in attitude Empathie, diagnostiek en behandeling Gepaste afstandelijkheid en
en vaardigheden wetenschappelijke toetsing
Context Cliënt-gecentreerd: welbevinden Waarheid gecentreerd
cliënt. Waarheid van secundair belang
Uitleg Bij traumatische gebeurtenis ga je niet Hier wordt eerst bekeken of het
kijken of het wel echt is gebeurd maar daadwerkelijk heeft plaatsgevonden
ga je het persoon zijn/haar
welbevinden verbeteren door te
behandelen
Crombag et al. De subjectieve beleving van de cliënt
is de maat van alle dingen (of het
waar is of niet). Wat van belang is, is
hoe de cliënt het ziet.
Fouten Valse negatieve fout (aandoening Valse positieve fout (veroordelen
missen) ernstiger dan een vals onschuldige) is ernstiger dan een
positieve vals negatieve fout (vrijspreken van
schuldige)
Psychologie als wetenschap
Psychologie = empirische wetenschap > psychologie pleegt ontdekkingen te doen in zake van
nature bestaande wetmatigheden in gedrag
Rechtsgeleerdheid = hermeneutische, constructieve of normatieve wetenschap > het doen van
uitvindingen, in het bijzonder, het verzinnen van regels.
Dus: Ontdekken VS uitvinden
Psychologie als empirische wetenschap
Kenmerk 1: consistente theoretische uitgangspunten behoren tot een wetenschap maar dat is
bij psychologie matig > niet 1 coherente, maar vier concurrente theoretische stromingen
1. Psychodynamiek/dieptepsychologie van Freud: de menselijke psyche bestaat uit
verschillende compartimenten waarvan sommige grotendeels onbewust opereren
2. Behaviourisme/gedragswetenschappen: uitsluitend het observeerbare gedrag, niet wat
binnenin zit. Mens wordt niet gestuurd door onbewuste impulsen (zoals Freud) maar
door interacties met de omgeving. Mens als lerend organisme.
- klassieke conditionering (leren voorspellen)
- operante conditionering (leren door interactie met de omgeving)
3. Cognitivisme: staat ‘in midden van’ psychodynamiek en behaviourisme; er is meer te
bestuderen dan alleen observeerbaar gedrag en het gaat er niet vanuit dat de meeste
psychologische processen onbewust gebeuren
4. Neuropsychologie/neuroscience: legen van verbanden tussen gedrag en fysiologische
processen. Functionele magnetische resonantie imaging (fMRI’s) en andere manieren
als onderzoeksmethoden