Samenvatting Week 11: Lichaamssamenstelling en energiebehoefte bepalen en uitleggen.
− uitleggen uit welke onderdelen het lichaam is samengesteld;
Cellen: kleinste levende organisme in lichaam -> bouwstenen lichaam, gevormd door deling van
eerder bestaande cellen. Verschillen in omvang en vorm. In elke cel wordt de homeostase
gehandhaafd -> cellen zijn tot homeostatische regulering in staat.
Groep cellen -> (groep) weefsels -> organen -> orgaanstelsels -> mens
Neuron = zenuwcel, speciaal soort cel die gespecialiseerd is in het ontvangen, verwerken en
doorgeven van informatie, zoals pijn.
De onderdelen en functies van cel en celmembraan uitleggen
Organellen: (Biochemische) Processen in de cel vinden plaats via organellen (de organen van de cel).
1. Centriolen: cytoplasma bevat 2 centriolen. Zijn essentieel voor beweging van chromosomen
tijdens celdeling.
2. Kern (=Nucleus) = midden: hierin zit DNA opgeslagen en worden celprocessen aangestuurd.
3. Neucleolus: (in kern) zorgt voor onderhoud van de kern/cel.
4. Ribosomen: eiwitsynthese!: hierin worden eiwitten gemaakt en wordt erfelijk materiaal
vertaald naar die eiwitten. RNA + proteïnen -> proteïnesynthese.
Zitten in cytoplasma en in ruw ER.
5. Endoplasmatisch Reticulum (ER):
Ruw ER: hierin zitten ribosomen waarin eiwitsynthese plaats vindt, bewerken allerlei
stoffen en zorgen voor transport (modificeert en verpakt nieuw gesynthetiseerde
eiwitten).
Glad ER: geen ribosomen: stoffen (eiwitten) vanuit ruw ER vervoeren en eiwitten
kunnen hierin werken. Synthetiseert lipiden en koolhydraten.
6. Golgisysteem/apparaat: zorgt voor opslag, wijziging, vorming en verpakking van stoffen.
Zorgt voor de verdere bewerking van het gevormde eiwit en daar krijgt het krijgt het
eiwitmolecuul de juiste vorm: eiwitten worden dus gebruiksklaar gemaakt.
Vervolgens verpakt het Golgi-apparaat het eiwitmolecuul en kan het worden vervoert.
, 7. Lysosomen: kleine blaasjes (vesikels) met veel (spijsverterings)enzymen erin, zorgen voor
afbraak van celonderdelen (intracellulaire verwijdering van beschadigde organellen of
pathogene micro-organismen (ziektekiem).-> opruimertjes.
8. Celmembraan: zorgt voor bescherming en transport.
9. Mitochondriën: dubbelmembraan, produceren 95% van de benodigde ATP voor de cel door
het vrijmaken van energie uit voedingsstoffen -> ATP productie! Citroenzuurcyclus en
elektronentransportsysteem.
10. Cytoskelet: proteïnebuisjes binnenin de cel, zorgt voor stevigheid en trekdraden bij de
celdeling. (Exoskelet: buiten de cel.)
11. Proteasomen: holle cilinders van proteolytische enzymen, zorgen voor afbraak en recycling
beschadigde/abnormale intracellulaire proteïnen.
12. Peroxisomen: vesikels (blaasjes) met enzymen voor afbraak stoffen. Zorgen voor katabolisme
van vetzuren + andere organische verbindingen, en neutraliseren daarbij ontstane toxische
verbindingen.
13. Cilia: lange uitsteeksels, zorgen voor beweging van stoffen over celoppervlak.
14. Microvilli: uitstulpingen van membraan, zorgen voor vergroting celoppervlak waardoor
betere absorptie extracellulaire stoffen.
Plasmamembraan scheidt de celinhoud (=cytoplasma) van de omgeving = extracellulaire vloeistof
(interstitiële vloeistof). Cytoplasma bestaat uit cytosol en organellen.
Cytosol = intracellulaire vloeistof die opgeloste voedingstoffen, ionen, (on/)oplosbare eiwitten en
afvalstoffen bevat. Bevat hoge concentratie kaliumionen en lage concentratie natriumionen,
extracellulaire vloeistof andersom (actief transport -> dragereiwitten =ionenpompen) .
Hierin zitten ook organellen = intracellulaire structuren die specifieke functies vervullen:
noodzakelijk voor bouw, onderhoud en stofwisseling van de cel, soms omgeven door membraan.
Celmembraan (= plasmamembraan):
Fysieke Isolatie: vormt fysieke barrière die de binnenkant van de cel (celinhoud/cytoplasma)
scheidt met de (waterige) extracellulaire vloeistof.
Bescherming
Reguleren uitwisseling met omgeving -> regelt in- en uitgaan van stoffen:
- Reguleert het binnenkomen van ionen en voedingsstoffen
- het verwijderen van afvalstoffen
- het afgeven van klierproducten
Gevoelig voor omgeving: 1e deel cel dat door veranderingen van extracellulaire vloeistof
wordt beïnvloed.
Bevat ook receptoren waarmee cel specifieke moleculen kan herkennen en hierop kan
reageren.
Structurele stabiliteit: door verbindingen tussen celmembranen of membranen en
extracellulaire stoffen krijgen weefsels een stabiele structuur.
Het is heel dun en bevat vetten, eiwitten en koolhydraten.
Membraanlipiden: fosfolipiden dubbellaag plasmamembraan:
Hydrofiele koppen: aan de buitenzijde
Hydrofobe (vetzuur)staarten: aan de binnenzijde
Hierdoor is membraan semi-permeabel
Tussen de vetzuurstaarten liggen ook cholesterolmoleculen + beetje andere vetten.
, Doordat binnenzijde hydrofoob is werkt plasmamembraan als selectieve barrière -> mengt niet met
water(oplosbare stoffen) of ionen (geladen moleculen). Daardoor isoleert plasmamembraan het
cytoplasma van omringende extracellulaire vloeistof. In vet oplasbare moleculen en (ongeladen)
stoffen als zuurstof/koolstofdioxide kunnen dit vetgedeelte wel passeren.
Membraaneiwitten:
Transmembraaneiwitten zijn meest voorkomend, overspannen breedte van plasmamembraan.
Andere membraaneiwitten liggen in fosfolipidedubbellaag van de membraan of gebonden aan
binnen/buitenoppervlak ervan. Functie als:
Receptoren (receptoreiwitten): gevoelig voor extracellulaire stoffen die hieraan binden,
waardoor activiteiten in cel worden gewijzigd (bv hormoon insuline)
Kanalen (kanaaleiwitten): kanaal waardoor water, ionen en andere opgeloste stoffen het
vetgedeelte van membraan kunnen omzeilen.
Dragerstoffen (dragereiwitten): binden aan opgeloste stoffen en vervoeren deze door
plasmamembraan heen.
Enzymen: katalyseren (versnellen) reacties
Verankeringseiwitten: hechten plasmamembraan vast aan cytoskelet -> stabiliseren positie
van cel.
Herkenningseiwitten: maken aan immuunsysteem kenbaar of cel lichaamseigen en gezond is.
Membraankoolhydraten: koolhydraatketens vormen complexe moleculen met eiwitten of vetten
aan buitenste oppervlak membraan: glycoproteïnen/glycolipiden:
Dient als smeer/kleefmiddel voor cel.
Werkt als receptor voor extracellulaire verbindingen.
Deel van herkenningssysteem dat voorkomt dat immuunsysteem eigen cellen/weefsels
aanvalt.
Permeabiliteit = doorlaatbaarheid van plasmamembraan, bepaald welke stoffen cytoplasma in/uit
kunnen. Impermeabel: niet kan erdoorheen. Volledig permeabel: alle stoffen kunnen membraan
passeren.
− uitleggen uit welke onderdelen het lichaam is samengesteld;
Cellen: kleinste levende organisme in lichaam -> bouwstenen lichaam, gevormd door deling van
eerder bestaande cellen. Verschillen in omvang en vorm. In elke cel wordt de homeostase
gehandhaafd -> cellen zijn tot homeostatische regulering in staat.
Groep cellen -> (groep) weefsels -> organen -> orgaanstelsels -> mens
Neuron = zenuwcel, speciaal soort cel die gespecialiseerd is in het ontvangen, verwerken en
doorgeven van informatie, zoals pijn.
De onderdelen en functies van cel en celmembraan uitleggen
Organellen: (Biochemische) Processen in de cel vinden plaats via organellen (de organen van de cel).
1. Centriolen: cytoplasma bevat 2 centriolen. Zijn essentieel voor beweging van chromosomen
tijdens celdeling.
2. Kern (=Nucleus) = midden: hierin zit DNA opgeslagen en worden celprocessen aangestuurd.
3. Neucleolus: (in kern) zorgt voor onderhoud van de kern/cel.
4. Ribosomen: eiwitsynthese!: hierin worden eiwitten gemaakt en wordt erfelijk materiaal
vertaald naar die eiwitten. RNA + proteïnen -> proteïnesynthese.
Zitten in cytoplasma en in ruw ER.
5. Endoplasmatisch Reticulum (ER):
Ruw ER: hierin zitten ribosomen waarin eiwitsynthese plaats vindt, bewerken allerlei
stoffen en zorgen voor transport (modificeert en verpakt nieuw gesynthetiseerde
eiwitten).
Glad ER: geen ribosomen: stoffen (eiwitten) vanuit ruw ER vervoeren en eiwitten
kunnen hierin werken. Synthetiseert lipiden en koolhydraten.
6. Golgisysteem/apparaat: zorgt voor opslag, wijziging, vorming en verpakking van stoffen.
Zorgt voor de verdere bewerking van het gevormde eiwit en daar krijgt het krijgt het
eiwitmolecuul de juiste vorm: eiwitten worden dus gebruiksklaar gemaakt.
Vervolgens verpakt het Golgi-apparaat het eiwitmolecuul en kan het worden vervoert.
, 7. Lysosomen: kleine blaasjes (vesikels) met veel (spijsverterings)enzymen erin, zorgen voor
afbraak van celonderdelen (intracellulaire verwijdering van beschadigde organellen of
pathogene micro-organismen (ziektekiem).-> opruimertjes.
8. Celmembraan: zorgt voor bescherming en transport.
9. Mitochondriën: dubbelmembraan, produceren 95% van de benodigde ATP voor de cel door
het vrijmaken van energie uit voedingsstoffen -> ATP productie! Citroenzuurcyclus en
elektronentransportsysteem.
10. Cytoskelet: proteïnebuisjes binnenin de cel, zorgt voor stevigheid en trekdraden bij de
celdeling. (Exoskelet: buiten de cel.)
11. Proteasomen: holle cilinders van proteolytische enzymen, zorgen voor afbraak en recycling
beschadigde/abnormale intracellulaire proteïnen.
12. Peroxisomen: vesikels (blaasjes) met enzymen voor afbraak stoffen. Zorgen voor katabolisme
van vetzuren + andere organische verbindingen, en neutraliseren daarbij ontstane toxische
verbindingen.
13. Cilia: lange uitsteeksels, zorgen voor beweging van stoffen over celoppervlak.
14. Microvilli: uitstulpingen van membraan, zorgen voor vergroting celoppervlak waardoor
betere absorptie extracellulaire stoffen.
Plasmamembraan scheidt de celinhoud (=cytoplasma) van de omgeving = extracellulaire vloeistof
(interstitiële vloeistof). Cytoplasma bestaat uit cytosol en organellen.
Cytosol = intracellulaire vloeistof die opgeloste voedingstoffen, ionen, (on/)oplosbare eiwitten en
afvalstoffen bevat. Bevat hoge concentratie kaliumionen en lage concentratie natriumionen,
extracellulaire vloeistof andersom (actief transport -> dragereiwitten =ionenpompen) .
Hierin zitten ook organellen = intracellulaire structuren die specifieke functies vervullen:
noodzakelijk voor bouw, onderhoud en stofwisseling van de cel, soms omgeven door membraan.
Celmembraan (= plasmamembraan):
Fysieke Isolatie: vormt fysieke barrière die de binnenkant van de cel (celinhoud/cytoplasma)
scheidt met de (waterige) extracellulaire vloeistof.
Bescherming
Reguleren uitwisseling met omgeving -> regelt in- en uitgaan van stoffen:
- Reguleert het binnenkomen van ionen en voedingsstoffen
- het verwijderen van afvalstoffen
- het afgeven van klierproducten
Gevoelig voor omgeving: 1e deel cel dat door veranderingen van extracellulaire vloeistof
wordt beïnvloed.
Bevat ook receptoren waarmee cel specifieke moleculen kan herkennen en hierop kan
reageren.
Structurele stabiliteit: door verbindingen tussen celmembranen of membranen en
extracellulaire stoffen krijgen weefsels een stabiele structuur.
Het is heel dun en bevat vetten, eiwitten en koolhydraten.
Membraanlipiden: fosfolipiden dubbellaag plasmamembraan:
Hydrofiele koppen: aan de buitenzijde
Hydrofobe (vetzuur)staarten: aan de binnenzijde
Hierdoor is membraan semi-permeabel
Tussen de vetzuurstaarten liggen ook cholesterolmoleculen + beetje andere vetten.
, Doordat binnenzijde hydrofoob is werkt plasmamembraan als selectieve barrière -> mengt niet met
water(oplosbare stoffen) of ionen (geladen moleculen). Daardoor isoleert plasmamembraan het
cytoplasma van omringende extracellulaire vloeistof. In vet oplasbare moleculen en (ongeladen)
stoffen als zuurstof/koolstofdioxide kunnen dit vetgedeelte wel passeren.
Membraaneiwitten:
Transmembraaneiwitten zijn meest voorkomend, overspannen breedte van plasmamembraan.
Andere membraaneiwitten liggen in fosfolipidedubbellaag van de membraan of gebonden aan
binnen/buitenoppervlak ervan. Functie als:
Receptoren (receptoreiwitten): gevoelig voor extracellulaire stoffen die hieraan binden,
waardoor activiteiten in cel worden gewijzigd (bv hormoon insuline)
Kanalen (kanaaleiwitten): kanaal waardoor water, ionen en andere opgeloste stoffen het
vetgedeelte van membraan kunnen omzeilen.
Dragerstoffen (dragereiwitten): binden aan opgeloste stoffen en vervoeren deze door
plasmamembraan heen.
Enzymen: katalyseren (versnellen) reacties
Verankeringseiwitten: hechten plasmamembraan vast aan cytoskelet -> stabiliseren positie
van cel.
Herkenningseiwitten: maken aan immuunsysteem kenbaar of cel lichaamseigen en gezond is.
Membraankoolhydraten: koolhydraatketens vormen complexe moleculen met eiwitten of vetten
aan buitenste oppervlak membraan: glycoproteïnen/glycolipiden:
Dient als smeer/kleefmiddel voor cel.
Werkt als receptor voor extracellulaire verbindingen.
Deel van herkenningssysteem dat voorkomt dat immuunsysteem eigen cellen/weefsels
aanvalt.
Permeabiliteit = doorlaatbaarheid van plasmamembraan, bepaald welke stoffen cytoplasma in/uit
kunnen. Impermeabel: niet kan erdoorheen. Volledig permeabel: alle stoffen kunnen membraan
passeren.