Geschiedenis – toetsing
40 MC vragen, aanvulvragen, juist/onjuist en stellingen
70% goed hebben
50 canonvensters
Doelen
o 1.1. De leraar kan de specifieke bijdrage van het vak
geschiedenis aan de ontwikkeling van historisch bewustzijn
van kinderen beschrijven aan de hand van de drie
vakconcepten: historisch tijdsbesef, historische kennis,
historisch redeneren.
o 1.2. De leraar kan aangeven aan welke kerndoelen van het
basisonderwijs het vak geschiedenis een bijdrage kan leveren.
o 2.1. De leraar heeft kennis van:
a. verschillende periodisering, waaronder de
traditionele periodisering en de indeling in tien
tijdvakken;
b. de 49 kenmerkende aspecten van de tien
tijdvakken;
c. de vijftig vensters van de Canon van Nederland.
o 2.3. De leraar heeft inzicht in de specifieke werkwijze van het
schoolvak geschiedenis. Gedurende de voorbereiding en
uitvoering van leeractiviteiten werkt hij vanuit de volgende
didactische uitgangspunten:
a. Tijdens lesactiviteiten zet de leraar een grote variatie
aan beeldvormers in waarbij veel aandacht is voor het
gebruik van de mogelijkheden die de omgeving van de
school en erfgoed in het bijzonder bieden.
b. Tijdens lesactiviteiten worden met grote regelmaat
visualisaties van de tijd, zoals de tijdbalk, gebruikt met
als doel leerlingen te helpen ‘thuis te raken in de tijd’.
, c. Leerlingen worden gestimuleerd om historisch te
redeneren over continuïteit en verandering, oorzaken
en gevolgen, overeenkomsten en verschillen waarbij
aandacht is voor:
- het stellen van historische vragen;
- het onderzoeken van historische bronnen;
- contextualiseren: het plaatsen van verschijnselen in
tijd, ruimte en samenleving (tijd- en
standplaatsgebondenheid);
- beweringen ondersteunen met argumenten;
- gebruik maken van historische begrippen met
betrekking tot verschijnselen, structuren, personen en
perioden (bijvoorbeeld feodalisme, renaissance,
industriële revolutie);
- gebruik maken van metabegrippen (bijvoorbeeld feit,
aanleiding, gevolg, overeenkomst, sociaal, politiek).
d. Elke lesactiviteit wordt vormgegeven vanuit
leerdoelen die gerelateerd zijn aan de drie
vakconcepten van geschiedenisonderwijs (zie 1.1).
o 2.4. De leraar heeft inzicht in specifieke leermiddelen voor het
schoolvak geschiedenis, zoals de tijdbalk en veel gebruikte
methodes voor geschiedenisonderwijs.
o 3.2. De leraar kan tijdens zijn onderwijsactiviteiten aansluiten
bij de ontwikkelingsfase waarin de leerling zich bevindt op het
gebied van historisch tijdsbesef: ontluikend-, aanvankelijk- of
voortgezet historisch tijdsbesef.
o 3.3. De leraar kent veel voorkomende pre- en misconcepten
van leerlingen over het vak geschiedenis en kan hier een
passende didactiek op toepassen.
2
40 MC vragen, aanvulvragen, juist/onjuist en stellingen
70% goed hebben
50 canonvensters
Doelen
o 1.1. De leraar kan de specifieke bijdrage van het vak
geschiedenis aan de ontwikkeling van historisch bewustzijn
van kinderen beschrijven aan de hand van de drie
vakconcepten: historisch tijdsbesef, historische kennis,
historisch redeneren.
o 1.2. De leraar kan aangeven aan welke kerndoelen van het
basisonderwijs het vak geschiedenis een bijdrage kan leveren.
o 2.1. De leraar heeft kennis van:
a. verschillende periodisering, waaronder de
traditionele periodisering en de indeling in tien
tijdvakken;
b. de 49 kenmerkende aspecten van de tien
tijdvakken;
c. de vijftig vensters van de Canon van Nederland.
o 2.3. De leraar heeft inzicht in de specifieke werkwijze van het
schoolvak geschiedenis. Gedurende de voorbereiding en
uitvoering van leeractiviteiten werkt hij vanuit de volgende
didactische uitgangspunten:
a. Tijdens lesactiviteiten zet de leraar een grote variatie
aan beeldvormers in waarbij veel aandacht is voor het
gebruik van de mogelijkheden die de omgeving van de
school en erfgoed in het bijzonder bieden.
b. Tijdens lesactiviteiten worden met grote regelmaat
visualisaties van de tijd, zoals de tijdbalk, gebruikt met
als doel leerlingen te helpen ‘thuis te raken in de tijd’.
, c. Leerlingen worden gestimuleerd om historisch te
redeneren over continuïteit en verandering, oorzaken
en gevolgen, overeenkomsten en verschillen waarbij
aandacht is voor:
- het stellen van historische vragen;
- het onderzoeken van historische bronnen;
- contextualiseren: het plaatsen van verschijnselen in
tijd, ruimte en samenleving (tijd- en
standplaatsgebondenheid);
- beweringen ondersteunen met argumenten;
- gebruik maken van historische begrippen met
betrekking tot verschijnselen, structuren, personen en
perioden (bijvoorbeeld feodalisme, renaissance,
industriële revolutie);
- gebruik maken van metabegrippen (bijvoorbeeld feit,
aanleiding, gevolg, overeenkomst, sociaal, politiek).
d. Elke lesactiviteit wordt vormgegeven vanuit
leerdoelen die gerelateerd zijn aan de drie
vakconcepten van geschiedenisonderwijs (zie 1.1).
o 2.4. De leraar heeft inzicht in specifieke leermiddelen voor het
schoolvak geschiedenis, zoals de tijdbalk en veel gebruikte
methodes voor geschiedenisonderwijs.
o 3.2. De leraar kan tijdens zijn onderwijsactiviteiten aansluiten
bij de ontwikkelingsfase waarin de leerling zich bevindt op het
gebied van historisch tijdsbesef: ontluikend-, aanvankelijk- of
voortgezet historisch tijdsbesef.
o 3.3. De leraar kent veel voorkomende pre- en misconcepten
van leerlingen over het vak geschiedenis en kan hier een
passende didactiek op toepassen.
2