Cursusdoelen
1. De identiteit van de pedagogiek als discipline beschrijven en deze plaatsen
ten opzichte van andere disciplines.
a. Pedagogiek focust zich niet alleen op het individueel, maar ook om
de bredere contexten eromheen. Het is een handelingswetenschap
waarbij je je bezighoud met de opvoeding en socialisatie van
jongeren en kinderen. Waarbij we ook onderzoek doen om de
praktijk te verbeteren.
2. Belangrijke ontwikkelingen op het gebied van taal, cognitie en sociale
relaties, die passen bij de fase van de baby en kindertijd, uitleggen.
3. Vanuit systemische theorieën of modellen en kernconcepten uitleggen
welke rol pedagogische systemen spelen in de ontwikkeling van jonge
kinderen.
4. Beschrijven hoe de verschillende pedagogische systemen, met name die
van het gezin, kinderopvang en de schoolse voorzieningen, ingebed zijn in
en beïnvloed worden door het exo- en macrosysteem.
5. Uitleggen wat pedagogische interventies zijn en aangeven op welke wijze
zij kunnen bijdragen aan het verbeteren van de pedagogische systemen in
de kindertijd.
Hoorcollege 1 – Introductiecollege
Het idee van de pedagogiek is de ontwikkeling en opvoedrelaties in verschillende
contexten.
‘Paidagogos’ komt van het Grieks. In de Griekse oudheid was een pedagoog
eigenlijk een slaaf die zorgde voor de kinderen van rijke families. Gelukkig is dat
nu niet meer zo.
Pedagogische wetenschappen:
Wetenschappelijke bestudering van de ontwikkeling en opvoeding van en
het onderwijs aan kinderen en jongeren.
We kijken naar de brede context (systeem, invloeden van context op
opvoedkunde). Niet alleen naar het individu, maar naar hoe alle factoren
zich samenhangen en ontwikkelen en hoe deze de opvoeding beïnvloeden.
Handelingswetenschap en proberen naast het verklaren en onderzoeken
ook tot concrete handelingen te komen. Daar hoort preventie, diagnostiek
en behandeling bij, zodat kinderen zich maximaal kunnen ontwikkelen in
de maatschappij.
De pedagogische relatie staat centraal. De invloed van omgeving,
genetische en neurobiologische aanlegfactoren spelen een belangrijke rol.
Continuüm van ‘normale’ tot problematische/pathologische ontwikkeling
en opvoedsituaties. Op individueel, groeps- en beleidsniveau.
Socialisatie: Het proces waardoor individuen de kennis, vaardigheden en
kernmerken verkrijgen, zodat ze effectief kunnen participeren in de samenleving.
,Opvoeding: Het aanleren of onderwijzen van vaardigheden, gedrag, normen en
waarden en het stimuleren van interesses met als doel dat kinderen competent
kunnen functioneren binnen de cultuur en de maatschappij waarin ze opgroeien.
Het opvoeden wordt niet alleen gedaan door de ouders of het gezin, maar ook
door andere contexten. Denk aan school, de buurt, sportclubs, sociale media en
de overheid.
In allerlei sociale acties wordt je gesocialiseerd, gestimuleerd en gecorrigeerd om
je te voegen naar de normen en waarden van de maatschappij. Er is continue
actie en reactie tussen het individu en de contexten hieromheen.
Opvoeding als term hangt nauw verbonden met socialisatie.
Cultuur sensitiviteit: Het bewustzijn dat normen, waarden en behoeften voor
de ene cultuur niet gelden voor andere culturen.
Jouw ideeën zijn gevormd door de eigen bubbel en cultuur, maar je hoort juist
open te staan voor ideeën van een ander, waardoor je beter naar de situaties kan
kijken, kan beslissen waarom het gebeurd en hoe je hierop kan reageren/dit
verbeteren.
Je wordt gesocialiseerd volgens een bepaalde cultuur, maar deze zijn normatief
en staan niet vast.
W.E.I.R.D: Western, Educated, Industrialised, Rich, Democratic. Dit zijn de
kenmerken van de Westerse cultuur en de Westerse bril. Hierdoor is 95% van het
onderzoek met deze bril op gedaan en is de wetenschap vertekend.
Wat doen pedagogen?:
Betrokken bij een breed spectrum van ontwikkelings-, opvoedings-, en
onderwijs gerelateerde vragen.
o Vragen over alledaagse situaties of bedreigende situaties
o Preventie of interventie
Ze hebben soms niet direct contact met het kind of de ouders, maar
leveren een bijdrage aan de optimale ontwikkeling van het kind.
De verschillende stromingen in pedagogische wetenschappen:
Geesteswetenschappelijke stroming
o Vroeger dominant, tegenwoordig meer op de achtergrond
o Focus: Beschrijven en werkelijk begrijpen van de dagelijkse
werkelijkheid van het opvoeden, de opvoedpraktijk en door te
dringen in de wereld van het kind en de opvoeder om zo dieper
inzicht te krijgen van het opvoedingsproces.
o Elke situatie en kind is uniek, dus je moet analyseren en zo kan je
beter helpen.
o Wat is de beleving van het individu? Hoe kan deze zich zo volledig
mogelijk ontwikkelen?
o Bijv. Anti-pestprojecten; hoe beleeft het kind dit?
Empirisch analytische stroming
o Tegenwoordig nog steeds veel gebruikt
o Kritiek op de geesteswetenschappelijke stroming
o Focus: Gedrag en omgeving van kinderen. Alles wat observeerbaar
en objectiveerbaar is, is belangrijk.
o Op zoek naar algemeenheden > Wat geld voor de grote groepen en
hoe heb ik effect op groepen?
, o Richt zich juist niet op het individu, maar op groepen
o Onderzoek en statistische onderbouwing is belangrijk
o Bijv. Cito-toetsen; welk niveau heeft het ene kind tegenover het
gemiddelde?
Kritisch emancipatorische stroming
o De meest recente stroming
o Kritiek op de twee vorige stromingen, wil het beste van beide
stromingen en nog wat extra.
Geestesweetenschap focust zich te veel op het individu,
Empirisch focust zich te veel op grote groepen.
o Focus: Opvoedpsychologie en maatschappelijke engagement
o We zijn een maatschappij en samen voeden we kinderen op om een
gewenste maatschappij te creëren. Spreek je uit als je het ergens
niet mee eens bent.
o Het gaat om maatschappelijke kwesties die je met z’n allen moet
aanpakken en moet samenwerken om dit op te lossen.
Micha de Winter:
Pedagogiek van Hoop
Er is teveel focus op problemen en negatieve dingen, daar moeten we niet
in blijven hangen.
Hij wil kinderen stimuleren en betrekken om een situatie waar ze het niet
mee eens zijn aan te pakken. Participatie en initiatief van kinderen.
o ‘Praat niet allen met kinderen, maar activeer hen en laat ze
bijdragen. Hierdoor krijg je burgers die problemen willen aanpakken.
Wat voor samenleving willen we en hoe doen we dat in de opvoeding?
Vreedzame school: Programma voor sociale competentie en democratisch
burgerschap
> Vreedzame wijk: Hetzelfde opvoedingsklimaat in de wijk als in de school
Deficit thinking: Denkwijze van docenten/professionals dat sommige studenten
bepaalde gebreken of tekorten hebben die de achterstanden verklaren. Als iets
niet werkt dan komt het door een gebrek aan het individu.
Er is benadrukking van de tekortkomingen en een excuses om ongelijkheid in
stand te houden, het probleem ligt bij het kind.
Medical model: Vaak binnen speciaal of passend onderwijs. De focus ligt op de
stoornis of handicap en niet op de behoeften van het kind.
We kijken naar wat het probleem is en focussen hierop, maar kijken niet naar de
situatie hieromheen. Bijvoorbeeld dat je het kind met concentratie problemen
helpt, in plaats van de klas hierop aan te passen.
Hierdoor wordt het kind gereduceerd tot zijn gebreken en hoeft de
omgeving/meerderheid niet veranderen.
Positive Youth Development: Focus op diverse behoeften van kinderen en hun
mogelijkheden en potenties.
Alle kinderen zouden optimaal moeten participeren in de samenleving, hoe gaan
we dat voor elkaar krijgen?
We nemen uit iedere stroming het beste mee:
-Belangen van het kind zijn belangrijk
-Degelijk onderzoek en goede theorieën zijn belangrijk
-Kwesties uit de maatschappij zijn belangrijk, hoe kan het kind participeren in de
, maatschappij?
Verschuiving van geproblematiseerd naar gerichtheid op groei van individueel
naar sociaal.
Hoorcollege 2 – Het bio-socio-ecologische
model
Er zijn debatten waar de belangrijkste oorzaken van de ontwikkelingen van
kinderen liggen. Is dit aangeboren of aangeleerd? > Nature of nurture.
Het misverstand opvoeding:
Harris heeft een bekend boek geschreven waarin het leek te wijzen dat de
erfelijkheid een sterk effect heeft op de menselijke eigenschappen (Nature) en
dat de omgeving eigenlijk een heel erg kleine invloed hierop had (Nurture). Er
was 1 onderzoek met tweelingen waaruit geconcludeerd werd dat de rol van
erfelijkheid zo groot is dat de omgeving er eigenlijk niet meer toe doet. Het heeft
weinig effect op de eigenschappen. Maar stel dat je bijv. niet in een goed gezin
opgroeit of slecht onderwijs hebt, wat gebeurd er dan?
Er zijn nog meer onderzoeken geweest met tweelingen en adoptie
kinderen:
Eeneiige tweeling delen 100% van de genen, ze zijn genetisch identiek.
Twee-eiige tweelingen zijn eigenlijk broers en zussen met 50% van de genen
gemeenschappelijk.
Je verzamelt heel veel tweelingen en gaat bij elk lid een IQ-test
afnemen/schoolpresties bekijken. Vervolgens bekijk je de correlatie en blijkt dat
de correlatie groter is bij eeneiige tweelingen dan twee-eiige tweelingen.
Hierdoor kunnen we een schatting van erfelijkheid maken.
Erfelijkheid (h2) = Overeenkomt/correlatie eeneiige tweelingen –
overeenkomst/correlatie twee-eiige tweelingen. > H 2 = 2x (rmono – rdizyg).
In een adoptief gezin hebben de broers en zussen 0% genetische
gemeenschappelijkheid. Hierdoor kunnen we een goede inschatting maken van
de leefomgeving en het effect hiervan. Soms komt het voor dat 1 broer/zus
geadopteerd wordt en de ander in de geboorteomgeving blijft. Hierdoor kan je
kijken naar het opgroeien bij adoptieve ouders tegenover biologische ouders.
Gedeelde leefomgeving (c2)= Overeenkomt/correlatie adoptiekinderen met niet-
verwante broers/zussen in het adoptiegezin.
Meta-analyse schoolprestatie en erfelijkheid:
Gebaseerd op internationaal tweelingenonderzoek zien we dat bijv. technisch
lezen en taal meer correleren in de h 2 dan begrijpend lezen en wiskunde.
De effecten van de erfelijkheid zijn groter op schoolprestatie dan die van de
omgeving, dus doet Nurture er dan niet toe?
Jawel, de effecten op schoolprestaties zijn namelijk groter in landen waarin het
schoolsysteem van hoge kwaliteit is en waar school landelijk toegankelijk is. In
deze landen wordt er minder vroeg geselecteerd op niveau.
Dus hoe beter de gedeelde omgeving (school, leraren) hoe groter de
erfelijkheidscomponent (h2), waardoor er een paradox ontstaat.
We kunnen dus niks concluderen qua schoolprestaties en erfelijkheid.