Parke et al.; Social Development
H1: Introductie - theorieën over sociale ontwikkeling
2 functies van theorieën:
Organiseren en integreren van bestaande informatie in coherente
en interessante verhalen.
Leiden tot toetsbare en falsifieerbare hypothesen en voorspellingen
Er zijn veel theorieën van vroeger en nu die de ontwikkeling van kinderen
Vaak focus op 1 aspect van de ontwikkeling.
Psychodynamisch perspectief:
Sigmund Freud Psychodynamische theorie: psychologische groei
wordt bepaald door onbewuste, biologisch gebaseerde driften en
instincten (bijv. seks, agressie en honger) en gevormd door
ervaringen met de omgeving.
Onderling verbonden delen van ontwikkelde persoonlijkheid:
o Id: het instinctieve id werkt volgens het plezierprincipe: plezier
maximaliseren en onmiddellijk aan behoeften voldoen
Zuigelingen.
o Ego: het rationele ego ontwikkelt, probeert behoeften te
bevredigen d.m.v. gepast, sociaal constructief gedrag.
o Superego: Het superego verschijnt als het moraal ontwikkeld.
Ook als waarden en rollen en een geweten ontwikkeld. Of het
vermogen om morele waarden toe te passen op zijn of haar
eigen daden.
Ontwikkeling is een discontinu proces bestaat uit 5 fasen.
o Phallic fase:
Jongen verstrikt in Oedipus complex aangetrokken tot
hun moeder en zien vader als rivaal.
Meiden verstrikt in Electra complex geven moeder
schuld van eigen gebrek aan penis en richten seksuele
gevoelens op hun vader.
Onderzoek ondersteunen algemene opvattingen van Freud
gebeurtenissen in de kindertijd hebben invloed op latere ontwikkeling)
Erik Erikson nam basisideeën over van Freud, maar breidde ze uit
tot volledige levensduur van kindertijd tot hoge leeftijd
, Psychosociale theorie: De ontwikkeling is een discontinu proces dat
door een aantal fasen heen loopt.
o Elke fase heeft persoonlijke en sociale taken risico’s door
taken niet te volbrengen.
Traditionele leertheorie: de ontwikkeling is een continu proces (niet in
fasen) en kinderen spelen een relatief passieve rol, gestuurd door
gebeurtenissen in de omgeving.
Klassiek conditioneren: Vorm van leren, waarbij 2 stimuli gekoppeld
worden om zo een reactie op 1 stimuli te veranderen.
o Bijv. Pavlov of Little Albert
Operant conditioneren: Vorm van leren waarbij de reactie van een
persoon/dier wordt gevolgd door straf of beloning. Of positieve en
negatieve bekrachtiging.
, o Bijv. Skinner
Drive-reduction theorie: De associatie van een stimulus en respons
in klassieke en operante conditionering alleen maar tot leren leidt,
als dit gepaard gaat met de drive-reductie.
o Primaire drijfveren (honger/dorst) werken als motivatoren.
Klassieke conditionering stimuli houdt verband met
plezierig gevoel dat voortvloeit uit basisdrijfveren lonen
en waardering.
Klassieke conditionering zorgt voor sterke emoties als
reactie op bepaalde objecten, maar deze kunnen ook
verminderd worden door systematische desensibilisatie:
bijv. leren om niet meer bang te zijn voor slangen.
Cognitief leerperspectief:
Cognitieve sociaal-leertheorie: kinderen leren sociaal gedrag door
andere mensen te observeren en imiteren.
o Bandura 4 factoren die bepalen hoe goed kinderen leren
door gedrag te observeren:
Attention: Aandacht voor het gedrag van het model.
Retention: Behoud van kennis om later te imiteren.
Reproduction: Moeilijk sociaal ritueel is voor jonge
kinderen onmogelijk om te reproduceren, ook al is de
kennis onthouden.
Motivation: Extrinsieke of intrinsieke prikkels die het
kind motiveren om het model te imiteren.
o Bandura: Kinderen die zichzelf als competent beschouwen
hebben een hoge self-efficacy: ze geloven dat ze sociale
problemen kunnen oplossen en proberen dit. ontwikkelen
van self-efficacy:
Direct ervaring van succes in eerdere/soortgelijke
pogingen.
Plaatsvervangende ervaring bij geobserveerde mensen
die in soortgelijke taken slagen.
Ouders/leeftijdsgenoten die kind aanmoedigen.
Biologische en affectieve reacties in sociale situaties.
Collective efficacy: Het gedeelde geloof van een groep
in haar vermogen als eenheid om een doel te bereiken.
In het echt beïnvloed het kind het gedrag van het model in het
proces van reciprocal determination: de acties van het kind zorgen
voor reacties van anderen.
Informatieverwerkingsperspectief: Individu krijgt informatie
veranderd in mentale representatie opslaan in geheugen Vergelijk
, met andere herinneringen genereert antwoordmogelijkheden besluit
maken over beste reactie onderneemt actie.
Sociale informatieverwerkingstheorie: Kinderen doorlopen in sociale
situaties een reeks cognitieve verwerkingsbeslissingen of -stappen
(bijv. beoordelen intentie van ander kind). Ze beslissen over
mogelijke reacties, evalueren de waarschijnlijke resultaten en
handelen naar hun beslissing.
Cognitief ontwikkelingsperspectief:
Jean Piaget: 2 processen spelen een belangrijke rol in cognitieve
ontwikkeling:
o Assimilation: kinderen gebruiken hun huidige kennis als kader
voor het opnemen/verwerken van nieuwe ervaringen
o Accommodation: kinderen wijzigen hun huidige kennis door
het proces van aanpassing van hun mentale structuren.
Kinderen interpreteren en begrijpen informatie en gebeurtenissen
actief. Ze bewegen zich door verschillende fasen heen in hun
kindertijd: egocentrisch realisme.
Moderne theoretici maakten nieuwe theorie op basis van Paiget
domein specifiteit: Kinderen categoriseren sociale problemen in
specifieke domeinen en vellen verschillende oordelen, afhankelijk
het van het domein.
Lev Vygotsky Socioculturele theorie: 3 principes van culturele
invloeden:
o Culturen verschillen in omgevingen en praktijken die het
aanbied.
o Deze omgevingen en praktijken vergemakkelijken de
ontwikkeling.
o Kinderen leren over hun cultuur van ervaren leden van de
cultuur.
Ontwikkeling kan het best worden begrepen als product van sociale
interactie.
Focus op zone van proximale ontwikkeling: de ruimte tussen wat
een kind zelfstandig kan en wat hij doet terwijl hij deelneemt met
meer capabele anderen.
Systeemtheorie perspectief: Kinderen worden beïnvloed door
verschillende systemen. De ontwikkeling wordt beïnvloed door de op
elkaar inwerkende component die een van deze systemen vormen,
evenals door afzonderlijke factoren binnen het systeem.