Waarnemen en bewegen
HC1: introducti on to percepti on
Sensatie en perceptie
- Sensatie => wat je ziet
- Perceptie => kennis wordt gebruikt waardoor je iets bepaald gaat zien
Cyclus perceptueel proces
1. Distale stimulus
2. Licht wordt gereflecteerd en getransformeerd
3. Receptorprocessen
4. Neurale processen
5. Perceptie
6. Herkenning
7. Actie
Stap 1 & 2: stimuli
- Een persoon kan iets waarnemen doordat het licht wat op een object valt op het netvlies
wordt gereflecteerd.
- Alles wat een persoon waarneemt is niet gebaseerd op het directe contact met de stimuli,
maar op een representatie van deze stimuli die gevormd wordt op receptoren en de activiteit
in de hersenen => principle of representation
- Een distale stimulus wordt omgezet in de proximale stimulus. De proximale stimulus is een
representatie van de distale stimulus op de retina => principle of transformation
Stap 3: receptorprocessen
- Zintuigelijke receptoren (sensory receptors) reageren op energie uit de omgeving. Elk zintuig
reageert op een andere specifieke soort omgevingsenergie. Visuele receptoren doen twee
dingen wanneer ze het reflecterende licht ontvangen
1. Omgevingsenergie wordt door middel van visueel pigment omgezet in elektrische
activiteit waar de hersenen iets mee kunnen => transductie
2. Perceptie wordt gevormd op de manier zoals ze zelf reageren op de stimuli
Stap 4: neurale processen
- Het neuronennetwerk verzendt signalen van receptoren naar retina naar het brein. Het
neuronennetwerk in het brein verandert of verwerkt hierbij de signalen omdat de weg van
receptoren naar het brein geen rechte lijn is => neural processing.
- Ieder zintuig heeft een bijbehorende area in de hersenen. De elektrische activiteit komt in de
cerebrale cortex van de hersenen en gaat daar naar de zogenoemde primary receiving area
van het zintuig. Hierbinnen wordt perceptie gecreëerd:
o Occipitale lob => zicht
o Temporale lob => horen
o Pariëtale lob => aanraking, temperatuur, pijn
o Frontale lob => ontvangst signalen van elk zintuig en speelt rol in perceptie die
coördinatie van informatie ontvangen door twee of meer zintuigen bevat
,Stap 5, 6 & 7: gedragsreactie
- Perceptie => bewust zijn van een voorwerp/iets zien
- Recognition => plaatsen van een object in een categorie/benoemen wat iets is
- Visual form agnosia => aandoening waarbij je objecten niet kunt herkennen
o Delen van een object kunnen herkend worden, maar de delen kunnen niet worden
samengevoegd en het object wordt dus niet als een geheel gezien
o Gezichten kunnen overigens wel herkend worden
Perceptie is een continu veranderend proces
Kennis (knowledge)
Definitie van kennis => informatie die de ontvanger meeneemt naar een situatie, je kennis.
- Speelt rol bij het herkennen en het waarnemingsproces
Soorten waarnemingen
- Bottom-up processing => verwerking op basis van stimuli die receptoren bereikt
- Top-down processing => verwerking gebaseerd op kennis
The study of perception
Om perceptie te bestuderen is een versimpeld perceptueel proces nodig (zie afbeelding)
Deze drie relaties kunnen op verschillende manieren onderzocht worden:
- A. stimulus-perceptie relatie: Oblique effect => horizontale en verticale strepen
zijn beter in detail waar te nemen dan schuine lijnen
- B. stimulus-fysiologische relatie: experiment van David Coppola => met optical
brain imaging het verschil in hersenactiviteit meten van de visuele cortex bij een
fret.
o Resultaat: horizontale en verticale strepen veroorzaken grotere
hersenactiviteit dan schuine strepen
- C. fysiologische-perceptie relatie
o Resultaat: grotere hersenactiviteit bij het waarnemen van horizontale en verticale
lijnen en gevoeliger voor het beoordelen van horizontale en verticale lijnen
Verschillende manieren om perceptie te meten:
- Absolute drempel => minimale stimulus intensiteit die gedetecteerd kan worden
- Verschil drempel => minimale verschil tussen twee stimuli intensiteiten die gedetecteerd kan
worden
- Magnitude estimation (inschatting groottes) => relatie tussen stimulus en de subjectieve
waarde van de stimulus
- Identity of stimulus => wat zie je?
- Reactietijd => de tijd tussen het laten zien van de stimuli en de respons van de observer
- Phenomenological description => hierbij wordt gevraagd wat een persoon waarneemt en
wordt aangeduid wanneer een bepaalde perceptie plaatsvindt. Vaak toegepast bij mensen
met hersenschade
- Actie => wat doet iemand
Judgements vs. action => wat personen doen is niet per se gerelateerd aan wat ze denken
,Introduction to perception
Absolute drempel kan op 3 manieren gemeten worden volgens Gustav Fechner
1. Method of limits => beginnend met een stimulus die goed waarneembaar is. De intensiteit
van deze stimulus wordt verlaagd totdat de proefpersoon de stimulus niet meer waarneemt
(crossover value). Kan ook andersom uitgevoerd worden van niet-waarneembaar naar
waarneembaar.
2. Method of adjustment => de proefpersoon verandert hierbij zelf de intensiteit. Dit gaat
sneller, maar wel minder precies
3. Method of constant stimuli => 6 verschillende intensiteiten worden 10 keer in een random
volgorde getoond. Proefpersonen moeten zeggen of ze de toon horen of niet.
Wet van Weber => gaat over de verschildrempel, zegt dat men een bepaald percentage nodig heeft
van de standaard stimulus om te zien dat er een verschil is
Δ l=k ×l
De verschil drempelwaarde heeft een bepaald constant percentage dat van de standaardwaarde
afwijkt. Om verschil te kunnen waarnemen moet de nieuwe waarde een bepaalde constante waarde
verschillen van de standaardwaarde. Dit klopt zolang de intensiteit niet te dicht bij de absolute
drempelwaarde komt
Bij magnitude estimation blijkt dat het fysieke en perceptuele verschil niet per se lineair toeneemt of
afneemt. Bijvoorbeeld bij geluid; wanneer iets 30 dB is en daarna 60 dB nemen wij het niet waar als
2x zo hard.
Steven’s power law => er is een relatie tussen de intensiteit van een stimulus en onze perceptie van
de grootte van de stimulus
n
P=k × S
- P = waargenomen grootte
- k = constante
- S = stimulus intensiteit
- n = sterkte
Response compression => de toename van de perceived magnitude
is kleiner dan de toename in stimulus intensiteit (rode lijn, n < 1.0)
Respons expansion => ontstaat wanneer de toename van de
perceived magnitude groter is dan de toename van de
daadwerkelijke intensiteit (oranje lijn, n > 1.0)
, Difference response criterion => drempelwaarde metingen kunnen beïnvloed worden doordat het
kan verschillen hoe snel een persoon ja of nee zegt
Signal detection theory => probeert drempelwaarde te meten rekening houdend met zulke gevallen.
Er wordt gekeken of er andere dingen dan de fysieke drempel zijn die de keuze tussen ja en nee
beïnvloeden
Om dit te onderzoeken is een experiment uitgevoerd. Er is 1 stimulus, een hele zwakke/lichte toon
die op of rond de drempel ligt. Er zijn twee mogelijkheden: het signaal is er wel of niet.
Deze waarden hebben ook een bepaalde naam:
Om een proefpersoon ‘minder voorzichtig’ te maken geven we payoffs => als ze het verkeerde
antwoord geven worden ze ‘gestraft’
Receiver operating characteristic curve (ROC) => ze percentage hits en false alarms tegen elkaar af
- Bepaalt hoe sensitief iemand is
HC1: introducti on to percepti on
Sensatie en perceptie
- Sensatie => wat je ziet
- Perceptie => kennis wordt gebruikt waardoor je iets bepaald gaat zien
Cyclus perceptueel proces
1. Distale stimulus
2. Licht wordt gereflecteerd en getransformeerd
3. Receptorprocessen
4. Neurale processen
5. Perceptie
6. Herkenning
7. Actie
Stap 1 & 2: stimuli
- Een persoon kan iets waarnemen doordat het licht wat op een object valt op het netvlies
wordt gereflecteerd.
- Alles wat een persoon waarneemt is niet gebaseerd op het directe contact met de stimuli,
maar op een representatie van deze stimuli die gevormd wordt op receptoren en de activiteit
in de hersenen => principle of representation
- Een distale stimulus wordt omgezet in de proximale stimulus. De proximale stimulus is een
representatie van de distale stimulus op de retina => principle of transformation
Stap 3: receptorprocessen
- Zintuigelijke receptoren (sensory receptors) reageren op energie uit de omgeving. Elk zintuig
reageert op een andere specifieke soort omgevingsenergie. Visuele receptoren doen twee
dingen wanneer ze het reflecterende licht ontvangen
1. Omgevingsenergie wordt door middel van visueel pigment omgezet in elektrische
activiteit waar de hersenen iets mee kunnen => transductie
2. Perceptie wordt gevormd op de manier zoals ze zelf reageren op de stimuli
Stap 4: neurale processen
- Het neuronennetwerk verzendt signalen van receptoren naar retina naar het brein. Het
neuronennetwerk in het brein verandert of verwerkt hierbij de signalen omdat de weg van
receptoren naar het brein geen rechte lijn is => neural processing.
- Ieder zintuig heeft een bijbehorende area in de hersenen. De elektrische activiteit komt in de
cerebrale cortex van de hersenen en gaat daar naar de zogenoemde primary receiving area
van het zintuig. Hierbinnen wordt perceptie gecreëerd:
o Occipitale lob => zicht
o Temporale lob => horen
o Pariëtale lob => aanraking, temperatuur, pijn
o Frontale lob => ontvangst signalen van elk zintuig en speelt rol in perceptie die
coördinatie van informatie ontvangen door twee of meer zintuigen bevat
,Stap 5, 6 & 7: gedragsreactie
- Perceptie => bewust zijn van een voorwerp/iets zien
- Recognition => plaatsen van een object in een categorie/benoemen wat iets is
- Visual form agnosia => aandoening waarbij je objecten niet kunt herkennen
o Delen van een object kunnen herkend worden, maar de delen kunnen niet worden
samengevoegd en het object wordt dus niet als een geheel gezien
o Gezichten kunnen overigens wel herkend worden
Perceptie is een continu veranderend proces
Kennis (knowledge)
Definitie van kennis => informatie die de ontvanger meeneemt naar een situatie, je kennis.
- Speelt rol bij het herkennen en het waarnemingsproces
Soorten waarnemingen
- Bottom-up processing => verwerking op basis van stimuli die receptoren bereikt
- Top-down processing => verwerking gebaseerd op kennis
The study of perception
Om perceptie te bestuderen is een versimpeld perceptueel proces nodig (zie afbeelding)
Deze drie relaties kunnen op verschillende manieren onderzocht worden:
- A. stimulus-perceptie relatie: Oblique effect => horizontale en verticale strepen
zijn beter in detail waar te nemen dan schuine lijnen
- B. stimulus-fysiologische relatie: experiment van David Coppola => met optical
brain imaging het verschil in hersenactiviteit meten van de visuele cortex bij een
fret.
o Resultaat: horizontale en verticale strepen veroorzaken grotere
hersenactiviteit dan schuine strepen
- C. fysiologische-perceptie relatie
o Resultaat: grotere hersenactiviteit bij het waarnemen van horizontale en verticale
lijnen en gevoeliger voor het beoordelen van horizontale en verticale lijnen
Verschillende manieren om perceptie te meten:
- Absolute drempel => minimale stimulus intensiteit die gedetecteerd kan worden
- Verschil drempel => minimale verschil tussen twee stimuli intensiteiten die gedetecteerd kan
worden
- Magnitude estimation (inschatting groottes) => relatie tussen stimulus en de subjectieve
waarde van de stimulus
- Identity of stimulus => wat zie je?
- Reactietijd => de tijd tussen het laten zien van de stimuli en de respons van de observer
- Phenomenological description => hierbij wordt gevraagd wat een persoon waarneemt en
wordt aangeduid wanneer een bepaalde perceptie plaatsvindt. Vaak toegepast bij mensen
met hersenschade
- Actie => wat doet iemand
Judgements vs. action => wat personen doen is niet per se gerelateerd aan wat ze denken
,Introduction to perception
Absolute drempel kan op 3 manieren gemeten worden volgens Gustav Fechner
1. Method of limits => beginnend met een stimulus die goed waarneembaar is. De intensiteit
van deze stimulus wordt verlaagd totdat de proefpersoon de stimulus niet meer waarneemt
(crossover value). Kan ook andersom uitgevoerd worden van niet-waarneembaar naar
waarneembaar.
2. Method of adjustment => de proefpersoon verandert hierbij zelf de intensiteit. Dit gaat
sneller, maar wel minder precies
3. Method of constant stimuli => 6 verschillende intensiteiten worden 10 keer in een random
volgorde getoond. Proefpersonen moeten zeggen of ze de toon horen of niet.
Wet van Weber => gaat over de verschildrempel, zegt dat men een bepaald percentage nodig heeft
van de standaard stimulus om te zien dat er een verschil is
Δ l=k ×l
De verschil drempelwaarde heeft een bepaald constant percentage dat van de standaardwaarde
afwijkt. Om verschil te kunnen waarnemen moet de nieuwe waarde een bepaalde constante waarde
verschillen van de standaardwaarde. Dit klopt zolang de intensiteit niet te dicht bij de absolute
drempelwaarde komt
Bij magnitude estimation blijkt dat het fysieke en perceptuele verschil niet per se lineair toeneemt of
afneemt. Bijvoorbeeld bij geluid; wanneer iets 30 dB is en daarna 60 dB nemen wij het niet waar als
2x zo hard.
Steven’s power law => er is een relatie tussen de intensiteit van een stimulus en onze perceptie van
de grootte van de stimulus
n
P=k × S
- P = waargenomen grootte
- k = constante
- S = stimulus intensiteit
- n = sterkte
Response compression => de toename van de perceived magnitude
is kleiner dan de toename in stimulus intensiteit (rode lijn, n < 1.0)
Respons expansion => ontstaat wanneer de toename van de
perceived magnitude groter is dan de toename van de
daadwerkelijke intensiteit (oranje lijn, n > 1.0)
, Difference response criterion => drempelwaarde metingen kunnen beïnvloed worden doordat het
kan verschillen hoe snel een persoon ja of nee zegt
Signal detection theory => probeert drempelwaarde te meten rekening houdend met zulke gevallen.
Er wordt gekeken of er andere dingen dan de fysieke drempel zijn die de keuze tussen ja en nee
beïnvloeden
Om dit te onderzoeken is een experiment uitgevoerd. Er is 1 stimulus, een hele zwakke/lichte toon
die op of rond de drempel ligt. Er zijn twee mogelijkheden: het signaal is er wel of niet.
Deze waarden hebben ook een bepaalde naam:
Om een proefpersoon ‘minder voorzichtig’ te maken geven we payoffs => als ze het verkeerde
antwoord geven worden ze ‘gestraft’
Receiver operating characteristic curve (ROC) => ze percentage hits en false alarms tegen elkaar af
- Bepaalt hoe sensitief iemand is