Hoofdstuk 1: Inkomen verdienen
De toegevoegde waarde kun je berekenen op 2 manieren:
1. Omzet - inkoopwaarde
2. Verdiende inkomens (loon, pacht, huur, rente, winst)
Je kunt een belangrijke conclusie trekken namelijk:
Toegevoegde waarde = productie (waarde) = inkomen
Primaire inkomen
inkomstenbelasting en sociale premies
sociale uitkeringen en subsidies/toeslagen
————————————————————
= secundaire inkomen (=besteedbaar inkomen)
RIC = NIC
——
PIC
RIC = indexcijfer reëel inkomen
NIC = indexcijfer nominaal inkomen
PIC = prijsindexcijfer
LQ = loon / binnenlands inkomen x 100%
AIQ = loon + toegerekend loon zelfstandigen / binnenlands inkomen x 100%
OIQ = 100% - AIQ
Hoofdstuk 2: de ecologische kringloop
Het bruto binnenlands product (bbp) = bruto binnenlands inkomen
Productie = inkomen
Economische kringloop
Bruto-investeringen:
1. Vervangingsinvesteringen: in vaste kapitaalgoederen die meerdere jaren meegaan. Via
afschrijvingen.
2. Uitbreidingsinvesteringen: ook vaste activa maar als gevolg meer productie (netto-investeringen)
3. Investeringen in voorraden: langere vraag (netto-investeringen)
Netto binnenlands product = bruto binnenlands product - afschrijvingen
Personele overheidsconsumptie = salarissen ambtenaren
Materiële overheidsconsumptie = inkopen bij bedrijven
EV = effectieve vraag = bestedingen = C + I + O + E - M
EV —> W —> Y
EV = W = Y in euro’s
Dus als EV = Y dan Y = C + I + O + E - M (C + I + O is nationale bestedingen)
Y=C+S+B
Dus C + S + B = C + I + O + E - M
—> S = I + O - B + E - M
Spaargeld wordt gebruikt om de investeringen van een bedrijf te financieren, om de saldo van de
overheid te financieren en om het saldo van het buitenland te financieren.
O - B is overheidstekort/saldo overheid
E - M is saldo lopende rekening/saldo buitenland
S - I + B - O = E - M —> nationaal spaarsaldo