Internationaal Publiekrecht
Week 1:
Doel van internationaal recht:
- Scheppen van orde en rechtszekerheid in internationale relaties tussen staten.
- Behartiging publieke werelddoelstellingen.
Kenmerken internationale rechtsorde:
- Decentraal (horizontaal) karakter
- (Vreedzame) co-existentie
- Onderlinge afhankelijkheid
- Grote invloed van politieke factoren en machtsfactoren
Dualisme:
als een land een verdrag sluit moet de tekst van een verdrag eerst getransformeerd
worden in nationale regelgeving. Je kan je als burger alleen beroepen op het
omgezette recht.
Monisme:
rechtsregels uit een verdrag kunnen deel uitmaken van het nationale recht zonder
dat er een omzetting naar het nationaal recht voor nodig is.
Toetsingsverbod: Art. 120 Gw.
De rechter mag niet beoordelen of formele wetten en verdragen kloppen met de
Grondwet.
Week 2:
(Internationaal) rechtssubject = drager van (internationale) rechten en plichten
Wat mag je als rechtssubject?
- Testament opmaken
- Overeenkomsten sluiten
Wat mag het intern. rechtssubject ‘staat’?
- Wetten maken
- Verdragen sluiten
Wat mag het internationaalrechtelijke rechtssubject ‘mens’?
- EVRM
- Vrijheid van meningsuiting
Wat mag het internationaal rechtssubject ‘volk’?
- Zelfbeschikkingsrecht > betekent niet dat volken een eigen staat kunnen
beginnen.
Wat mag het internationaalrechtelijke rechtssubject ‘bevrijdingsbeweging’?
- Hebben soms rechten en plichten, indien het noodzakelijk is voor het land.
Ben je tegen? = Bevrijdingsbeweging
Ben je voor? = Terroristen
, Internationale rechtssubjecten:
1. Staten: criteria
- Grondgebied
- Bevolking
- Regering/soeverein gezag
- Erkenning
2. Internationale organisaties:
- Opgericht door staten door middel van verdragen
= zijn allemaal intergouvernementele organisaties.
- Beperkte rechten en plichten (doelstellingen).
= Mogen alleen maar dingen doen waar ze voor zijn opgericht.
- Sommige hebben meer of minder sterke supranationale kenmerken.
3. Mensen (natuurlijke personen)
4. Volken
5. De-factoregeringen/de-factorregimes
- De-factoregering = een staat die niet of nauwelijks erkend is.
6. Bevrijdingsbewegingen
7. Internationale ondernemingen (rechtspersonen)
8. (NGO’s) Non-Gouvernementele Organisaties
- Opgericht door individuen
- Op basis van nationaal (privaat)recht opgericht (vaak stichting of
vereniging)
dus niet gebaseerd op regels van internationaal recht.
- Ondanks mondiale en regionale invloed in beginsel geen internationaal
rechtssubject.
Rechtsmacht: (Hoofdstuk 3)
Territoriale rechtsmacht
Functionele rechtsmacht
Personele rechtsmacht (paragraaf 3.4)
- Territorialiteitsbeginsel :
o Subjectief: Gebeurt in Nederland.
o Objectief: Het gevolg vanuit het buitenland.
- Nationaliteitsbeginsel:
o Actief: De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een
Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan o.a.
misdrijven. (zolang het ook strafbaar is in het land, waar het
gepleegd is).
o Passief: De Nederlandse rechter is bevoegd kennis te nemen van
strafbare feiten die in het buitenland tegen een Nederlander
gepleegd zijn.
- Beschermingsbeginsel: spionage
- Universaliteitsbeginsel
Week 3:
Week 1:
Doel van internationaal recht:
- Scheppen van orde en rechtszekerheid in internationale relaties tussen staten.
- Behartiging publieke werelddoelstellingen.
Kenmerken internationale rechtsorde:
- Decentraal (horizontaal) karakter
- (Vreedzame) co-existentie
- Onderlinge afhankelijkheid
- Grote invloed van politieke factoren en machtsfactoren
Dualisme:
als een land een verdrag sluit moet de tekst van een verdrag eerst getransformeerd
worden in nationale regelgeving. Je kan je als burger alleen beroepen op het
omgezette recht.
Monisme:
rechtsregels uit een verdrag kunnen deel uitmaken van het nationale recht zonder
dat er een omzetting naar het nationaal recht voor nodig is.
Toetsingsverbod: Art. 120 Gw.
De rechter mag niet beoordelen of formele wetten en verdragen kloppen met de
Grondwet.
Week 2:
(Internationaal) rechtssubject = drager van (internationale) rechten en plichten
Wat mag je als rechtssubject?
- Testament opmaken
- Overeenkomsten sluiten
Wat mag het intern. rechtssubject ‘staat’?
- Wetten maken
- Verdragen sluiten
Wat mag het internationaalrechtelijke rechtssubject ‘mens’?
- EVRM
- Vrijheid van meningsuiting
Wat mag het internationaal rechtssubject ‘volk’?
- Zelfbeschikkingsrecht > betekent niet dat volken een eigen staat kunnen
beginnen.
Wat mag het internationaalrechtelijke rechtssubject ‘bevrijdingsbeweging’?
- Hebben soms rechten en plichten, indien het noodzakelijk is voor het land.
Ben je tegen? = Bevrijdingsbeweging
Ben je voor? = Terroristen
, Internationale rechtssubjecten:
1. Staten: criteria
- Grondgebied
- Bevolking
- Regering/soeverein gezag
- Erkenning
2. Internationale organisaties:
- Opgericht door staten door middel van verdragen
= zijn allemaal intergouvernementele organisaties.
- Beperkte rechten en plichten (doelstellingen).
= Mogen alleen maar dingen doen waar ze voor zijn opgericht.
- Sommige hebben meer of minder sterke supranationale kenmerken.
3. Mensen (natuurlijke personen)
4. Volken
5. De-factoregeringen/de-factorregimes
- De-factoregering = een staat die niet of nauwelijks erkend is.
6. Bevrijdingsbewegingen
7. Internationale ondernemingen (rechtspersonen)
8. (NGO’s) Non-Gouvernementele Organisaties
- Opgericht door individuen
- Op basis van nationaal (privaat)recht opgericht (vaak stichting of
vereniging)
dus niet gebaseerd op regels van internationaal recht.
- Ondanks mondiale en regionale invloed in beginsel geen internationaal
rechtssubject.
Rechtsmacht: (Hoofdstuk 3)
Territoriale rechtsmacht
Functionele rechtsmacht
Personele rechtsmacht (paragraaf 3.4)
- Territorialiteitsbeginsel :
o Subjectief: Gebeurt in Nederland.
o Objectief: Het gevolg vanuit het buitenland.
- Nationaliteitsbeginsel:
o Actief: De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een
Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan o.a.
misdrijven. (zolang het ook strafbaar is in het land, waar het
gepleegd is).
o Passief: De Nederlandse rechter is bevoegd kennis te nemen van
strafbare feiten die in het buitenland tegen een Nederlander
gepleegd zijn.
- Beschermingsbeginsel: spionage
- Universaliteitsbeginsel
Week 3: