De Geo 3VWO H2 Nederland verandert
Uittreksels Basisboek
B8 Dimensies
► Vijf invalshoeken of dimensies:
● fysische dimensie: natuurlijke onderwerpen
● economische dimensie: geld verdienen, werkgelegenheid
● sociaal-culturele dimensie: talen, godsdiensten, leefomstandigheden, andere
kenmerken van bewoners
● demografische dimensie: aantal mensen en veranderingen
● politieke dimensie: politieke invloed van groepen
B12 Kenmerken van kaarten
► Kaart: tekening van een stuk van het aardoppervlak. Hierop staan vier dingen:
titel, legenda, schaal en noordpijl of windroos.
● De titel: welk gebied, (soms) welk soort kaart.
● Kaartsymbolen: kleuren, arceringen, tekens.
Legenda: verklaring van kleuren en kaartsymbolen.
● Schaal: verhouding in grootte tussen kaart en werkelijkheid.
■ De schaal wordt uitgedrukt als een verhouding of met behulp van het schaalstokje.
B22 Onderzoeksplan
► Stappenplan geografisch onderzoek (figuur 1.29):
Stap 1 Wat ga je doen? – Vragen stellen
Gebied, onderwerp, bronnen, hoofd- en deelvragen.
Stap 2 Hoe ga je het doen? – Plannen
Tijd, personen, werkverdeling.
Stap 3 Doen! – Informatie verzamelen en verwerken
Bronnen lezen en verwerken, vragen beantwoorden.
Stap 4 Laten zien – Presenteren
Presentatie
Stap 5 Terugblik
Samenwerking, reflectie
B144 Demografische druk
► Bevolking in drie groepen: jongeren (0-20 jaar), productieven (20-65 jaar) en
ouderen (65+).
● Demografische druk: verhouding tussen de productieve groep en de niet-
productieve groepen. Druk wordt groter door vergrijzing en ontgroening.
■ Formule: aantal 0 tot 20 jaar + aantal 65+ x 100% = demografische druk
aantal 20 tot 65 jaar
Hoe hoger de uitkomst, hoe groter de demografische druk.
■ Groene druk: druk van groep 0-20 jaar op groep 20-65 jaar.
Grijze druk: druk van groep 65+ op groep 20-65 jaar.
B160 Stedelijk gebied
► Agglomeratie: een stad met daaraan vastgegroeide (voor)steden en dorpen.
De Geo, aardrijkskunde voor de onderbouw - Uittreksels 3 vwo BB – h2 antw © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort 2016
, Centrale stad: belangrijkste stad van een agglomeratie met meeste inwoners, werk en
voorzieningen.
● Stadsgewest: alle dorpen en steden die voor werk en voorzieningen op een centrale
stad zijn gericht 🡪 uitgebreider dan agglomeratie: niet alleen bebouwing.
● Tussen stadsgewesten zit weinig ruimte 🡪 stedelijk gebied: stadsgewesten die (bijna)
aan elkaar zijn vastgegroeid. Voorbeeld in Nederland: de Randstad.
● Megalopolis: een aantal aaneengesloten stedelijke gebieden met daarin meerdere
centrale steden die ieder meer dan 1 miljoen inwoners hebben. Voorbeeld: BosWash-
megalopolis.
B164 Compacte stad en re-urbanisatie
►Suburbanisatie 🡪 afname bevolking steden.
Locaties van nieuwe woonwijken: oude bedrijventerreinen, oude binnenstad en aan
de rand van de stad = compacte stad-beleid.
● Nieuwbouw 🡪 re-urbanisatie: na jaren van bevolkingsafname een stijging van het
aantal inwoners.
B166 Model van een stad
►Overeenkomsten tussen steden:
● Oudste deel: historische binnenstad. Belangrijkste ruimtegebruikers: werken,
winkelen, uitgaan.
● Kantoren-, winkel- en uitgaansgebied = stadscentrum, centrale zakenwijk of het
central business district (cbd). Meestal uitgebreider dan de historische binnenstad.
● Rand van de binnenstad: oude fabrieksterreinen en woonwijken voor arbeiders.
Tegenwoordig andere bestemming: wonen, recreatie, kantoren.
● Rand van de stad: nieuwe woonwijken. Meer ruimte voor parken en sportterreinen.
Bedrijventerreinen in de buurt van snelwegen.
B167 Cityvorming en stedelijke vernieuwing
►Grondgebruik in de stad verandert voortdurend.
● Cityvorming: verdringing van de woonfunctie door kantoren en winkels. Vernoemd
naar de City of London.
● Na 1960: bedrijven verhuizen van de rand van de binnenstad naar de rand van de
stad of naar voorsteden.
Voordelen: meer ruimte, goedkopere grond, goede bereikbaarheid.
Oude fabrieksterreinen 🡪 werken, wonen en/of recreatie.
Verandering van ruimtegebruik is een vorm van stedelijke vernieuwing.
B168 Grondprijs en ruimtegebruik
► Ruimtegebruik: gebruik van de ruimte voor wonen, werken, verkeer of recreatie.
In een stad bepaald door de prijs van grond.
Vraag hoger dan aanbod 🡪 prijs hoger 🡪 veel hoogbouw.
● Hoe verder van het stadscentrum, hoe lager de grondprijzen.
Aan de rand van de stad: minder concurrentie 🡪 lagere prijzen 🡪 lagere woningdichtheid
(het aantal woningen per vierkante kilometer).
B169 Ruimtelijke ordening
► Ruimtelijke ordening: het maken van plannen voor de inrichting van een gebied.
Uiteindelijke beslissing door de overheid.
De Geo, aardrijkskunde voor de onderbouw - Uittreksels 3 vwo BB – h2 antw © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort 2016
Uittreksels Basisboek
B8 Dimensies
► Vijf invalshoeken of dimensies:
● fysische dimensie: natuurlijke onderwerpen
● economische dimensie: geld verdienen, werkgelegenheid
● sociaal-culturele dimensie: talen, godsdiensten, leefomstandigheden, andere
kenmerken van bewoners
● demografische dimensie: aantal mensen en veranderingen
● politieke dimensie: politieke invloed van groepen
B12 Kenmerken van kaarten
► Kaart: tekening van een stuk van het aardoppervlak. Hierop staan vier dingen:
titel, legenda, schaal en noordpijl of windroos.
● De titel: welk gebied, (soms) welk soort kaart.
● Kaartsymbolen: kleuren, arceringen, tekens.
Legenda: verklaring van kleuren en kaartsymbolen.
● Schaal: verhouding in grootte tussen kaart en werkelijkheid.
■ De schaal wordt uitgedrukt als een verhouding of met behulp van het schaalstokje.
B22 Onderzoeksplan
► Stappenplan geografisch onderzoek (figuur 1.29):
Stap 1 Wat ga je doen? – Vragen stellen
Gebied, onderwerp, bronnen, hoofd- en deelvragen.
Stap 2 Hoe ga je het doen? – Plannen
Tijd, personen, werkverdeling.
Stap 3 Doen! – Informatie verzamelen en verwerken
Bronnen lezen en verwerken, vragen beantwoorden.
Stap 4 Laten zien – Presenteren
Presentatie
Stap 5 Terugblik
Samenwerking, reflectie
B144 Demografische druk
► Bevolking in drie groepen: jongeren (0-20 jaar), productieven (20-65 jaar) en
ouderen (65+).
● Demografische druk: verhouding tussen de productieve groep en de niet-
productieve groepen. Druk wordt groter door vergrijzing en ontgroening.
■ Formule: aantal 0 tot 20 jaar + aantal 65+ x 100% = demografische druk
aantal 20 tot 65 jaar
Hoe hoger de uitkomst, hoe groter de demografische druk.
■ Groene druk: druk van groep 0-20 jaar op groep 20-65 jaar.
Grijze druk: druk van groep 65+ op groep 20-65 jaar.
B160 Stedelijk gebied
► Agglomeratie: een stad met daaraan vastgegroeide (voor)steden en dorpen.
De Geo, aardrijkskunde voor de onderbouw - Uittreksels 3 vwo BB – h2 antw © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort 2016
, Centrale stad: belangrijkste stad van een agglomeratie met meeste inwoners, werk en
voorzieningen.
● Stadsgewest: alle dorpen en steden die voor werk en voorzieningen op een centrale
stad zijn gericht 🡪 uitgebreider dan agglomeratie: niet alleen bebouwing.
● Tussen stadsgewesten zit weinig ruimte 🡪 stedelijk gebied: stadsgewesten die (bijna)
aan elkaar zijn vastgegroeid. Voorbeeld in Nederland: de Randstad.
● Megalopolis: een aantal aaneengesloten stedelijke gebieden met daarin meerdere
centrale steden die ieder meer dan 1 miljoen inwoners hebben. Voorbeeld: BosWash-
megalopolis.
B164 Compacte stad en re-urbanisatie
►Suburbanisatie 🡪 afname bevolking steden.
Locaties van nieuwe woonwijken: oude bedrijventerreinen, oude binnenstad en aan
de rand van de stad = compacte stad-beleid.
● Nieuwbouw 🡪 re-urbanisatie: na jaren van bevolkingsafname een stijging van het
aantal inwoners.
B166 Model van een stad
►Overeenkomsten tussen steden:
● Oudste deel: historische binnenstad. Belangrijkste ruimtegebruikers: werken,
winkelen, uitgaan.
● Kantoren-, winkel- en uitgaansgebied = stadscentrum, centrale zakenwijk of het
central business district (cbd). Meestal uitgebreider dan de historische binnenstad.
● Rand van de binnenstad: oude fabrieksterreinen en woonwijken voor arbeiders.
Tegenwoordig andere bestemming: wonen, recreatie, kantoren.
● Rand van de stad: nieuwe woonwijken. Meer ruimte voor parken en sportterreinen.
Bedrijventerreinen in de buurt van snelwegen.
B167 Cityvorming en stedelijke vernieuwing
►Grondgebruik in de stad verandert voortdurend.
● Cityvorming: verdringing van de woonfunctie door kantoren en winkels. Vernoemd
naar de City of London.
● Na 1960: bedrijven verhuizen van de rand van de binnenstad naar de rand van de
stad of naar voorsteden.
Voordelen: meer ruimte, goedkopere grond, goede bereikbaarheid.
Oude fabrieksterreinen 🡪 werken, wonen en/of recreatie.
Verandering van ruimtegebruik is een vorm van stedelijke vernieuwing.
B168 Grondprijs en ruimtegebruik
► Ruimtegebruik: gebruik van de ruimte voor wonen, werken, verkeer of recreatie.
In een stad bepaald door de prijs van grond.
Vraag hoger dan aanbod 🡪 prijs hoger 🡪 veel hoogbouw.
● Hoe verder van het stadscentrum, hoe lager de grondprijzen.
Aan de rand van de stad: minder concurrentie 🡪 lagere prijzen 🡪 lagere woningdichtheid
(het aantal woningen per vierkante kilometer).
B169 Ruimtelijke ordening
► Ruimtelijke ordening: het maken van plannen voor de inrichting van een gebied.
Uiteindelijke beslissing door de overheid.
De Geo, aardrijkskunde voor de onderbouw - Uittreksels 3 vwo BB – h2 antw © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort 2016