Homeostase
• Het interne milieu (bloed en weefselvloeistof) moeten zoveel mogelijk
constant blijven.
Hiervoor geven allerlei sensoren informatie aan de hypothalamus.
De hypothalamus stuurt op haar beurt effectoren aan (spieren en klieren)
Op deze manier worden o.a.:
• Temperatuur
• pH
• bloedsuikerspiegel
• osmotische waarde vloeistoffen
• zuurstofgehalte van het bloed
geregeld
Hormoonstelsel
Het hormoonstelsel bestaat uit hormoonklieren die hormonen produceren en daarna
afgeven aan het bloed.
Kenmerken van hormonen:
• Ze regelen de werking van doelwitorganen
• Ze hebben een specifieke molecuulstructuur die allen door receptoreiwitten
op of in celen van een doelwitorgaan wordt herkend.
• De mate van reactie van doelwitorganen wordt bepaald door de concentratie
van het hormoon in het bloed (hormoonspiegel).
• Ze worden afgebroken door de lever.
• De regelende werking van hormonen vindt meestal plaats door negatieve
terugkoppeling
Hormonen
Hormonen algemeen:
• Ze werken relatief langzaam (vergeleken met zenuwcel).
• Het effect duurt relatief lang (vergeleken met zenuwcel).
Steroïdhormonen (gemaakt uit cholesterol):
• Zijn vetoplosbaar: ze gaan door membranen.
• Kunnen genen aan- of uitzetten.
• Langzamere, langere werking.