Natuurlijke selectie: individuen met gunstige eigenschappen die een overlevings- of
voortplantingsvoordeel geven, hebben meer kans om hun genen door te geven aan de volgende
generatie.
Voorwaarden: variatie, overerving (inherintance), selectie
Producenten: adaptaties, bijproducten, random effecten (noise)
Survival (doorgeven van genen door voortplanting) of the fittest (het best aangepast aan de
omgeving).
Seksuele selectie: biologisch proces waarbij individuen met bepaalde eigenschappen een
grotere kans hebben om een parter te vinden en zicht voort te platen, wat leidt tot het
doorgeven van eigenschappen aan volgende generaties.
Intraseksuele competitie: binnen sekse. Bv: vechten en status.
Interseksuele competitie: buiten sekse. Bv. aantrekkelijke eigenschappen.
Inclusive fitness: waarom een individu zorgt voor het nageslacht
Parental investment theory: geslacht die meer investeert in het nageslacht is selectiever in
de partner keuze, de ander toont meer intraseksueel gedrag.
Theory of parent-offspring conflict: wat optimaal is voor het kind, hoeft niet optimaal te zijn
voor de ouder
Theory of reciprocal altruism: individu vermindert eigen fitheid om fitheid van nageslacht te
verbeteren in de veronderstelling dat nageslacht dat later doet voor dat individu.
Aanvulling boek:
Soorten altruism: kin selection (helpen van familie omdat ze genen delen), reciprocal
altruism (helpen in verwachten terughelpen), group selection (groepen functioneren beter)
HC1 - zenuwstelsel
, Het perifeer zenuwstelsel: neuronen en gliacellen (bieden stevigheid + isolatielaag)
Het centraal zenuwstelsel: hersenen en ruggenmerg
Het autonoom zenuwstelsel: automatische handelingen
Het somatisch zenuwstelsel: bewuste handelingen
Het sympatisch zenuwselsel: zet lichaam in actieve stand
Het parasympatische zenuwstelsel: zet lichaam in rust stand
Aanvulling boek:
het enterische zenuwstelsel: de neuronen in het spijsverteringskanaal, kunnen zonder
imput van de hersenen functioneren.
HC1- anatomie brein
Het brein bestaat uit het forebrain, midbrain en hindbrain.
Het forebrain bestaat uit de cerebrale cortex en subcoritcale structuren zoals de diencephalon (=
thalamus + hypothalamus), het lymbisch systeem (= amygdala + hippocampus) en het striatum
(= accumbens + putamen + caudate).
thalamus: signalen van zintuigen naar cortex sturen + filter informatie
hypothalamus: homeostase, hartslag, bloeddruk, lichaamstemperatuur dmv
hormoonproductie
amygdala: emoties
hippocampus: geheugen
striatum: beloningsgebied, leren, keuzes maken en actie
De cerebrale cortex bestaat uit vier kwabben:
De prefrontaal kwab: planning, motivatie, redeneren
De parietaal kwab: aanraking, spier aansturing, integratie van informatie, ruimtelijk denken
De occipitaal kwab: visuele informatie
De temporaal kwab: gehoor, spraak, geheugen
Ventraal = buikkant
Dorsaal = rugkant
Aanvulling boek:
de hersenstam/truncus cerebri is het eerste station van prikkelverwerking en bestaat uit
drie zones:
1. het verlengde ruggenmerg/medula: overgang ruggenmerg naar hersenen, neuronen komen
hier binnen, motorneuronen maken de oversteek
2. de pons: brug tussen grote en kleine hersenen, de hersenzenuwen van de zintuigen zitten,
zenuwen die belangrijk zijn voor ademhaling, slaapregulatie, evenwicht, hoofdbeweging,