Theorie en praktijk onderzoeksmethoden WK 1 - HC 1: 02-06-2014
Het Stolker-debat in 2002: Carel Stolker is een privatist gespecialiseerd in onrechtmatige daad
die een artikel publiceerde: “Ja, geleerd zijn jullie wel”. Maar hij vond de rechtsgeleerdheid
geen wetenschap. Er kwam een stortvloed van reacties, o.a. door het Nederlands Juristen
Blad. Dit was zo vanwege een aantal dingen:
Het heeft te maken met de verdeling van onderzoeksgelden: de juristen hadden altijd
het nakijken bij de verdeling van de beurzen, omdat het zogenaamd geen wetenschap
is.
Het verschil tussen HBO en Universiteit: waarin onderscheidt de universiteit zich ten
opzichte van het Hbo. Het academische karakter van de universiteit zette sterker aan.
De relatie tot andere wetenschappelijke disciplines
Relatie met de rechtspraktijk
Zorgen over de kwaliteit van het rechtswetenschappelijk onderzoek
De lijn van het betoog van Stolker was dat hij begon met de constatering, Baby Kelly zaak
(Wrongful life), dat er negen antwoorden werden gegeven op de vraag hoe de rechter met
deze zaak moest omgaan. En als dit zo is, kan de rechtswetenschap dan wel een wetenschap
zijn als er zoveel antwoorden zijn. Vervolgens gaat hij in op een aantal vragen zoals wat
wetenschap is, welke typen wetenschap er zijn en hoe is rechtsgeleerdheid dan te plaatsen.
Ook gaat hij in op wat de rechtsgeleerdheid kwetsbaar maakt, waarbij hij aanbevelingen doet
hoe dit verbeterd kan worden.
Wetenschap is kennis gebaseerd op feiten. Het empirisme heeft in de 17e eeuw de basis, dit
betekent de wetenschap die gebaseerd is op kennis door feiten, wat dan ontstaat door
waarneming. Er ontstaan dan twee vragen:
Hoe ken je de feiten?
Dit kan door middel van waarneming en het gebruik van de zintuigen. De
veronderstellingen zijn dat wie ook de blik werpt op het object, dat iedereen dezelfde
waarneming heeft en dus allemaal dezelfde kennis hebben. Maar dit heeft wel zijn
nadelen. Als je hetzelfde feit ziet, kun je het toch op andere manieren waarnemen. En
taal is nodig om een object te herkennen met een conceptueel kader en ervaring. Al
deze aspecten hebben invloed op de waarneming.
Hoe kom je van feiten naar wetten en theorieën?
Als de feiten zijn geconstateerd, dan moet er algemene kennis worden afgeleid. Een
mogelijkheid is deductie (logisch redeneren): alle x zijn y, z is x en dus is z is y. Dit is
een geldige redenering, maar is geen zelfstandige bron van kennis over de
werkelijkheid. Inductie is een ander alternatief als een manier om kennis te werven
over de werkelijkheid. Dit is: als een groot aantal keer is waargenomen onder
verschillende omstandigheden en als X dan steeds eigenschap Y had, dan heeft elke X
eigenschap Y. Met andere woorden, het is het generaliseren van herhalingen. Aan dit
principe van inductie, wat een klassiek principe is van het empirisme over het
verwerven van wetenschappelijke kennis, heeft verschillende problemen. Namelijk
hoeveel herhalingen moeten er worden gedaan om te mogen concluderen. Daarnaast
spelen de omstandigheden een rol en de vraag is welke omstandigheden er dan
gevarieerd moeten worden. Als je het principe wilt bewijzen, dan kun je alleen weer
verwijzen naar de inductie en je kan dan geen onafhankelijk verdediging geven van
het principe van inductie.
, Karl Popper komt met een heel ander idee over hoe wetenschappelijke kennis tot stand komt.
Volgens hem moet dit niet volgens inductie, vanwege de problemen die het oproept. Dus dan
moet het namelijk via een wetenschappelijke uitspraak die gefalsifieerd kan worden: waarvan
de waarheid weerlegd kan worden. Er wordt een uitspraak gedaan over de werkelijkheid,
zolang het tegendeel niet is bewezen, mag er worden uitgegaan van de uitspraak dat dit de
waarheid is.
Bij inductie is het nodige om veel waarnemingen te hebben, bij Popper is er maar één idee of
waarneming nodig, zolang hij maar falsifieerbaar is.
De waarnemingen dat leidt tot kennis, is wetenschap. Deze waarnemingen zijn heel beperkt
voor de rechtsgeleerdheid, echter zijn ze niet compleet onbruikbaar, want soms wordt er wel
gebruik van gemaakt (extern perspectief). Maar over het algemeen het idee wat
wetenschappelijke kennis is, is de waarde beperkt. Een aantal redenen zijn:
1. Waar natuurlijk de falsificatie en het empirisme van uitgaan, is het uitspraken maken
van de externe werkelijkheid. Dus er worden er vragen gesteld over rechtsnormen
(niet over feiten).
2. De kennis beoogt dan ook om universeel geldige uitspraken te doen, dat is de
natuurwetenschappelijke werkelijkheid. Dit geldt niet voor de rechtswetenschap.
Het natuurwetenschappelijk model toepassen op de rechtsgeleerdheid levert grote problemen
op, met name op het klassiek juridische onderzoek ofwel het onderzoek vanuit het interne
perspectief. De natuurwetenschappelijke kennis pretendeert objectief te zijn en op een
neutrale wijze naar de werkelijkheid te kijken en uitspraken te doen die universeel geldig zijn.
Maar in de praktijk zijn het gewone mensen in de natuurwetenschap: om wetenschappelijke
kennis aanvaard te krijgen, zit er een sociale kant aan.
De rechtsgeleerdheid heeft zelfstandige onderzoeksvragen: primair over rechtsnormen en
eigen manier om vragen tot een oplossing te brengen. Afwegend tot de natuurwetenschap, is
het zogenaamd geen wetenschap. Maar dit moet niet de enige standaard zijn. Daarom is er een
onderverdeling:
Natuurwetenschappen
Gammawetenschappen: gedrag en sociologie
Alfawetenschappen: geschiedenis, filosofie, letterkunde etc.
Om rechtsgeleerdheid in te delen, dan hangt dat af naar wat voor soort rechtsgeleerdheid je
kijkt. Als je het opvat als klassiek juridisch onderzoek vanuit het interne perspectief, heeft een
alfa karakter, want de tekst wordt bestudeerd en uitgelegd. Maar er zijn ook disciplines van
rechtsgeleerdheid (rechtseconomie, rechtssociologie) die kijken hoe het recht daadwerkelijk
functioneert, het externe perspectief, wat kan worden onderverdeeld in het alfa en het gamma
deel.
De rechtsgeleerdheid is een apart soort wetenschap en zit tussen het alfa en gamma in. Stolker
bracht een aantal uitspraken naar voren. Er zijn alsnog een paar punten waarbij de
wetenschappelijkheid in het geding komt:
Normatieve oriëntatie van de rechtswetenschappen. Stolker zegt dat het in het geding
is omdat er een te normatieve oriëntatie is. Hiermee wordt bedoeld dat er een regel is,
die toepasbaar is op de feiten. De regel verhoudt zich dan tot die feiten als een norm
tot die feiten. Terwijl de regel ook als norm kan fungeren, maar ook als een feit. Dus
als voorbeeld: Relatie regel 11 (buitenspelregel) tot afgekeurd doelpunt van Messi is
Het Stolker-debat in 2002: Carel Stolker is een privatist gespecialiseerd in onrechtmatige daad
die een artikel publiceerde: “Ja, geleerd zijn jullie wel”. Maar hij vond de rechtsgeleerdheid
geen wetenschap. Er kwam een stortvloed van reacties, o.a. door het Nederlands Juristen
Blad. Dit was zo vanwege een aantal dingen:
Het heeft te maken met de verdeling van onderzoeksgelden: de juristen hadden altijd
het nakijken bij de verdeling van de beurzen, omdat het zogenaamd geen wetenschap
is.
Het verschil tussen HBO en Universiteit: waarin onderscheidt de universiteit zich ten
opzichte van het Hbo. Het academische karakter van de universiteit zette sterker aan.
De relatie tot andere wetenschappelijke disciplines
Relatie met de rechtspraktijk
Zorgen over de kwaliteit van het rechtswetenschappelijk onderzoek
De lijn van het betoog van Stolker was dat hij begon met de constatering, Baby Kelly zaak
(Wrongful life), dat er negen antwoorden werden gegeven op de vraag hoe de rechter met
deze zaak moest omgaan. En als dit zo is, kan de rechtswetenschap dan wel een wetenschap
zijn als er zoveel antwoorden zijn. Vervolgens gaat hij in op een aantal vragen zoals wat
wetenschap is, welke typen wetenschap er zijn en hoe is rechtsgeleerdheid dan te plaatsen.
Ook gaat hij in op wat de rechtsgeleerdheid kwetsbaar maakt, waarbij hij aanbevelingen doet
hoe dit verbeterd kan worden.
Wetenschap is kennis gebaseerd op feiten. Het empirisme heeft in de 17e eeuw de basis, dit
betekent de wetenschap die gebaseerd is op kennis door feiten, wat dan ontstaat door
waarneming. Er ontstaan dan twee vragen:
Hoe ken je de feiten?
Dit kan door middel van waarneming en het gebruik van de zintuigen. De
veronderstellingen zijn dat wie ook de blik werpt op het object, dat iedereen dezelfde
waarneming heeft en dus allemaal dezelfde kennis hebben. Maar dit heeft wel zijn
nadelen. Als je hetzelfde feit ziet, kun je het toch op andere manieren waarnemen. En
taal is nodig om een object te herkennen met een conceptueel kader en ervaring. Al
deze aspecten hebben invloed op de waarneming.
Hoe kom je van feiten naar wetten en theorieën?
Als de feiten zijn geconstateerd, dan moet er algemene kennis worden afgeleid. Een
mogelijkheid is deductie (logisch redeneren): alle x zijn y, z is x en dus is z is y. Dit is
een geldige redenering, maar is geen zelfstandige bron van kennis over de
werkelijkheid. Inductie is een ander alternatief als een manier om kennis te werven
over de werkelijkheid. Dit is: als een groot aantal keer is waargenomen onder
verschillende omstandigheden en als X dan steeds eigenschap Y had, dan heeft elke X
eigenschap Y. Met andere woorden, het is het generaliseren van herhalingen. Aan dit
principe van inductie, wat een klassiek principe is van het empirisme over het
verwerven van wetenschappelijke kennis, heeft verschillende problemen. Namelijk
hoeveel herhalingen moeten er worden gedaan om te mogen concluderen. Daarnaast
spelen de omstandigheden een rol en de vraag is welke omstandigheden er dan
gevarieerd moeten worden. Als je het principe wilt bewijzen, dan kun je alleen weer
verwijzen naar de inductie en je kan dan geen onafhankelijk verdediging geven van
het principe van inductie.
, Karl Popper komt met een heel ander idee over hoe wetenschappelijke kennis tot stand komt.
Volgens hem moet dit niet volgens inductie, vanwege de problemen die het oproept. Dus dan
moet het namelijk via een wetenschappelijke uitspraak die gefalsifieerd kan worden: waarvan
de waarheid weerlegd kan worden. Er wordt een uitspraak gedaan over de werkelijkheid,
zolang het tegendeel niet is bewezen, mag er worden uitgegaan van de uitspraak dat dit de
waarheid is.
Bij inductie is het nodige om veel waarnemingen te hebben, bij Popper is er maar één idee of
waarneming nodig, zolang hij maar falsifieerbaar is.
De waarnemingen dat leidt tot kennis, is wetenschap. Deze waarnemingen zijn heel beperkt
voor de rechtsgeleerdheid, echter zijn ze niet compleet onbruikbaar, want soms wordt er wel
gebruik van gemaakt (extern perspectief). Maar over het algemeen het idee wat
wetenschappelijke kennis is, is de waarde beperkt. Een aantal redenen zijn:
1. Waar natuurlijk de falsificatie en het empirisme van uitgaan, is het uitspraken maken
van de externe werkelijkheid. Dus er worden er vragen gesteld over rechtsnormen
(niet over feiten).
2. De kennis beoogt dan ook om universeel geldige uitspraken te doen, dat is de
natuurwetenschappelijke werkelijkheid. Dit geldt niet voor de rechtswetenschap.
Het natuurwetenschappelijk model toepassen op de rechtsgeleerdheid levert grote problemen
op, met name op het klassiek juridische onderzoek ofwel het onderzoek vanuit het interne
perspectief. De natuurwetenschappelijke kennis pretendeert objectief te zijn en op een
neutrale wijze naar de werkelijkheid te kijken en uitspraken te doen die universeel geldig zijn.
Maar in de praktijk zijn het gewone mensen in de natuurwetenschap: om wetenschappelijke
kennis aanvaard te krijgen, zit er een sociale kant aan.
De rechtsgeleerdheid heeft zelfstandige onderzoeksvragen: primair over rechtsnormen en
eigen manier om vragen tot een oplossing te brengen. Afwegend tot de natuurwetenschap, is
het zogenaamd geen wetenschap. Maar dit moet niet de enige standaard zijn. Daarom is er een
onderverdeling:
Natuurwetenschappen
Gammawetenschappen: gedrag en sociologie
Alfawetenschappen: geschiedenis, filosofie, letterkunde etc.
Om rechtsgeleerdheid in te delen, dan hangt dat af naar wat voor soort rechtsgeleerdheid je
kijkt. Als je het opvat als klassiek juridisch onderzoek vanuit het interne perspectief, heeft een
alfa karakter, want de tekst wordt bestudeerd en uitgelegd. Maar er zijn ook disciplines van
rechtsgeleerdheid (rechtseconomie, rechtssociologie) die kijken hoe het recht daadwerkelijk
functioneert, het externe perspectief, wat kan worden onderverdeeld in het alfa en het gamma
deel.
De rechtsgeleerdheid is een apart soort wetenschap en zit tussen het alfa en gamma in. Stolker
bracht een aantal uitspraken naar voren. Er zijn alsnog een paar punten waarbij de
wetenschappelijkheid in het geding komt:
Normatieve oriëntatie van de rechtswetenschappen. Stolker zegt dat het in het geding
is omdat er een te normatieve oriëntatie is. Hiermee wordt bedoeld dat er een regel is,
die toepasbaar is op de feiten. De regel verhoudt zich dan tot die feiten als een norm
tot die feiten. Terwijl de regel ook als norm kan fungeren, maar ook als een feit. Dus
als voorbeeld: Relatie regel 11 (buitenspelregel) tot afgekeurd doelpunt van Messi is