‘Verbintenis’= (i) vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen twee of meer personen (ii) krachtens
welke de een tot een prestatie is gerechtigd (de crediteur, schuldeiser) (iii) waartoe de ander
verplicht is (de debiteur, schuldenaar).
De verbintenissen uit de wet zijn geregeld in de art. 6:74 e.v. en art. 6:162 e.v. Omdat het hier gaat
om verbintenissen, zijn daarop telkens ook de algemene bepalingen inzake het verbintenissenrecht
van toepassing, art. 6:1 - 6:161. De regels over schadevergoeding zijn neergelegd in de art. 6:95 e.v.
De hoofddoelstelling van het aansprakelijkheidsrecht is rechtshandhaving: het handhaven van de
status quo waarop men rechtens aanspraak heeft.
Belangrijkste bronnen van verbintenissen: Overeenkomst en onrechtmatige daad
Samenloop
Contractuele aansprakelijkheid ex. Art. 6:74 BW (toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een
verbintenis uit de overeenkomst, ook wel wanprestatie genoemd). Buitencontractuele
aansprakelijkheid ex. Art. 6:162 BW (onrechtmatige daad)
Bij samenloop van rechtsgronden: de benadeelde mag zijn vordering zowel op wanprestatie als op
onrechtmatige daad baseren (hij mag dus kiezen), wanneer de gedraging ook onafhankelijk van de
contractuele verhouding als (zelfstandige) onrechtmatige daad is te kwalificeren.
Twee beginselen
"Ieder draagt zijn eigen schade <-> "Breng geen schade toe"
è Autonomiebeginsel vs. Zorgplicht
è Onderliggende rechtvaardigingstheorieën: corrigerende en distributieve rechtvaardigheid
Aansprakelijkheid rechtspersoon
Er zijn twee mogelijke gronden waarop een rechtspersoon aansprakelijk gesteld kan worden voor
onrechtmatig handelen:
1. Ten eerste als door een formeel bevoegd orgaan (bijv. de directeur) van de rechtspersoon
onrechtmatig wordt gehandeld.
2. Ten tweede als de gedragingen van een niet-formeel bevoegde persoon toch aan die
rechtspersoon worden toegerekend omdat zij in het maatschappelijk verkeer als
gedragingen van die rechtspersoon hebben te gelden (vereenzelvigingstheorie).
,Passieve- en actieve zijde van een verbintenis
Op wie door toerekenbaar onrechtmatig handelen schade veroorzaak, rust volgens art. 6:162 BW
een verbintenis om de schade te vergoeden (de passieve zijde van de verbintenis). Degene die door
de onrechtmatige daad is benadeeld heeft een, met de verplichting tot schadevergoeding
corresponderende, aanspraak (de actieve zijde van de verbintenis); het recht op schadevergoeding.
Dat subjectieve recht is een goed en een vermogensrecht.
Wettelijke grondslag aansprakelijkheid voor eigen gedrag
Art. 6:162 BW
1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden
toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen
of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven
recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de
aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten
is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer
geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
Art. 6:163 BW
Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot
bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
Vereisten:
1. Onrechtmatigheid
2. Toerekenbaarheid
3. Schade
4. Causaal verband
5. Relativiteit
,Vereiste 1: Onrechtmatige daad
Doen/nalaten
Drie onrechtmatigheidsgronden:
1. Een inbreuk op een (subjectief) recht;
Inbreuk op een subjectief recht (wat invloed heeft op je vermogen)
Bijvoorbeeld:
- Persoonlijkheidsrechten (het recht op leven, integriteit van het menselijk lichaam)
- Absolute rechten (het recht op eigendom, beperkte rechten, intellectuele rechten)
- Vorderingsrechten (bijv. uit huur of pacht)
- Grondrechten, zie Rb. Den Haag 26 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5337
Maar: alleen indien directe, rechtstreekse of opzettelijke inbreuk (HR 9 december 1994, NJ
1996/4-3 (Zwiepende tak)).
Het subjectieve recht heeft een belangrijke functie, zo verleent het eigendomsrecht aan de
rechthebbende de bevoegdheid om dat recht te gebruiken en er vrijelijk over te beschikken
(art. 5:1). De eigenaar kan zich verzetten tegen elke storing in zijn recht, niet slechts indien
deze inbreuk op zijn recht het gevolg is van verwijtbaar handelen van een ander, maar ook
waar dat niet het geval is onrechtmatig, want inbreuk maken op het eigendomsrecht.
Niet de enkele aantasting van ieder belang dat door een subjectief recht wordt beschermd is
als onrechtmatige daad aan te merken, anders zou het veroorzaken van schade vrijwel steeds
onrechtmatig zijn. De Raad oordeelt dat ‘niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval,
als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig
doet zijn, maar dat zodanig gevaar scheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate
van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg
van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat
gedrag had moeten onthouden. De HR schrijft hier dus alsnog toetsing aan de ongeschreven
zorgvuldigheidsnormen voor. Wat aansluit op het Inbreukcriterium.
Drie benaderingen dat het gedrag onrechtmatig is:
1- Beperking tot directe, rechtstreekse en opzettelijke inbreuk
Niet elke inbreuk wordt als onrechtmatig aangemerkt, slechts de inbreuk die opzettelijk,
rechtstreeks of direct is.
Bij een opzettelijke inbreuk op een anders recht zal het enkele feit van de inbreuk over het
algemeen voldoende zijn om het oordeel oer de onrechtmatigheid van de gedraging te
kunnen aandragen.
, Bij de culpose rechtsinbreuk wordt altijd getoetst aan ongeschreven zorgvuldigheidsnormen,
bij de opzettelijke rechtsinbreuk kan deze toetsing vervallen omdat de onrechtmatigheid
impliciet besloten ligt in het opzettelijke of rechtstreekse karakter van de rechtsinbreuk.
2- Toetsing vooraf aan andere criteria
Toetsing vooraf aan andere criteria voordat men iets als een inbreuk aanmerkt.
Slechts van een inbreuk spreken indien ‘het gedrag zelf inbreuk maakt’.
3- Extra toetsing aan ongeschreven normen
Nadat is vastgesteld dat er inbreuk is gemaakt, vindt alsnog een toetsing plaats aan
ongeschreven gedragsnormen. Volgens moderne rechtspraak is het enkele feit dat inbreuk is
gemaakt op een subjectief recht van de benadeelde niet altijd voldoende voor een
(onrechtmatige) normovertreding.
Een inbreuk is pas onrechtmatig als deze onzorgvuldig is.
2. Een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht
Iedere plicht omschreven in een algemeen verbindend voorschrift
Casu van concurrentie met lage tarieven voor vrachtvervoer. Willems draagt maas voor de
rechter op grond van het feit dat Maas onder de vastgestelde wettelijke tarieven zou werken.
Maas stelt hiertegenover dat Willems dit zelf ook doet of heeft gedaan. HR stelt in dit arrest
dat Maas zich niet onbehoorlijk zou hebben gedragen tegenover Willems nu Willems zich
ook niet aan het wettelijke voorschrift heeft gehouden, waardoor hij niet meer in
aanmerking komt voor de privaatrechtelijke bescherming van dat voorschrift. (16 februari
1973, NJ 1973/463 (Maas/Willems)).
Zuiver nalaten
Het niet-ingrijpen kan schadelijke gevolgen hebben. De vraag is onder welke omstandigheden
actief ingrijpen vereist is en nalaten onrechtmatig wordt. Er kan slechts sprake zijn van een
rechtsplicht om een gevaarlijke situatie op te heffen of daarvoor te waarschuwen wanneer
de ernst van het gevaar tot het bewustzijn van de waarnemer is doorgedrongen,
voorwaarden:
- Dreiging van ernstig geestelijk of lichamelijk letsel
- Concrete kennis van de gevaarlijke situatie
- De mogelijkheid én de noodzaak om daadwerkelijk iets te doen (waarschuwen of helpen)
- Reële verhouding tussen moeite en kosten en het gevaar.
kelderluikfactoren
3. Een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt.
Dit ligt per definitie niet vast in geschreven regels, hier moet teruggevallen worden op
maatschappelijke aanvaarde normen over behoorlijk en zorgvuldig gedrag, rechtspraak is
hier dus van groot belang. De reden van de open formulering is dat zij moet kunnen worden
toegepast in zeer uiteenlopende situaties.