B9 – (1900 - 1950) – Wereldoorlogen & Crisis
Leerdoel 1: Ik ken de betekenis van de woorden en begrippen uit
de begrippenlijst van dit hoofdstuk (10b, 11c, 14, 19, 22, 23).
1. Oorlog
→ Strijd tussen twee of meer volken, vorsten of staten.
2. Loopgraaf
→ Lange, diepe geul die wordt gegraven voor en door soldaten om daarin
beschermd te zijn tegen de kogels van een aanvallend leger.
3. Industrialisatie
→ Het invoeren van industrie
4. Kolonie
→ Gebied buiten het eigen land waar mensen heen gaan om er te wonen of om er
de plaatselijke bevolking te overheersen, het gebied te besturen, er grondstoffen te
vinden en handel te drijven.
5. Modern imperialisme
→ Imperialisme van een industriële samenleving. Imperialisme is het veroveren en
beheersen van een groot rijk, bijvoorbeeld door provincies te veroveren (zoals de
Romeinen) of door koloniën te bezetten.
6. Grondstof
→ Materiaal waaruit iets wordt gemaakt.
7. Industrie
→ Grootschalige manier van produceren in fabrieken die gebruikmaakt van
mechanisatie (het inzetten van machines).
8. Afzetmarkt
→ Gebied waarin of bevolking waaraan producten worden verkocht.
9. Welvaart
→ Welvaart betekent dat het goed met de mensen gaat, dat ze genoeg van alles
hebben om een goed leven te kunnen hebben.
10. Wereldtentoonstelling
→ Tentoonstelling waarop alle landen van de wereld laten zien wat ze kunnen
maken en waarop ze trots zijn.
11. Symbool
, → Teken van een beweging, politieke stroming of godsdienst, bijvoorbeeld het
kruis als symbool van het christendom, de halve maan als symbool van de islam en
het hakankruis als symbool van het nationaalsocialisme.
12. Techniek
→ Kennis om iets ingewikkelds in elkaar te zetten. Ook: toepassing van zulke
kennis om apparaten te bedenken en te bouwen.
13. Nationalisme
→ Streven naar een onafhankelijk eigen land voor het eigen volk met een eigen
regering. Later ook gebruikt voor: trots zijn op je eigen land en volk.
14. Onoverwinnelijk
→ Zo sterk dat niemand je kan verslaan.
15. Bewapeningswedloop
→ Om het hardst steeds betere en sterkere wapens maken of kopen in een soort
wedstrijd tussen landen of bondgenootschappen.
16. Oorzaak
→ Iets waardoor iets anders gebeurt.
17. Conflict
→ Ruzie, iets waarover je het erg oneens bent.
18. Economie
→ Alles wat te maken heeft met werk, handel, geld en dingen maken. Als het
daarmee goed gaat, wordt gezegd dat het goed gaat met ‘de economie’.
19. Bondgenootschap
→ Afspraak tussen landen om elkaar te helpen in een oorlog of strijd.
20. Aanleiding
→ De aanleiding is de oorzaak waardoor iets op gang wordt gebracht. Dat hoeft
niet de belangrijkste oorzaak te zijn.
21. Gevolg
→ Iets wat op een bepaalde gebeurtenis volgt en wat niet gebeurd zou zijn zonder
die gebeurtenis.
22. Revolutie
→ Totale en ingrijpende verandering.
23. Keizer
→ Hoogste vorst van een groot rijk, bijvoorbeeld het Romeinse of Chinese Rijk.
Binnen Europa ook: hoogste vorst onder de vorsten van Europa die zich
beschouwen als opvolger van de Romeinse keizers.
24. Herstelbetaling
→ De schade vergoeden die je in een oorlog hebt aangericht.
25. Vredesverdrag
, → Verdrag dat een eind maakt aan een oorlog, waarin de vroegere vijanden
afspreken hoe ze voortaan met elkaar om zullen gaan.
26. Vertegenwoordiger
→ Iemand die namens iemand anders of een groep andere mensen optreedt en
opkomt voor hun belangen.
27. Politicus
→ Iemand die zich voor zijn beroep bezighoudt met politiek.
28. Complottheorie
→ De gedachte dat er geheime samenzweringen zijn met kwade bedoelingen om
de mensheid iets aan te doen; zulke theorieën zijn altijd onzin en nergens op
gebaseerd.
29. Politiek
→ De manier waarop mensen hun stad, gebied of land regeren of besturen en dus
hoe ze macht uitoefenen.
30. Crisis
→ Ernstige verstoring van de normale toestand. Bijvoorbeeld een economische
crisis waardoor bedrijven in problemen komen en mensen werkloos worden.
31. Werkloosheid
→ Zonder werk zitten, geen baan hebben of kunnen vinden.
32. Radicaal
→ Iets totaal willen veranderen, zodat het helemaal niet meer lijkt op wat er bestaat.
33. Macht
→ Vermogen om anderen te laten doen wat jij wilt, ook als ze dat uit zichzelf niet
willen.
34. Appeasement
→ Engels woord voor ‘sussen’ of ‘kalmeren’. Engeland en Frankrijk probeerden
door toe te geven aan Hitler te voorkomen dat hij oorlog zou gaan voeren; ze
probeerden Hitler te kalmeren.
35. Luchtbombardement
→ Vanuit vliegtuigen bommen laten vallen. Door luchtbombardementen konden
voor het eerst complete steden in korte tijd worden verwoest.
36. Parachutist
→ Iemand die een valscherm gebruikt om uit een vliegtuig te springen en neer te
dalen.
37. Minister-president
→ Belangrijkste minister, voorzitter van de vergadering van ministers.
38. President