Victimization of Children With Disabilities - Hershkowitz, I., Lamb, M. E., & Horowitz, D.
(2007)
Kinderen met een mentale handicap CWD (children with disabilities) hebben 2 tot 3 x meer kans om
slachtoffer te worden van kindermishandeling dan typicall developing TD kinderen. Deze handicaps
kunnen ook forensisch relevante informatie limiteren als ze misbruikt zijn.
Huidige studie breidt bestaande rapporten uit over mishandeling van CWD door te focussen op de
type en karakteristieken van gerapporteerde aanklachten en in welke mate CWD details over hun
slachtofferschap bekend maken. Gefocust op kinderen met CWD en zonder en in de groep CWD de
ernstigheid.
Methode: 40430 kinderen tussen 3-14 j in Israël (1998-2004), fysiek of seksueel misbruikt,
geïnterviewd. Onderscheid tussen 476 ernstige en 4461 mindere mate van CWD. The NICHD
protocol begeleidt interviewers door de interview fases. Op het einde werd gevraagd aan de
kinderen over de disclosure proces (en toen wat gebeurde er).
Discussie: CWD van alle leeftijden waren over gerepresenteerd in seksueel misbruik slachtoffer, en
onder gerepresenteerd in slachtoffers van fysieke misbruik. Onze bevindingen suggereren ook dat
vermeende slachtoffers met een handicap ernstiger kunnen lijden aan vormen van seksueel misbruik
dan TD-kinderen. In het bijzonder hadden ze meer kans om herhaaldelijk het slachtoffer te zijn,
slachtoffers van meer opdringerig misbruik, en slachtoffers van meer incidenten met gebruik van
bedreigingen en geweld waren dan TD-kinderen. Deze bevindingen suggereren dat CWD's kunnen
worden gebruikt als "veilige doelen" voor seksueel misbruik omdat ze minder in staat zijn om
slachtofferschap te vermijden of te melden.
Op de meeste dimensies werden hogere handicap niveaus geassocieerd met een verhoogd risico op
seksueel misbruik. Terwijl de risico's voor kinderen met lichte handicaps hoger waren dan bij TD-
kinderen, de risico's voor kinderen met een ernstige handicap zelfs nog hoger waren met kijk op het
aan het aantal incidenten dat naar verluidt is meegemaakt, de ernst van de gerapporteerde seksuele
handelingen, het gebruik van geweld en de neiging tot lichamelijk letsel dat tijdens de
misbruikincidenten kan worden toegebracht. De toegenomen kwetsbaarheid van ernstig
gehandicapte kinderen is niet eerder gedocumenteerd, en zou een bron van grote zorg moeten zijn
voor instanties voor maatschappelijk welzijn en strafrecht.
Vergeleken met TD verdachte slachtoffers, maakten vermeende slachtoffers met een handicap
minder vaak melding van misbruik en vertraagde openbaarmaking vaker. Nogmaals, kinderen met
een ernstige handicap slaagden er niet vaker in misbruik te melden en hadden de neiging de
openbaarmaking zelfs uit te stellen vaker dan leeftijdgenoten met een lichte handicap. Het
differentieel lagere meldingspercentages door CWD's kunnen verband houden met andere
bevindingen: kinderen met een lichte handicap meldden dat ze werden bedreigd
vaker dan TD-kinderen terwijl kinderen met een ernstige handicap leken meer moeite te hebben om
de seksuele incidenten te begrijpen in onderzoek.
Meer ouders als dader gevonden bij CWD dan TD. CWD kan het openbaar maken vertragen
doordat ze psychologisch en fysiek afhankelijk zijn van hun daders.
Conclusie: By examining the whole population of alleged victims in Israel over a 7-year period, we
were able to broaden our understanding of the ways in which CWDs are at special risk of
maltreatment. Previous studies have established that these children are more likely to be victimized,
and we were able to show that the risk of sexual victimization is greater for children with severe as
,opposed to minor disabilities, and that CWDs are disproportionately likely to be victims of sexual
rather than physical abuse. In addition, we found that alleged victims with disabilities were more
likely than their TD peers to delay disclosure or fail to report abuse when questioned. Like the other
findings reported above, these findings have significant and sobering implications for both
practitioners and researchers.
Barriers and facilitators to disclosing sexual abuse in childhood and adolescence: A
systematic review – Lemaigre, Taylor, Gittoes (2017)
Childhood sexual abuse CSA. Ze willen onderzoeken welke barrières en facilitators er zijn om open te
praten over CSA en in adolescentie.
Methode: studies werden inbegrepen als het doel was om disclosure te onderzoeken in childhood en
adolescentie populatie van seksueel misbruik. 658 vrouwen en 421 mannen in de 13 studies.
Gemiddelde leeftijd van de 752 participanten was 13.41 jaar.
Resultaten: 6 studies vonden een barrière van: een waargenomen gebrek aan
begrip en beperkte steun van volwassenen (ouders of professionals) als belemmeringen voor
openbaarmaking. Deze bevindingen tonen aan dat kinderen en adolescenten bij het melden van
seksueel misbruik te maken kunnen krijgen met een tekort aan begrip en beperkte steun van
anderen. De angst voor het anticiperen op deze negatieve sociale reacties kunnen jongeren
belemmeren van het onthullen van hun ervaringen met misbruik.
Deze bevinding lijkt te passen bij de tweede meest geïdentificeerde barrière: waargenomen
negatieve gevolgen voor jezelf en voor anderen. Studies hebben aangetoond dat kinderen en
adolescenten bang waren voor negatieve gevolgen voor zichzelf, zoals ouderlijke sancties, het
verliezen van familiale steun, sociale schaamte, het ruïneren van hun reputatie, het schenden van de
familie-eer en gedood worden. negatieve gevolgen voor de vermoedelijke dader (bijv.
gevangenisstraf) en voor zijn gezin (bijv. uiteenvallen van het gezin.
Zes onderzoeken identificeerden de emotionele reactie van het kind op het misbruik (schuldgevoel,
schaamte, zelfbeschuldiging en verantwoordelijkheid voor de dader acties) als belangrijke
belemmeringen voor openbaarmaking. Uit kwantitatieve studies bleek dat kinderen significant meer
kans hadden om de openbaarmaking uit te stellen als ze schuldgevoelens en schaamte ervaren. En
dachten dat het meer hun schuld was dan van de dader.
Facilitators: Kinderen die werden aangespoord of direct werden gevraagd naar mogelijk misbruik,
waren de meest genoemde facilitator. Het verstrekken van informatie over seksueel misbruik aan
jongeren die ontwikkelingsgeschikt is, is cruciaal bij het faciliteren van openbaarmakingen. Andere
geïdentificeerde belangrijke facilitatoren waren als het slachtoffer geen enkele schuld of schaamte
voelde, als het kind positieve emotionele steun en begrip heeft gekregen en and if the abuse was
extra-familial.
Conclusie: Uit de opgenomen onderzoeken, bevindingen
suggereren dat de optimale voorwaarde voor een onthulling is dat een individu het kind rechtstreeks
vraagt naar zijn ervaringen en dat dit individu actief luisteren en ondersteuning biedt , minimaliseert
de gevoelens van schuld en schaamte van het kind en vermindert de angst voor negatieve gevolgen.
Met dit in gedachten beveelt deze review aan om zowel preventie- als interventieprogramma's te
ontwikkelen voor de slachtoffers van seksueel misbruik en ook voor potentiële ontvangers van
openbaarmakingen van slachtoffers. De aanzet zou zijn om gevoelens te verminderen van
verantwoordelijkheid, zelfbeschuldiging, schaamte en schuld zoals ervaren door jongeren.
Programma's die kinderen aanmoedigen om openbaar te maken, zouden moeten
,bestaan naast programma's die familieleden, vrienden en eerstelijnswerkers aanmoedigen om
aanwijzingen van seksueel misbruik te identificeren. En vraag kinderen rechtstreeks naar de
mogelijkheid van seksueel misbruik en reageer ook ondersteunend als onthullingen plaatsvinden.
Disclosure of child sexual abuse: What does the research tell us about the ways that
children tell? - London, K., Bruck, M., Ceci, S. J., & Shuman, D. W. (2005)
Child sexual abuse accommodation syndrome CSAAS. Het is moeilijk om het aantal CSA vast te
stellen. Komt doordat professionals niet alle gevallen kunnen opmerken en de diagnose van CSA is
moeilijk omdat er niet een vaste medische of psychische bewijs voor is. Hierdoor representeren
kinderen hun uitspraken het bewijs voor CSA. In deze uitspraken moeten professionals bekijken hoe
kinderen spreken (disclosure) over misbruik.
Model CSAAS was om te schetsen voor clinici waarom minderjarige slachtoffers van intrafamiliaal
misbruik mogelijk terughoudend zijn om misbruik bekend te maken. Het model van Summit omvatte
vijf componenten: (a) geheimhouding; (b) hulpeloosheid; (c) beknelling en accommodatie; (d)
vertraagde, tegenstrijdige en niet-overtuigende openbaarmakingen; en (e) intrekking van
openbaarmaking. Summit zei dat kinderen die seksueel misbruikt zijn, kunnen reageren met
zelfbeschuldiging en twijfel aan zichzelf. Ze zijn misschien bang voor de dader en de mogelijke
gevolgen van openbaarmaking. Vandaar om seksueel misbruik te overleven door een vertrouwd
familielid, kinderen pogingen maken om het misbruik te accepteren en het misbruik geheim te
houden. Bovendien, volgens Summit (1983), wanneer kinderen hun misbruik onthullen, zal dat ook
incrementeel gebeuren in de loop van de tijd, een proces dat vaak volledige ontkenning en
herroeping van eerdere onthullingen omvat, en vervolgens het herstel van het misbruik. Het is
belangrijk om er rekening mee te houden dat dit model twee afzonderlijke aspecten heeft, elk met
zijn eigen componenten. De eerste beschrijft de psychologische gevolgen van misbruik (angst,
schuld en accommodatie). Het tweede aspect, de focus van dit artikel, bepaalt de gevolgen die deze
psychologische toestanden hebben op gedrag (geheimhouding, ontkenning en herroeping).
Hoewel Summit (1992) schreef dat hij niet van plan was te suggereren dat CSAAS aanwezig is
bij alle mishandelde kinderen, of dat het moet worden behandeld als een diagnose van
misbruik, veel professionals hebben CSAAS aangenomen als een sjabloon om een diagnose te
stellen van seksueel misbruik.
In the rest of this article, we review and evaluate the existing empirical data to assess the scientific
support for the behavioral components of CSAAS— secrecy/silence, denial, and recantation. We
draw on two major sources of empirical data on children’s disclosure patterns, each with its own
limitations: (a) retrospective accounts from adults who claimed to have been abused as children and
(b) examinations of children undergoing sexual abuse evaluations. To foreshadow the results of this
review, we conclude that although a substantial proportion of children delay reporting or altogether
fail to report incidents of CSA (the secrecy stage), there is little evidence to suggest that denials,
recantations, and re-disclosures are typical when abused children are directly asked about abuse. As
is seen later in the present article, this emerges as an important distinction on both scientific and
applied ground.
Patterns of Disclosure Among Adults in Retrospective Surveys
Disclosure Rates
In studies die ze hebben gebruikt geven deze gegevens aan dat tweederde van de volwassenen
die in retrospectieve onderzoeken beweerden te zijn misbruikt als kind, het niet hebben onthuld in
de kindertijd dat het gebeurd is.
Men zou kunnen stellen dat de cijfers van onthullingen uit de kindertijd verkregen zijn uit mogelijk
geen betrouwbare populatieschattingen omdat deze uit steekproeven van deelnemers die vóór hun
inschrijving moesten aangeven misbruikt als kinderen komen. Misschien trekken dergelijke
, procedures de slachtoffers aan die laat hun onthullingen deden en sluit degenen uit die op veel
eerdere leeftijden hadden onthuld. Ook zou kunnen worden gesteld dat deze rates de niet-
openbaarmaking onderschatten omdat degenen die het nooit aan iemand hebben verteld, minder
snel op advertenties zullen reageren. Ondanks deze concurrerende suggesties zijn echter
vergelijkbaar bevindingen verkregen in onderzoeken met convenience samples van
studenten en nationale probability samples die niet zijn geselecteerd op de basis van
kindergeschiedenis.
Samengevat, hoewel één onderzoek extreem hoge openbaarmakingspercentages opleverde
(Fergusson et al., 1996), gaven de resultaten van de 10 andere retrospectieve onderzoeken aan
dat slechts een derde van de volwassenen die CSA leden, het misbruik aan iemand openbaarde
tijdens de kindertijd. Gezien de verschillen in methodologie, definities van misbruik, en
steekproefkenmerken, de algemene consistentie van deze bevindingen over deze studies is
opmerkelijk.
Predictors of Nondisclosure
Het oorspronkelijke model van Summit (1983) was gebaseerd op onthullingspatronen van kinderen
die het slachtoffer waren van familiaal misbruik. Je zou dus verwachten dat zulke kinderen
zouden minder snel onthullen dan kinderen die werden misbruikt door niet-familie
daders. Resultaat van 2 studies zijn consistent. CSA disclosure was meer als de dader een vreemde
was dan familie. 5 studies konden geen associatie vinden tussen dader en CSA disclosure.
Disclosure rates kunnen varieren als functie van leeftijd op het moment van CSA. Geen systematische
relaties gevonden tussen demografische variabelen en CSA disclosure rates.
We hebben de bestaande gegevens onderzocht om de steun voor een van de belangrijkste aannames
te bepalen van het CSAAS-model; openbaarmaking is gerelateerd aan de hoeveelheid angst of
geweld in verband met het misbruik. Volgens het model doen kinderen dat niet bekendmaken omdat
ze bang zijn voor de dader die fysiek dwong of hen heeft kwaad gedaan. Bovendien geven kinderen
ook niets prijs omdat ze worden bedreigd met gevolgen van openbaarmaking die schade toebrengen
aan familieleden of aan zichzelf. Op basis van deze aannames is het voorspelbaar dat de ernstigere,
beangstigende of hoe meer het kind na misbruik wordt bedreigd hoe minder waarschijnlijk zou het
kind het onthullen. -> in het algemeen geen steun voor hypothese. Studies vonden meer het
resultaat andersom. Hogere disclosure rates bij incidenten die levensbedreigend waren.
Summary
The results of the retrospective studies make two important contributions to our knowledge about
the patterns of children’s disclosure of abuse. First, these data, when taken at face value, reveal that
approximately 60%–70% of adults do not recall ever disclosing their abuse as children, and only a
small minority of participants (10%–18%) recalled that their cases were reported to the authorities
Furthermore, to underscore the results of nondisclosure, many of the adults reported that their first
disclosure was during the study survey. Thus, the retrospective studies provide evidence to support
the assumption that many incidents of CSA go unreported and that the stage of silence in the CSAAS
model has a strong empirical foundation. Second, analyses of predictor variables in these
retrospective studies provide few insights into the factors associated with disclosure. They do
suggest, however, that commonly held assumptions, such as fewer disclosures among more severe
cases of CSA, or in cases of intrafamilial abuse, lack empirical support. We must await further data
to examine these issues definitively.
Patterns of Disclosure Among Children Treated or Evaluated for Sexual Abuse
In this section, we review studies of disclosure patterns of children who were specifically assessed or
treated for sexual abuse.
Delay of Disclosure (Silence)