Samenvatting hoorcolleges
inleiding pedagogiek
HC 1: Het bio-ecologische model
(Bronfenbrenner)
- Kritiek op ontwikkelingspsychologie “the science of strange behaviour of
children in strange situations wit hstrange adults.”
- Aandacht context kinderen
- Ecologische systeemtheorie (1979)
Ontwikkelingspsychologie heeft verschillende domeinen.
- Cognitieve domein (leren praten, zich verplaatsen, geheugen)
- Sociaal-emotionele domein (eigen gevoelens en ervaringen, leren delen)
- Lichamelijk/motorische domein (leren bewegen; pengreep)
Ontwikkelingspsychologie is breder dan de kinderen: Onderzoekt hoe en waarom
mensen veranderen en welke factoren dat beïnvloedt.
Kritiek op ontwikkelingspsychologie van Bronfenbrenner: kijk naar de context van
kinderen. ecologische systeemtheorie
ringen:
1. Microsysteem (proximale processen)
(gezin, school, sportclub, vriendengroep, face-to-face)
- Niet alleen dat er interactie is, is van belang, maar de kwaliteit is dit ook.
(constructief, destructief, sturend)
- Proximale processen (directe interacties, handelingen van dichtbij)
2. Mesosysteem (relaties tussen verschillende microsystemen: bruggetjes,
tussen school en thuis, tussen vrienden en school)
- ‘Pedagogische driehoek’ (ouders, school, kind)
- Gebied waar je het meeste impact kunt maken (eigen gedrag is lastig te
veranderen, maar de relaties tussen verschillende kinderen wel, zoals
school vertellen van de onrust thuis, zodat zij mee kunnen denken)
3. Exosysteem
- Kind is hier zelf niet actief in
- Sociale settingen zonder dus een actieve rol
, - Vb: ‘Opgroeien platteland, zorgt voor buitenspelen’ en het nieuws waar
ouders zich in verdiepen (zoals supernanny: overtuigingen over
ouderschap)
- Aandacht voor indirecte invloeden
4. Macrosysteem
- Breedste laag
- Culturele en maatschappelijke context
- Bewust van ‘culturele bril’
- Vb: hoe we onderwijs geven, individualisme of collectivisme
- Vanzelfsprekendheid van dingen zijn in andere macrosystemen helemaal
niet vanzelfsprekend (vb: achtergrondmuziek heeft invloed, maar je bent
het je lang niet altijd bewust).
Macrosysteem is het ritme voor de andere systemen
5. Chronosysteem
1. Microtime (onmiddlijke tijdstructuur binnen interacties)
2. Mesotime (vaste of onregelmatige structuren binnen een langere tijd,
zoals een week, bijv training elke week)
3. Macrotime (tijd waarin je leeft, bijv. opgroeien in middeleeuwen of juist
nu)
Duur en timing van ervaringen
“Systeem duidelijk, maar wel statisch. Het ligt genuanceerder. Er kunnen dingen
veranderen” - Bronfenbrenner. Dit noemen we: PPFT-Frame. Dit verklaart de
ontwikkeling van kinderen.
Process (proximale processen, motor van de ontwikkeling van kinderen)
Person doet er ook toe! Karaktereigenschappen zijn ook heel belangrijk.
Context (5 lagen)
Time (door de tijd heen veranderen processen)
Kritiek op Bronfenbrenner
1. Onderzoek naar zijn theorie is moeilijk (hoe ga je waarden en normen
meten in dee maatschappij, en de wisselwerking hiervan?)
2. Geen sterk en positief ecologisch systeem (een kind ontwikkelt zich niet
automatisch slecht als de systemen niet goed werken).
Het bio-ecologische model helpt bij het preciezer formuleren van de hulpvraag en
het activeren van het sociale netwerk. Het kijkt dus echt naar de situatie rondom
het kind.
inleiding pedagogiek
HC 1: Het bio-ecologische model
(Bronfenbrenner)
- Kritiek op ontwikkelingspsychologie “the science of strange behaviour of
children in strange situations wit hstrange adults.”
- Aandacht context kinderen
- Ecologische systeemtheorie (1979)
Ontwikkelingspsychologie heeft verschillende domeinen.
- Cognitieve domein (leren praten, zich verplaatsen, geheugen)
- Sociaal-emotionele domein (eigen gevoelens en ervaringen, leren delen)
- Lichamelijk/motorische domein (leren bewegen; pengreep)
Ontwikkelingspsychologie is breder dan de kinderen: Onderzoekt hoe en waarom
mensen veranderen en welke factoren dat beïnvloedt.
Kritiek op ontwikkelingspsychologie van Bronfenbrenner: kijk naar de context van
kinderen. ecologische systeemtheorie
ringen:
1. Microsysteem (proximale processen)
(gezin, school, sportclub, vriendengroep, face-to-face)
- Niet alleen dat er interactie is, is van belang, maar de kwaliteit is dit ook.
(constructief, destructief, sturend)
- Proximale processen (directe interacties, handelingen van dichtbij)
2. Mesosysteem (relaties tussen verschillende microsystemen: bruggetjes,
tussen school en thuis, tussen vrienden en school)
- ‘Pedagogische driehoek’ (ouders, school, kind)
- Gebied waar je het meeste impact kunt maken (eigen gedrag is lastig te
veranderen, maar de relaties tussen verschillende kinderen wel, zoals
school vertellen van de onrust thuis, zodat zij mee kunnen denken)
3. Exosysteem
- Kind is hier zelf niet actief in
- Sociale settingen zonder dus een actieve rol
, - Vb: ‘Opgroeien platteland, zorgt voor buitenspelen’ en het nieuws waar
ouders zich in verdiepen (zoals supernanny: overtuigingen over
ouderschap)
- Aandacht voor indirecte invloeden
4. Macrosysteem
- Breedste laag
- Culturele en maatschappelijke context
- Bewust van ‘culturele bril’
- Vb: hoe we onderwijs geven, individualisme of collectivisme
- Vanzelfsprekendheid van dingen zijn in andere macrosystemen helemaal
niet vanzelfsprekend (vb: achtergrondmuziek heeft invloed, maar je bent
het je lang niet altijd bewust).
Macrosysteem is het ritme voor de andere systemen
5. Chronosysteem
1. Microtime (onmiddlijke tijdstructuur binnen interacties)
2. Mesotime (vaste of onregelmatige structuren binnen een langere tijd,
zoals een week, bijv training elke week)
3. Macrotime (tijd waarin je leeft, bijv. opgroeien in middeleeuwen of juist
nu)
Duur en timing van ervaringen
“Systeem duidelijk, maar wel statisch. Het ligt genuanceerder. Er kunnen dingen
veranderen” - Bronfenbrenner. Dit noemen we: PPFT-Frame. Dit verklaart de
ontwikkeling van kinderen.
Process (proximale processen, motor van de ontwikkeling van kinderen)
Person doet er ook toe! Karaktereigenschappen zijn ook heel belangrijk.
Context (5 lagen)
Time (door de tijd heen veranderen processen)
Kritiek op Bronfenbrenner
1. Onderzoek naar zijn theorie is moeilijk (hoe ga je waarden en normen
meten in dee maatschappij, en de wisselwerking hiervan?)
2. Geen sterk en positief ecologisch systeem (een kind ontwikkelt zich niet
automatisch slecht als de systemen niet goed werken).
Het bio-ecologische model helpt bij het preciezer formuleren van de hulpvraag en
het activeren van het sociale netwerk. Het kijkt dus echt naar de situatie rondom
het kind.