Transport
11.1 Het hart
Bij een reanimatie neemt de hartmassage de pompfunctie van de hartspier over.
Je cellen en organen hebben voortdurend bloed met zuurstof en voedingsstoffen
nodig. Het hart is een holle spier met een linker- en een rechterhelft die volledig
van elkaar gescheiden zijn. (Binas 84C). Het slagvolume is de hoeveelheid bloed
die per hartslag een hartkamer verlaat (ongeveer 70 mL). De linkerharthelft
pompt zuurstofrijk bloed naar de weefsels en organen, de rechterharthelft
pompt zuurstofarm naar de longen (Binas 84A). De hoeveelheid bloed die een
hart rondpompt, hangt af van zowel de hartslagfrequentie (het aantal
hartslagen per minuut) als van het slagvolume. Dit hartminuutvolume
(hartslagfrequentie x slagvolume) geeft aan hoeveel bloed er per minuut het
lichaam rondgaat.
Het hart van een gereanimeerde man pompt erg zwak en onregelmatig. Een
getrainde hulpverlener wordt gewaarschuwd. Hij sluit de AED aan op de borst van
de man. De AED meet, dient een stroomstoot toe en geeft nauwkeurige
instructies over het vervolg van de reanimatie. Een AED bestaat uit een
microprocessor met een accu die via elektroden op het lichaam van de man de
samentrekkingen van het hart registreert. Bij onregelmatigheden in de hartslag
(defibrilleren) geeft de AED een stroomstoot af, waardoor het hart heel kort stopt
met pompen. Hierna start het hart opnieuw met het regelen van de hartslag. Als
een hart helemaal stopt met kloppen dan kan een stroomstoot niet helpen. Een
injectie met adrenaline in de hartspier door een arts kan dat hopelijk wel. De
patiënt komt bij kennis, hij klaagt over pijn in zijn arm, is bleek en transpireert.
De man heeft een hartinfarct. Door een vernauwing in een kransslagader die
de hartspier van bloed voorziet, kreeg een deel van de hartspier onvoldoende
zuurstof.
Een hartslag begint bij de boezems. De rechterboezem ontvangt bloed uit beide
holle aders, de linker boezem uit de longaders. Via de boezems loopt het bloed
de kamers in. De sinusknoop geeft een elektrische prikkel af waardoor de
spiervezels van de boezems samentrekken. Het bloed wordt de kamers ingeperst.
De sinusknoop is het begin van het prikkelgeleidingssysteem. Dit systeem van
gespecialiseerde spiervezels leidt de elektrische prikkel uit de sinusknoop naar
een tweede groep speciale cellen in de wand tussen de beide boezems, de AV-
knoop. Vandaar leiden andere spiervezels de prikkel naar de onderkant van de
kamers. De kamers persen het bloed de slagaders in. De elektrische activiteit
die ontstaat door het samentrekken en ontspannen van de hartspier, is via
elektrodes te meten. Apparatuur maakt er een ecg (elektrocardiogram) van. Het
samentrekken van e boezems levert de P-top van het ecg. Het samentrekken van
de kamerwanden levert de grote QRS-top. De T-top ontstaat door ontspannen van
de kamers.
Bij de man met het hartinfarct was een kransslagader aan het dichtslibben. De
kransslagaders zijn de eerste zijtakken van de aorta, de grote lichaamsslagader.
Kransaders voeren het zuurstofarme bloed rechtstreeks af naar de
, rechterboezem, waar het bloed vlak boven de hartkleppen binnenkomt. Een
kransslagader kan vernauwd raken door vetachtige stoffen, bijv. cholesterol, die
een plaque vormen aan de binnenkant van het bloedvat. Dit kan heel het
bloedvat afsluiten. Een dotterbehandeling kan een vernauwde kransslagader
weer wijder maken. Bij deze behandeling gebruikt een arts een klein ballonnetje
dat hij vanuit een slagader in de lies door de aorta naar de kransslagader in het
hart duwt. Op de plaats van de vernauwing blaast hij het ballonnetje op. De arts
kan eventueel een metalen stent in de slagader plaatsen om het bloedvat
voortaan open te houden. De arts kan hierna nog besluiten tot een
bypassoperatie. Met behulp van een stukje slagader uit de borstkas of een
beenader maakt de arts een nieuwe verbinding tussen de aorta en kransslagader.
Bloed vanuit onder andere de organen bereikt het hart via de onderste holle ader.
De bovenste holle ader voert het bloed aan dat uit de armen en het hoofd komt.
Het bloed in de holle aders is zuurstofarm en bevat CO 2. Het bloed stroomt via de
rechterboezem de rechterkamer in: de vulfase. Tussen de boezem en de kamer
bevinden zich de hartkleppen. Deze kunnen maar in een richting opengaan. Het
samentrekken van de kamers is de pompfase. De rechterkamer perst het bloed
de longslagader in. Deze splitst in twee takken (linker- en rechterlong). In de
longen geeft het bloed CO2 af en neemt het zuurstof op. Longaders voeren het
zuurstofrijke bloed terug naar de linkerboezem van het hart. Via de
hartkleppen van de linkerharthelft gaat het bloed naar de linkerkamer, van
waaruit de linkerkamer het de aorta inpompt. Slagaderkleppen tussen e
slagaders en de kamers verhinderen dat het bloed terug kan stromen. In de
vulfase staan de hartkleppen open en zijn de slagaderkleppen dicht. Het bloed
stroomt via de boezems de kamers in. Bij het samentrekken van de boezems zijn
de hartkleppen nog steeds open en de slagaderkleppen dicht. Door het
samentrekken van de kamers bij de pompfase neemt de druk in de kamers toe.
De hartkleppen sluiten en de slagaderkleppen gaan open. In de ontspanningsfase
neemt de druk in de kamers af.
11.2 Transportvaten
Kleine bloedsomloop: De longslagader voert vanuit de rechterkamer O2 -arm
bloed naar de longen. Deze longslagader mondt zich uit in haarvaten die rond de
longblaasjes van de longen zitten. Het bloed neemt daar O 2 op en geeft CO2 af:
gaswisseling. Het O2 -rijke bloed gaat via de haarvaten en uiteindelijk de
longader terug naar het hart de linkerboezem.
Grote bloedsomloop: De linkerkamer pompt het O2 -rijke bloed de aorta in.
Slagaders gaan vanaf de aorta naar de organen verspreidt in heel je lichaam.
Daar geeft het bloed in de haarvaten O 2 af aan de lichaamscellen en neemt het e
afvalstof CO2 op. Via de holle aders stroomt het O2 -arme bloed terug naar de
rechterboezem.
Door bloedverlies is er voor de lichaamscellen minder zuurstof en voedingstoffen.
Bloed neemt voedingsstoffen op uit de darmwand. Glucose komt uit lever. Bloed
vervoert ook hormonen en afvalstoffen (ureum uit de lever). Ureum verlaat in
de nieren het lichaam. Het bloed gaat altijd eerst door het hart en de longen,
vervolgens opnieuw door het hart en dan pas naar een ander orgaan. Dit is de
dubbele bloedsomloop en komt voor bij mensen, zoogdieren en vogels.