Patriciërs en adel komen tegenover ambachtslieden en boeren te staan:
Patriciërs: burgers met de macht (meestal rijke kooplieden).
Het gemeen: ambachtslieden, dagloners en werklozen.
Patriciërs kwamen tegenover het gemeen te staan.
Spanningen waren er omdat:
Patriciërs maakten alleen deel uit van het stadsbestuur (10%)
De dagloners hadden geen inkomen.
Guldensporenslag (1302): slag tussen het gemeen (onder leiding van
Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen) en de patriciërs (onder
leiding van Franse koning Filips de grote). Zij besloten zich met deze
opstand te bemoeien, want Filips wilde Vlaanderen bij zijn rijk toevoegen.
Zij namen deel aan deze ruzie om een oordeel te hebben over hun eigen
conflict.
Guldensporenslag: het gemeen nam de goeden sporen van hun verslagen
tegenstanders mee, om later te verkopen.
Vlaanderen en Brabant worden het economisch zwaartepunt van de
Nederlandse gewesten:
Vlaamse handelssteden (Brugge, Gent en leper) maakten deel uit van
internationale handelsnetwerken.
In de 16e eeuw nam Brabant het zwaartepunt over, want havenstad
Antwerpen groeide uit tot het grootste handelscentrum van West-Europa.
Brugge wordt het handscentrum van de lage landen:
Het had nu een gunstige verbinding met de zee gekregen door uitdieping,
bedijking en kanalisering van waterwegen. Vlaamse Hanze (Brugge,
Antwerpen, Gent, Leper en Torhout) ging aansluiten bij die in Champagne.
Brugge was het zuidelijkste punt van de Duitse Hanze en het noordelijkste
punt van de Italiaanse Hanze.
Binnen het netwerk versterkte elke stad de eigen positie en het netwerk
geheel door:
Innovatie op allerlei gebieden (1)
Schaalvergroting (2)
1- Specialisatie waardoor de productie werd vergroot en de
bevolking beter kon worden gevoed.