Introductie/classificatiesysteem
Tips van de docent →
Je moet de kernsymptomen van stoornissen en het symptoomcluster dat daarbij hoort kennen voor
het tentamen. Dus, wat is nu de kern van een depressie of stoornis en hoe staat dat in de DSM-5? Dit
is wat je moet weten voor het tentamen.
Check de leerdoelen ook, dan weet je exact wat je moet begrijpen, reproduceren of enkel hoeft te
lezen. (Handig i.v.m. open vragen)
Normale ontwikkeling handig om te begrijpen, maar wordt niet getoetst!
Vragen tijdens het tentamen kunnen best specifiek zijn’ dus i.p.v. angststoornis kunnen ze ook naar
sociale angststoornis vragen
Niet exacte cijfers kennen; maar wel weten welke zeer zeldzaam en minst zeldzaam is. Ze zal niet zo
snel vragen welke zeer zeldzaam en welke normaal zeldzaam is.
Als er een lijstje komt te staan van stoornissen en met welke andere stoornissen t vaak samengaat
(comorbiditeit) dan hoef je de top 3 meest voorkomende te kennen en niet het gehele lijstje.
Ontwikkelingsperspectief
‘Neem een ontwikkelingsperspectief aan’ → Bij psychopathologie onder kindertijd kijk je naar een kind in
ontwikkeling. Er speelt natuurlijk biologische rijping en omgeving stelt bepaalde eisen. Dus het gedrag wat
het kind op de ene leeftijd laat zien kan normaal zijn maar op een ander leeftijd als problematisch. Daarom
is het goed om de normale ontwikkeling wel mee te nemen als je redeneert over psychopathologie .
Voorbeeld: broekplassen is normaal voor peuters, maar als een ouder kind dat nog steeds doet, kan het een
probleem zijn. We moeten weten wat normaal is voor elke leeftijd en wat er van een kind wordt verwacht/
welke verwachtingen er zijn vanuit de omgeving. Zo kunnen we beter begrijpen of bepaald gedrag een
probleem is en hoe we het kind kunnen helpen.
Datzelfde ontwikkelingsperspectief is een soort kapstok om het typische/gemiddelde onstaan van
stoornissen op te hangen. Sommige stoornissen ontstaan typisch in de adolescentie. Dat is een
ontwikkelingsperspectief, heeft misschien te maken met tot bepaalde hormonale veranderingen die dan
optreden.
1
, Pervasieve ontwikkelingsstoornissen →
Erg genetisch bepaald dus zijn er al van
jongs af aan
Groep van ontwikkelingsstoornissen die
invloed hebben op meerdere gebieden van
ontwikkeling, zoals sociale interactie,
communicatie en gedrag. Deze
stoornissen worden vaak in de vroege
kindertijd vastgesteld en hebben een
aanzienlijke impact op het dagelijks
functioneren van een individu.
Schizofrenie → zie je zelden in de vroege kindertijd. Miss later in de adolescentie als het is vastgesteld
dat je denkt van ‘oh ja er is wel gedurende kindertijd alles aan de hand’ maar de typische kenmerken
van schizofrenie zie je niet in de vroege kindertijd
Wanneer is er sprake van (ontwikkelings)psychopathologie?
1. Heb je klachten?
Lichamelijk functioneren → hoe je lichaam reageert als je een stoornis hebt.
Bijv. Als je sociale angststoornis hebt kan je voor een presentatie best veel last krijgen van buikpijn,
benauwd krijgen, trillen en/of heftige diarree hebben
Gedrag →
Bijv. Denk aan schelden/slaan (externaliserend) maar kan controleren of je slot heletijd opslot is
(repetitief gedrag)
Emoties →
Bijv. Heel somber of overmatig blij
Cognities → Denkwijze.
Bijv. Je kan hele negatieve gedachtes hebben of je kan dwanggedachtes hebben zoals ‘ik moet dit
doen’.
Relaties →
Bijv. Je kan moeite hebben met vrienden maken of minder goede sociale vaardigheden
2. Wanneer treden die klachten op?
Als de klachten niet passen bij de leeftijd
Als de klachten moeilijk te corrigeren zijn
Bijvoorbeeld: een cursus over faalangst helpt niet tegen je sociale angst. Jouw
docent/studentenadviseur/praktijkondersteuner probeert je goed te laten voelen maar het gaat zeer
moeilijk of helemaal niet.
Als het de algemeen functioneren ernstig nadelig beïnvloedt →
Bijvoorbeeld: kan iemand zijn opleiding afmaken? Heeft hij vrienden? Kan iemand zijn doelen
bereiken die hij wil bereiken?
Het kind lijdt OF de omgeving heeft er last van (kan ook beide)
Bijvoorbeeld: ‘ik voel me slecht’ of ‘ik schreeuw/scheld/sla en daardoor hebben andere last van mij’
Uiteindelijk mogelijk ontwikkeling doen stagneren → als er problematiek is die bepaalde stappen in
ontwikkeling die ervoor zorgen dat bepaalde stappen niet gemaakt worden dan kan het kind vastlopen.
Bijvoorbeeld: stel een baby is te vroeg geboren. Grootgebracht zonder voeding. Dan leert het kind
niet goed eten, slikken en proeven en vaak zal het kind later moeite hebben met eten en houdt niet
van structuur.
De sociaal-culturele context
2
, Of iets als een stoornis wordt gezien, hangt deels af van de sociaal-culturele context. Dit betekent dat
kinderen hetzelfde gedrag kunnen vertonen, maar dat het ervan afhangt of dit gedrag hen in hun
ontwikkeling belemmert, afhankelijk van hun omgeving. Dit gaat niet alleen over de directe omgeving, zoals
familie en school, maar ook over de bredere culturele omgeving. Denk aan wat er van kinderen wordt
verwacht op bepaalde leeftijden en wat zij op die leeftijden "moeten kunnen".
Voorbeeld: De sociale angststoornis komt vaker voor in westerse/individualistische landen dan in
collectivistische culturen. In Irak wordt het bv. minder verwacht dat iemand assertief is of een groep durft
toe te spreken, terwijl het in Nederland juist belangrijk is om jezelf te laten zien en te presenteren. Hetzelfde
niveau van verlegenheid kan daardoor in Nederland problematisch zijn, maar in Irak niet. Psychopathologie
zegt in die zin iets over de "fit" tussen het individu en zijn of haar omgeving.
Classificatiesystemen
Voordeel van classificatiesysteem → efficiënt communiceren wat er aan de hand is.
Voorbeeld: van een hele lap tekst en casus zeg je kort ‘ADHD, afwezigheid & verslaving vader,
schoolprobleem (V62,3), ernstig, 55%
Twee veelgebruikte systemen:
1. International Classification of Diseases (ICD)
Gemaakt door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).
Momenteel is de nieuwste versie ICD-11.
Dit systeem beschrijft niet alleen psychische stoornissen, maar ook andere lichamelijke ziekten en
aandoeningen.
2. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM)
Uitgegeven door de American Psychiatric Association (APA).
De nieuwste versie is DSM-5.
Dit systeem richt zich uitsluitend op psychische stoornissen.
De classificatiesystemen ICD en DSM worden samengesteld door groepen experts. Dit zijn onderzoekers,
behandelaars (clinici) en soms ook vertegenwoordigers van patiëntgroepen. Ze werken samen om
duidelijke afspraken te maken over de indeling van stoornissen en diagnoses. Deze afspraken worden zo
goed mogelijk beschreven en onderbouwd in de boeken. De informatie in de ICD en DSM is gebaseerd op de
nieuwste onderzoeken, bijvoorbeeld over ADHD. Omdat het onderzoek zich blijft ontwikkelen, worden de
systemen regelmatig bijgewerkt. Dit betekent dat de boeken geen vaste waarheid zijn, maar flexibel blijven.
De ICD en DSM zijn de laatste jaren meer naar elkaar toe gegroeid en bevatten nu veel overlap. Toch zijn er
nog verschillen in hoe ze sommige stoornissen beschrijven. Een diagnose in de ICD kan meestal vertaald
worden naar een overeenkomstige diagnose in de DSM, en andersom. Deze vertaalbaarheid maakt het voor
zorgverleners wereldwijd makkelijker om met elkaar te communiceren en diagnoses goed te begrijpen,
ongeacht het systeem dat ze gebruiken.
Classificatiesystemen
Voordelen Nadelen
Duidelijke beschrijving van de kern van de Informatie sterk geruceerd
problematiek Deze systemen geven een kort en Als je verder wilt met behandeling is het te beperkt en moet je
duidelijk overzicht van de belangrijkste informatie erbij leveren.
kenmerken van een stoornis. Dit helpt
zorgverleners om snel te begrijpen wat er aan de DSM let te veel op individu en niet zozeer op omgeving. Sociale
hand is zonder lange uitleg. angst kan worden versterkt in omgeving als iedereen constant
negatief doet en de opvoeding geen autonomie biedt en
constant angstig doet over alles.
Internationale eenduidigheid Categoriale indeling
3
,Deze systemen worden wereldwijd erkend, wat Stoornissen worden vaak in duidelijke categorieën ingedeeld. Dit
betekent dat zorgverleners in verschillende betekent dat mensen soms in hokjes worden geplaatst die niet
landen dezelfde termen en diagnoses gebruiken. helemaal passen bij hun unieke ervaringen. De symptomen
Dit is handig voor communicatie in onderzoek, kunnen overlappen, en niet iedereen past perfect in een
onderwijs en beleid, en maakt het mogelijk om bepaalde categorie.
informatie uit verschillende landen te vergelijken.
Richtinggevend voor behandeling Suboptimale basis voor behandeling
Niet zozeer ADHD dus dit. Sociale angst dus dat. Hoewel classificatiesystemen een richting bieden voor
Meerdere behandelingen mogelijk en het hangt behandeling, zijn ze geen uitgebreide handleiding. Er zijn vaak
van meerdere factoren af. verschillende behandelmogelijkheden voor een diagnose, en
welke het beste is, hangt af van meerdere factoren zoals
persoonlijke voorkeuren, achtergrond en de specifieke situatie
van de cliënt. Dit maakt het soms moeilijk om de juiste
behandelingsaanpak te kiezen op basis van alleen de
classificatie.
Wat staat er nu in de DSM-5 classificatie?
Aanwezige stoornissen → De DSM-5 beschrijft welke psychische stoornissen iemand kan hebben.
Specificaties van stoornissen → Dit zijn details over de type stoornissen en hoe ze zich uiten.
Bijvoorbeeld, een stoornis kan verschillende vormen hebben.
Stressoren → Dit zijn factoren die bijdragen aan de problemen, zoals een afwezigheid van de vader of
een zieke moeder.
Ernst van de stoornis → De DSM-5 helpt bij het bepalen hoe ernstig een stoornis is
Bijv. ernstige sociale angststoornis, matige depressie etc.
Niveau van alledaags functioneren → Niveau van alledaags functioneren wordt gemeten a.d.h.v.
WHO DAS (WHO Disability Assessment Schedule). Grappig, want deze komt uit de ISD. Ze zijn meer
samengegaan en doen het op dezelfde manier.
Als je systematisch wilt uitzoeken, heb je een rating scale. Hierop vraag je zes domeinen uit over
alledaags functioneren:
→ De WHO DAS kijkt naar 6 gebieden van functioneren:
Communicatie
Mobiliteit
Zelfzorg
Sociale omgang
Activiteiten
Deelname aan de gemeenschap
Cmzsad
→ De score varieert van 0 tot 100.
0 betekent dat iemand volledig autonoom en goed functioneert.
100 betekent dat iemand veel hulp nodig heeft.
DC: 0-5 (2016) DSM voor 0-5 jarige kinderen
Een system dat te weinig bekend is (voornamelijk bij pedagogen). Stoornissen komen daar anders uiting en
daar heb je specialisatie voor nodig om dit te beoordelen. Je hebt eenmaal andere beschrijvingen nodig dan
voor kinderen van ouder dan 5.
Assen → soort dimensies waar verschillende aspecten van casus wordt beschreven.
4
, As I Stoornis
As II Relationele context → wordt iets gezegd over relatie ouder en kind.
Kan gaan over:
• Gedrag →Aanwezig/afwezigheid verzorger
• Gedrag → Continuïteit zorg
• Affectie →Is er een warme relatie?
• Affectie →Is er gevoel van verwijten naar het kind omdat ie bv veel huilt?
• Betrokkenheid
As III Medische conditie (zijn er andere ziektes?)
Lichamelijke condities → hoe is het kind fysiek? Is er groeiachterstand?
As IV Psychosociale stressoren → Identificatie van stressvolle gebeurtenissen in het leven van het
kind, zoals armoede, mishandeling, verhuizing, of een scheiding.
As V Niveau van ontwikkeling → Beoordeling van het ontwikkelingsniveau van het kind. Hierbij wordt
gekeken naar:
• Biologische rijping: Waar zou het kind volgens zijn leeftijd moeten zijn?
• Ontwikkelingsmijlpalen: Zijn er achterstanden in bijvoorbeeld taal of motoriek?
Casus
Sophie (6 jaar) wordt aangemeld bij een GGZ-instelling omdat ze sinds groep 3 niet meer alleen durft te
slapen. Haar ouders moeten naast haar bed zitten totdat ze in slaap valt. Als ze dit niet doen, raakt Sophie
in paniek en kunnen er ruzies ontstaan. De ouders dachten dat het probleem vanzelf zou oplossen, maar na
drie maanden lijkt het erger te worden.
Sophie roept 's nachts om haar ouders, en ze nemen haar regelmatig bij zich in bed omdat ze bang zijn dat
ze slaap tekortkomt. Ze durft nu ook niet meer bij haar opa en oma te logeren, iets wat ze eerder altijd deed.
Laatst hebben haar grootouders haar zelfs teruggebracht omdat ze zo angstig was dat ze verstijfde en niet
meer te kalmeren was.
Op school klaagt Sophie vaak over buikpijn als ze naar school moet, vooral de avond ervoor. Haar moeder
blijft vaak bij haar in de klas, omdat Sophie huilt als ze weggaat. Maar zodra haar moeder weg is, doet ze wel
mee met de rest van de klas en heeft ze twee vriendinnetjes. Sophie is ook een bovengemiddelde leerling.
Haar ouders maken zich zorgen en willen advies over hoe ze met dit probleem om kunnen gaan. Daarnaast
zijn ze bezig met relatietherapie omdat ze regelmatig ruzie hebben. Ze denken dat Sophie niet weet van hun
problemen, maar ze heeft wel eens gevraagd of ze gaan scheiden.
Dit zullen tentamenvraag zijn! Docent wil dat je dit zo opschrijft. Blijf heel dicht bij de oorspronkelijke tekst.
Daarnaast zal in de tentamen waarschijnlijk combi van meerdere stoornissen aanwezig zijn die je moet
benoemen. Je moet voor jezelf de klachten ordenen, lichamelijke klachten, angstklachten etc. niet verplicht
maar het helpt je op tot de juiste classificatie te komen
Welke klachten heeft Sophie?
Durft niet meer alleen te slapen (sinds ten minste 3 maanden)
Durft niet meer bij opa en oma te logeren
Buikpijn
Steeds huilen bij afscheid moeder op school
Welke DSM-5 classificatie is aannemelijk →
5