Made by: Miriam Al-Ankouchi
Student Pedagogische Wetenschappen, Universiteit van Amsterdam (2024/2025)
Deze samenvatting kan je zowel voor je bachelor als pre-master gebruiken!
(Heel veel succes met het tentamen! ☺)
1
,Wat is een Case Studie precies?
Uitleg 1: Een case studie (ook wel gevalsstudie genoemd) is een diepgaand onderzoek waarin je een specifiek
geval of een kleine groep gevallen onderzoekt.
Voorbeeld: Dit kan gaan om individuen, organisaties, landen, groepen, patiënten, interactievormen (relaties),
beslissingen, projecten, nieuwe lesmethoden of onderzoeksopzetten.
Uitleg 2: Een case study is een manier van onderzoek doen waarbij je één of meerdere ‘gevallen’ (cases)
diepgaand onderzoekt in hun echte context.
Een case kan van alles zijn:
Een persoon (bijv. leerling, patiënt)
Een groep mensen (bijv. een klas)
Een organisatie (bijv. een school)
Een proces (bijv. reorganisatie in een school)
Een land of regio
Een nieuwe methode (bijv. een lesmethode of behandelmethode)
Een case is dus niet altijd een mens! Het kan ook iets abstracts of grootschaligs zijn.
Belangrijke begrippen bij Case Studies:
Rival theorie → Dit is een alternatieve verklaring die beschrijft waarom een bepaalde methode misschien niet
werkt, of juist anders uitpakt dan verwacht. Een rival theorie helpt je om kritisch te denken en versterkt het
onderzoeksontwerp.
Voorbeeld: Je onderzoekt of meditatie stress vermindert. Je vindt inderdaad dat mensen die mediteren minder
stress ervaren. Een rival theorie kan dan zijn dat niet de meditatie, maar het luisteren naar rustgevende muziek
tijdens het mediteren stress vermindert. Door ook een groep te onderzoeken die alleen muziek luistert, kun je
uitzoeken welke verklaring klopt.
Dubbelblind protocol → Een manier van onderzoek waarbij degene die de behandeling geeft, of degene die het
ontvangt, niet weet welke behandeling daadwerkelijk gegeven wordt. Dit is vooral lastig uit te voeren bij
psychologische behandelingen.
Voorbeeld: Je test een nieuw medicijn tegen hoofdpijn. De helft van je deelnemers krijgt het echte medicijn, de
andere helft krijgt een placebo (een pilletje zonder werking). Zowel de deelnemers, als jij als onderzoeker,
weten niet wie wat heeft gekregen. Zo voorkom je beïnvloeding van verwachtingen bij zowel de patiënt als de
behandelaar.
Idiografische metingen → Dit zijn metingen die speciaal op maat gemaakt zijn voor het individu. Je kijkt dus
heel persoonlijk naar één geval.
Voorbeeld: Een psycholoog helpt Lisa, die worstelt met angst voor spinnen. De psycholoog gebruikt een
unieke, op Lisa afgestemde vragenlijst om haar specifieke angstgevoelens en reacties op spinnen in kaart te
brengen. Deze metingen worden speciaal voor Lisa ontworpen en passen niet zomaar bij iemand anders.
Kenmerken van een Case Studie: Belangrijke stappen en kenmerken bij het starten van een case studie zijn:
1. Omgaan met verschillende soorten bewijs:
Je gebruikt verschillende bewijsmaterialen om een compleet beeld te krijgen. Elk soort bewijs (zoals
documenten, interviews, directe observaties) heeft zijn eigen kracht.
Vaak gebruikte soorten bewijs:
2
, Documentatie
Archiefbestanden
Interviews
Directe observatie
Participerende observatie (meedoen in de situatie die je onderzoekt)
Fysieke artefacten (voorwerpen)
Triangulatie: Dit betekent dat je minstens drie verschillende soorten bewijs gebruikt om je conclusie
te onderbouwen. Door bewijzen samen te voegen krijg je een compleet en betrouwbaar beeld.
Drie of meer bewijsmaterialen geven samen voldoende bewijs om alternatieve verklaringen uit te
sluiten.
Convergeren van verschillende bronnen (samenvoegen) leidt tot sterk bewijs.
Optelsom leidt tot duidelijk 'feit'.
2. Duidelijke onderzoeksvraag en theoretisch kader:
De manier waarop je je gegevens verzamelt en je onderzoeksontwerp maakt, hangt af van je
onderzoeksvraag en theoretische uitgangspunten. Case studies gebruiken meestal vragen zoals hoe of
waarom iets gebeurt.
3. Opstellen van het onderzoeksdesign:
Je ontwerpt een duidelijk plan voor hoe je jouw onderzoek gaat uitvoeren.
Wat voor soort onderzoeksvragen kan een case studie beantwoorden?
Strategie Vorm van Vereist controle van Richt zich op huidige
onderzoeksvraag gedrag? gebeurtenissen?
Experiment Hoe, waarom Ja Ja
Survey Wie, wat, waar, hoeveel? Nee Ja
Archiefanalyse Wie, wat, waar, hoeveel? Nee Ja/Nee
Geschiedenis Hoe, waarom Nee Nee
Case studie Hoe, waarom Nee Ja
Case studies beantwoorden vooral vragen zoals hoe en waarom iets gebeurt.
Ze vereisen meestal geen controle over het gedrag van mensen.
Ze richten zich op actuele gebeurtenissen.
Voor- en nadelen van verschillende soorten bewijs (uit case studies):
Soort bewijs Voordelen Nadelen
Documentatie Betrouwbaar, kan vaak opnieuw bekeken Soms moeilijk toegankelijk of onvolledig
worden
Archiefbestanden Precies, kwantitatief Moeilijk toegankelijk door privacy redenen
Interviews Diepgaand, inzicht in persoonlijke Mogelijk beïnvloed door slechte vragen of
redenen selectieve antwoorden
Directe observaties Realistisch, in real-time Kost veel tijd en kan beïnvloed zijn door
aanwezigheid onderzoeker
Participerende Inzicht in interpersoonlijk gedrag Beïnvloed door onderzoeker zelf
observatie
Fysieke artefacten Inzicht in culturele kenmerken Beschikbaarheid kan beperkt zijn
Kenmerken van toegepaste gedragsanalyse (binnen case studies):
3
, Toegepaste gedragsanalyse is een manier om gedrag te onderzoeken en beïnvloeden. Hierbij richt je je op:
1. Direct waarneembaar gedrag meten en tellen (kwantificeren).
2. Omgeving zo veel mogelijk beheersen, zodat je zeker weet dat er geen (verstorende factoren zijn die
jouw resultaten vertroebelen.
3. Je zorgt er eerst voor dat het gedrag stabiel is (=baseline). Een stabiele baseline betekent dat er weinig
schommelingen (fluctuatie) zijn voordat je met je behandeling start.
Stel, je wilt onderzoeken of complimenten ervoor zorgen dat een kind vaker zijn speelgoed opruimt.
Eerst meet je een paar dagen hoe vaak het kind het speelgoed uit zichzelf opruimt, zonder dat je
complimenten geeft. Pas als dit gedrag ongeveer hetzelfde blijft (weinig fluctuatie), begin je met het
geven van complimenten. Zo weet je zeker dat veranderingen komen door jouw complimenten en niet
door toeval.
4. Gebaseerd op versterkingsprincipes, je probeert positief gedrag te versterken door
beloningen/bekrachtigen.
5. Visuele analyse, je kijkt naar grafieken en patronen om veranderingen te ontdekken.
Geschiedenis van onderzoek
1. Vroege experimentele studies (sociale wetenschappen)
Waren gericht op individuele proefpersonen.
Hadden heel duidelijke uitkomsten (je zag het direct gebeuren).
Gebruikten geen statistische analyse (geen berekeningen nodig).
Voorbeeld: Je hoort steeds een geluidje, waarna iemand water in je gezicht sprayt. Na veel herhaling ga
je automatisch knipperen zodra je alleen het geluidje hoort, zelfs als er geen water meer komt. Hier heb
je geen statistiek voor nodig; het effect is duidelijk.
2. Ontwikkeling van inferentiële statistiek (conclusies trekken uit steekproeven)
Begonnen met het generaliseren van resultaten vanuit een kleinere groep (steekproef) naar een
grotere groep (populatie).
Gingen groepen onderling vergelijken.
Hierdoor kwamen er steeds meer studies met grotere experimentele groepen en minder case
studies.
Voorbeeld: Je test een nieuw slaapmiddel bij 100 mensen. Door statistiek kun je voorspellen of het
middel waarschijnlijk ook bij duizenden andere mensen werkt.
3. Vroege case studies in klinisch onderzoek
Uitleg 1:
Geen experimentele controle → Er was weinig tot geen controle over de omstandigheden waarin
het onderzoek plaatsvond
Moeilijk te repliceren
Onderzoekers schreven vooral over succesvolle gevallen, waardoor het leek alsof alles altijd goed
werkte.
→ Hierdoor werden case studies minder populair, en kozen onderzoekers vaker voor groep-studies.
4