Samenvatting Erfrecht I 2025
WEEK 1 – INLEIDING VERSTERFERFRECHT
HOOFDSTUK 1: DE GESCHIEDENIS VAN DE TOTSTANDKOMING VAN BOEK 4 BW EN
ALGEMEEN OVERGANGSRECHT
Erfrecht
Erfrecht: geheel van regels betreffende de vermogensrechtelijke aspecten van het overlijden van
een natuurlijk rechtssubject.
Algemene inleiding overgangsrecht
Het overgangsrecht regelt de werking van nieuwe regels op bestaande rechtstoestanden.
De overgangswet heeft net als het BW een gelaagde structuur: op een rechtshandeling kunnen
zowel algemene als bijzondere bepalingen van toepassing zijn. De bepalingen in de Overgangswet
NBW kennen de volgende indeling:
- Verwijzingsregels: bepalingen die aangeven welk recht op een bepaald geval van
toepassing is
- Overbruggingsregels: Regels die aangeven welke bijzondere overbruggingsregels op
bepaalde gevallen van toepassing zijn
Voor het erfrecht zijn met name titel 4 (Overgangsbepalingen boek 3) en titel 5
(Overgangsbepalingen boek 4) van belang.
De hoofdregel van het overgangsrecht is dat de uit de uiterste wil van erflater blijkende uiterste
wilsbeschikking zoveel mogelijk dient te worden geinterpreteerd vanuit de context van het oude
recht. Daarom is voor het erfrecht gekozen voor de hoofdregel van onmiddellijke werking. De
andere regels vormen een uitzondering op deze algemene regel. Een uitzondering op het beginsel
van onmiddellijke werking is bijvoorbeeld art. 69 Overgangswet.
Enkele belangrijke bepalingen:
- Art. 69: het beginsel van eerbiedigende werking ten aanzien van verkregen rechten. Dit
beginsel is alleen van belang indien de nalatenschap voor de inwerkingtreding van de wet
openvalt
- Art. 72 (verjaring/vervaltermijn): nieuwe termijn is korter dan 1 jaar --> de termijn begint pas
te lopen vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet.
- Art. 73: nieuwe termijn 1 jaar of langer – oude regels blijven nog 1 jaar gelden na de
inwerkingtreding
- Art. 73a: als de oude termijn al is verstreken dan heropent de nieuwe wet geen oude
rechten, verlopen blijft verlopen.
- Art. 74: handelt over de situatie dat tijdens een erfrechtelijke procedure de wet wordt
gewijzigd
- Art. 75: algemene vangnetbepaling
Het overgangsrecht en (ver)nietig(bar)e rechtshandelingen
Overgangsrechtelijke kwesties spelen in twee situaties:
- Nalatenschap is voor de inwerkingtreding van de wet opengevallen
- De nalatenschap is na het in werking treden van de wet opengevallen
,In de laatste situatie speelt het overgangsrecht slechts een rol indien de uiterste wilsbeschikking
voor het tijdstip van inwerkingtreding is gemaakt.
Art. 79-81 Overgangswet handelen over de (ver)nietig(baar)heid van rechtshandelingen, hieronder
schematisch samengevat. De kolom links is oud recht en de rij bovenaan nieuw recht.
Oud/nieuw Geldig Vernietigbaar Nietig
De linker kolom is de situatie onder
oud recht, de bovenste rij de situatie
onder nieuw recht
Geldig (79) Geldig Geldig (79) Geldig (79)
Vernietigbaar (80) Geldig (80 lid 1) Vernietigbaar Nietig (80 lid 2)
Nietig (81) Geldig (81 lid 1) Vernietigbaar Nietig
(81 lid 2)
Art. 79-81 Overgangswet kunnen rechtstreeks worden toegepast op voor het inwerking treden van
de wet opengevallen nalatenschappen, immers zijn er nog geen te eerbiedigen rechten door
derden verkregen, de uiterste wil werkt nog niet. Maar let op: deze bepalingen, met uitzondering
van art. 79 NBW, zijn niet van toepassing op een uiterste wilsbeschikking die voor het tijdstip van
het in werking treden van de wet is gemaakt maar de nalatenschap daarna pas openvalt (art. 127
NBW).
HOOFDSTUK 2 ALGEMENE BEPALINGEN
Erfopvolging
Erfopvolging heeft plaats bij (art. 4:1 lid 1 BW):
- Versterf, d.w.z. enkel op grond van de wet, dus niet bij uiterste wilsbeschikking;
- Krachtens uiterste wilsbeschikking.
Met versterf wordt in spreektaal ook wel gebruikt ter aanduiding van iemands erfdeel.
Erfopvolging leidt tot een verkrijging onder algemene titel: de opvolging in een onbepaald aantal
goederen, schulden en/of rechtsbetrekkingen, enkel op grond van het zich voordoen van een
bepaald rechtsfeit (overlijden) (art. 3:80 lid 2 jo. 4:182 BW).
Terminologie:
- Uiterste wilsbeschikking: rechtshandeling waarbij van erfopvolging bij versterf wordt
afgeweken.
- Erfstelling: een uiterste wilsbeschikking, krachtens welke de erflater aan een of meer
daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een onverdeeld aandeel daarin
nalaat (art. 4:115 BW).
- Onterving: uitsluiting van erfgenaamschap
Zijn er geen erfgenamen, dan worden de goederen van de nalatenschap onder algemene titel door
de staat verkregen (Art. 4:189 BW). De rechtsopvolger treedt ook in rechtsverhoudingen die zich
niet in subjectieve gerechtigdheid vertalen, zoals goodwill en auteursrecht. Naburige
exploitatierechten aan het auteursrecht gaan over door erfopvolging, persoonlijkheidsrechten
(recht op naamsvermelding en recht op verzetten tegen wijziging of verminking van de uitvoering)
zijn niet vatbaar voor erfopvolging en kunnen slechts worden uitgeoefend door iemand die daartoe
bij testament of codicil is aangewezen.
,Krachtens erfrecht
De uitdrukking ‘krachtens erfrecht’ verwijst naar de rechtsgrond van de verkrijging en is onder meer
van belang voor de Successiewet, de Wet op belastingen van rechtsverkeer en de Wet IB.
Volgorde van overlijden
Bestaanseis --> als erfgenaam bij versterf dient men dient te bestaan op het ogenblik dat de
nalatenschap openvalt (art. 4:9 BW).
Commorientenregel (Art. 4:2 lid 1 BW) wanneer de volgorde van overlijden van 2 personen niet
kan worden vastgesteld, worden de personen geacht gelijktijdig te zijn overleden valt de ene
persoon geen voordeel en geen nadeel uit de nalatenschap van de ander ten deel.
RB Den Haag 16 januari 2019 --> Als het tijdstip van overlijden wel objectief kan worden
vastgesteld, kan de redelijkheid en billijkheid er niettemin toe lijden dat materieel de
commorientenregel wordt toegepast. Hier was aan de orde dat beide echtgenoten kort na elkaar
stierven aan voedselvergiftiging. De rechter kan een belanghebbende uitstel verlenen bij het
verlenen van bewijs van het tijdstip van overlijden (art. 4:2 lid 2 BW). Totdat er uitsluitsel is over de
overlijdensvolgorde, zal de notaris wachten met het afgeven van de verklaring van erfrecht (Art.
4:187 lid 1 BW). In dit kader zijn ook van belang art. 1:412 (personen wier bestaan onzeker is) en
1:414 BW (rechtsvermoeden van overlijden).
Onwaardigheid
Onwaardigheid (art. 4:3 lid 1 BW) bepaalde handelingen maken iemand van rechtswege
onwaardig om uit een nalatenschap te erven. Onwaardigheid betreft niet alleen erfgenaamschap
maar kan ook een legaat of een voordeel op grond van een last betreffen (‘... uit een nalatenschap
voordeel te trekken).
Als pas na het uitkeren van het voordeel uit de nalatenschap bekend wordt dat sprake is van
onwaardigheid, dan ontvalt de grond aan de erfrechtelijke bevoordeling en kunnen andere
krachtens erfrecht gerechtigden afgifte vorderen.
Rechten door derden te goeder trouw verkregen worden in beginsel geerbiedigd, zie art. 4:3 lid 2
BW. Onwaardigheid vervalt indien erflater de onwaardige op ondubbelzinnige wijze heeft vergeven
(Art. 4:3 lid 3 BW). Onder vergeving wordt niet verstaan het herrroepen van de uiterste
wilsbeschikking.
Rechtshandelingen betreffende een niet opengevallen nalatenschap
Art. 4:4 BW verklaart enkele rechtshandelingen betreffende een nog niet opengevallen
nalatenschap nietig.
- Lid 1: Bijv: bevoegdheden tot maken/herroepen uiterste wilsbeschikking, verwerpen en
aanvaarden legaten/erfgenaamschap, opkomen tegen inbreuken op rechten als
legitimaris, het vernietigen van de uiterste wil of het uitoefenen van wilsrechten. Het woord
strekking verruimt het toepassingsgebied en impliceert dat de rechtshandeling met een
oogmerk wordt verricht. Onder het toepassingsgebied valt niet het bestraffen van een kind
die een beroep doet op zijn legitieme portie met een onterving of de verkrijging te beperken
tot de legitieme.
- Lid 2: Dit lid is beperkt tot overeenkomsten waarbij een toekomstig erfgenaam partij is, dus
niet een toekomstige lastbevoordeelde of legataris. Het ziet niet op overeenkomsten na
dode die ziet op bepaalde goederen, denk aan overnemings-, verblijvings-, optie en
verdelingsbedingen. Uit de zinsnede ‘geheel of evenredig deel daarvan’ blijkt dat het artikel
, niet alleen ziet op een goed maar ook (een deel van) de schulden. Ook ziet het niet op
huwelijksvermogensrechtelijke bedingen met werking bij overlijden zoals een finaal
verrekenbeding.
Betaling geldsom
Art. 4:5 BW biedt een betalingsregeling die bijvoorbeeld bij een bedrijfsopvolging van belang kan
zijn.
Waarde en waardering
Er is geen algemene maatstaf voor waardering van goederen in het erfrecht. De waarde in het
economisch verkeer kan uitkomst bieden, maar zal ook op grond van de redelijkheid en billijkheid
een andere waarde kunnen gelden. De WOZwaarde wordt aangehouden voor de heffing van
bepaalde belastingen. Art. 4:6 BW bepaalt voorts dat onder de waarde van de goederen van de
nalatenschap wordt verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddelijk na het
overlijden van de erflater. In ieder geval kan de rechtssfeer bepalend zijn voor het vaststellen van
de waarde. Bij erfrechtelijke bedrijfsopvolging kan bijvoorbeeld de agrarische waarde een rol
spelen.
De nalatenschap
Nalatenschap is een algemeenheid van goederen: het geheel van goederen en schulden die
volgens de verkeersopvatting, gelet op de aard van de rechtsverhouding, bijeen horen
Er is een bijzondere gemeenschap (art. 3:189 BW) indien er meerdere erfgenamen zijn.
Afgescheiden vermogen (art. 4:184 lid 1 BW): indien er meerdere erfgenamen zijn, heeft iedere
boedelschuldeiser (schuldeiser van de nalatenschap) een exclusieve verhaalspositie in die zin dat
hij concurrentie van eigen schuldeisers van erfgenamen niet hoeft te dulden. Indien er maar 1
erfgenaam is, is er geen afgescheiden vermogen en is er geen exclusieve verhaalspositie van
schuldeisers, tenzij er beneficiair wordt aanvaard.
Gedurende een termijn van drie maanden na het overlijden kan geen verhaal op de goederen van
de nalatenschap die nog niet door alle erfgenamen is aanvaard (art. 4:185 BW).
De schulden van de nalatenschap staan in art. 4:7 lid 1 BW. Lid 2 betreft de rangorde van schulden.
- Sub b: met de omstandigheden wordt gedoeld op de welstand en andere
leefomstandigheden die in de periode aan het sterven voorafging.
- Sub c: de kosten van een informele vereffening, de kosten verbonden aan de inschakeling
van een boedelnotaris of partijnotaris. Kosten verbonden aan beneficiaire aanvaarding
komen voor eigen rekening.
- Sub d: hieronder vallen kosten die de executeur in redelijkheid heeft gemaakt of heeft doen
maken gelet op de hem door de wet of erflater toegedachte taak
- Sub f: de auteur stelt dat hieronder slechts vallen de schulden tot voldoenign van een
geldsom (art. 4:35 en 4:36 BW).
De saisineregel van art. 4:182 lid 1 BW ziet slechts op schulden van de erflater die niet met zijn
dood tenietgaan (art. 4:7 lid 1 sub a BW.
De erfgenamen zijn in geval van deelbaarheid slechts verbonden (aansprakelijk) voor een deel
evenredig naar hun erfdeel, tenzij zij hoofdelijk zijn verboden. Bij pluraliteit van schuldenaren is
ieder in beginsel voor een gelijk deel verbonden (Art. 6:6 BW).
WEEK 1 – INLEIDING VERSTERFERFRECHT
HOOFDSTUK 1: DE GESCHIEDENIS VAN DE TOTSTANDKOMING VAN BOEK 4 BW EN
ALGEMEEN OVERGANGSRECHT
Erfrecht
Erfrecht: geheel van regels betreffende de vermogensrechtelijke aspecten van het overlijden van
een natuurlijk rechtssubject.
Algemene inleiding overgangsrecht
Het overgangsrecht regelt de werking van nieuwe regels op bestaande rechtstoestanden.
De overgangswet heeft net als het BW een gelaagde structuur: op een rechtshandeling kunnen
zowel algemene als bijzondere bepalingen van toepassing zijn. De bepalingen in de Overgangswet
NBW kennen de volgende indeling:
- Verwijzingsregels: bepalingen die aangeven welk recht op een bepaald geval van
toepassing is
- Overbruggingsregels: Regels die aangeven welke bijzondere overbruggingsregels op
bepaalde gevallen van toepassing zijn
Voor het erfrecht zijn met name titel 4 (Overgangsbepalingen boek 3) en titel 5
(Overgangsbepalingen boek 4) van belang.
De hoofdregel van het overgangsrecht is dat de uit de uiterste wil van erflater blijkende uiterste
wilsbeschikking zoveel mogelijk dient te worden geinterpreteerd vanuit de context van het oude
recht. Daarom is voor het erfrecht gekozen voor de hoofdregel van onmiddellijke werking. De
andere regels vormen een uitzondering op deze algemene regel. Een uitzondering op het beginsel
van onmiddellijke werking is bijvoorbeeld art. 69 Overgangswet.
Enkele belangrijke bepalingen:
- Art. 69: het beginsel van eerbiedigende werking ten aanzien van verkregen rechten. Dit
beginsel is alleen van belang indien de nalatenschap voor de inwerkingtreding van de wet
openvalt
- Art. 72 (verjaring/vervaltermijn): nieuwe termijn is korter dan 1 jaar --> de termijn begint pas
te lopen vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet.
- Art. 73: nieuwe termijn 1 jaar of langer – oude regels blijven nog 1 jaar gelden na de
inwerkingtreding
- Art. 73a: als de oude termijn al is verstreken dan heropent de nieuwe wet geen oude
rechten, verlopen blijft verlopen.
- Art. 74: handelt over de situatie dat tijdens een erfrechtelijke procedure de wet wordt
gewijzigd
- Art. 75: algemene vangnetbepaling
Het overgangsrecht en (ver)nietig(bar)e rechtshandelingen
Overgangsrechtelijke kwesties spelen in twee situaties:
- Nalatenschap is voor de inwerkingtreding van de wet opengevallen
- De nalatenschap is na het in werking treden van de wet opengevallen
,In de laatste situatie speelt het overgangsrecht slechts een rol indien de uiterste wilsbeschikking
voor het tijdstip van inwerkingtreding is gemaakt.
Art. 79-81 Overgangswet handelen over de (ver)nietig(baar)heid van rechtshandelingen, hieronder
schematisch samengevat. De kolom links is oud recht en de rij bovenaan nieuw recht.
Oud/nieuw Geldig Vernietigbaar Nietig
De linker kolom is de situatie onder
oud recht, de bovenste rij de situatie
onder nieuw recht
Geldig (79) Geldig Geldig (79) Geldig (79)
Vernietigbaar (80) Geldig (80 lid 1) Vernietigbaar Nietig (80 lid 2)
Nietig (81) Geldig (81 lid 1) Vernietigbaar Nietig
(81 lid 2)
Art. 79-81 Overgangswet kunnen rechtstreeks worden toegepast op voor het inwerking treden van
de wet opengevallen nalatenschappen, immers zijn er nog geen te eerbiedigen rechten door
derden verkregen, de uiterste wil werkt nog niet. Maar let op: deze bepalingen, met uitzondering
van art. 79 NBW, zijn niet van toepassing op een uiterste wilsbeschikking die voor het tijdstip van
het in werking treden van de wet is gemaakt maar de nalatenschap daarna pas openvalt (art. 127
NBW).
HOOFDSTUK 2 ALGEMENE BEPALINGEN
Erfopvolging
Erfopvolging heeft plaats bij (art. 4:1 lid 1 BW):
- Versterf, d.w.z. enkel op grond van de wet, dus niet bij uiterste wilsbeschikking;
- Krachtens uiterste wilsbeschikking.
Met versterf wordt in spreektaal ook wel gebruikt ter aanduiding van iemands erfdeel.
Erfopvolging leidt tot een verkrijging onder algemene titel: de opvolging in een onbepaald aantal
goederen, schulden en/of rechtsbetrekkingen, enkel op grond van het zich voordoen van een
bepaald rechtsfeit (overlijden) (art. 3:80 lid 2 jo. 4:182 BW).
Terminologie:
- Uiterste wilsbeschikking: rechtshandeling waarbij van erfopvolging bij versterf wordt
afgeweken.
- Erfstelling: een uiterste wilsbeschikking, krachtens welke de erflater aan een of meer
daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een onverdeeld aandeel daarin
nalaat (art. 4:115 BW).
- Onterving: uitsluiting van erfgenaamschap
Zijn er geen erfgenamen, dan worden de goederen van de nalatenschap onder algemene titel door
de staat verkregen (Art. 4:189 BW). De rechtsopvolger treedt ook in rechtsverhoudingen die zich
niet in subjectieve gerechtigdheid vertalen, zoals goodwill en auteursrecht. Naburige
exploitatierechten aan het auteursrecht gaan over door erfopvolging, persoonlijkheidsrechten
(recht op naamsvermelding en recht op verzetten tegen wijziging of verminking van de uitvoering)
zijn niet vatbaar voor erfopvolging en kunnen slechts worden uitgeoefend door iemand die daartoe
bij testament of codicil is aangewezen.
,Krachtens erfrecht
De uitdrukking ‘krachtens erfrecht’ verwijst naar de rechtsgrond van de verkrijging en is onder meer
van belang voor de Successiewet, de Wet op belastingen van rechtsverkeer en de Wet IB.
Volgorde van overlijden
Bestaanseis --> als erfgenaam bij versterf dient men dient te bestaan op het ogenblik dat de
nalatenschap openvalt (art. 4:9 BW).
Commorientenregel (Art. 4:2 lid 1 BW) wanneer de volgorde van overlijden van 2 personen niet
kan worden vastgesteld, worden de personen geacht gelijktijdig te zijn overleden valt de ene
persoon geen voordeel en geen nadeel uit de nalatenschap van de ander ten deel.
RB Den Haag 16 januari 2019 --> Als het tijdstip van overlijden wel objectief kan worden
vastgesteld, kan de redelijkheid en billijkheid er niettemin toe lijden dat materieel de
commorientenregel wordt toegepast. Hier was aan de orde dat beide echtgenoten kort na elkaar
stierven aan voedselvergiftiging. De rechter kan een belanghebbende uitstel verlenen bij het
verlenen van bewijs van het tijdstip van overlijden (art. 4:2 lid 2 BW). Totdat er uitsluitsel is over de
overlijdensvolgorde, zal de notaris wachten met het afgeven van de verklaring van erfrecht (Art.
4:187 lid 1 BW). In dit kader zijn ook van belang art. 1:412 (personen wier bestaan onzeker is) en
1:414 BW (rechtsvermoeden van overlijden).
Onwaardigheid
Onwaardigheid (art. 4:3 lid 1 BW) bepaalde handelingen maken iemand van rechtswege
onwaardig om uit een nalatenschap te erven. Onwaardigheid betreft niet alleen erfgenaamschap
maar kan ook een legaat of een voordeel op grond van een last betreffen (‘... uit een nalatenschap
voordeel te trekken).
Als pas na het uitkeren van het voordeel uit de nalatenschap bekend wordt dat sprake is van
onwaardigheid, dan ontvalt de grond aan de erfrechtelijke bevoordeling en kunnen andere
krachtens erfrecht gerechtigden afgifte vorderen.
Rechten door derden te goeder trouw verkregen worden in beginsel geerbiedigd, zie art. 4:3 lid 2
BW. Onwaardigheid vervalt indien erflater de onwaardige op ondubbelzinnige wijze heeft vergeven
(Art. 4:3 lid 3 BW). Onder vergeving wordt niet verstaan het herrroepen van de uiterste
wilsbeschikking.
Rechtshandelingen betreffende een niet opengevallen nalatenschap
Art. 4:4 BW verklaart enkele rechtshandelingen betreffende een nog niet opengevallen
nalatenschap nietig.
- Lid 1: Bijv: bevoegdheden tot maken/herroepen uiterste wilsbeschikking, verwerpen en
aanvaarden legaten/erfgenaamschap, opkomen tegen inbreuken op rechten als
legitimaris, het vernietigen van de uiterste wil of het uitoefenen van wilsrechten. Het woord
strekking verruimt het toepassingsgebied en impliceert dat de rechtshandeling met een
oogmerk wordt verricht. Onder het toepassingsgebied valt niet het bestraffen van een kind
die een beroep doet op zijn legitieme portie met een onterving of de verkrijging te beperken
tot de legitieme.
- Lid 2: Dit lid is beperkt tot overeenkomsten waarbij een toekomstig erfgenaam partij is, dus
niet een toekomstige lastbevoordeelde of legataris. Het ziet niet op overeenkomsten na
dode die ziet op bepaalde goederen, denk aan overnemings-, verblijvings-, optie en
verdelingsbedingen. Uit de zinsnede ‘geheel of evenredig deel daarvan’ blijkt dat het artikel
, niet alleen ziet op een goed maar ook (een deel van) de schulden. Ook ziet het niet op
huwelijksvermogensrechtelijke bedingen met werking bij overlijden zoals een finaal
verrekenbeding.
Betaling geldsom
Art. 4:5 BW biedt een betalingsregeling die bijvoorbeeld bij een bedrijfsopvolging van belang kan
zijn.
Waarde en waardering
Er is geen algemene maatstaf voor waardering van goederen in het erfrecht. De waarde in het
economisch verkeer kan uitkomst bieden, maar zal ook op grond van de redelijkheid en billijkheid
een andere waarde kunnen gelden. De WOZwaarde wordt aangehouden voor de heffing van
bepaalde belastingen. Art. 4:6 BW bepaalt voorts dat onder de waarde van de goederen van de
nalatenschap wordt verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddelijk na het
overlijden van de erflater. In ieder geval kan de rechtssfeer bepalend zijn voor het vaststellen van
de waarde. Bij erfrechtelijke bedrijfsopvolging kan bijvoorbeeld de agrarische waarde een rol
spelen.
De nalatenschap
Nalatenschap is een algemeenheid van goederen: het geheel van goederen en schulden die
volgens de verkeersopvatting, gelet op de aard van de rechtsverhouding, bijeen horen
Er is een bijzondere gemeenschap (art. 3:189 BW) indien er meerdere erfgenamen zijn.
Afgescheiden vermogen (art. 4:184 lid 1 BW): indien er meerdere erfgenamen zijn, heeft iedere
boedelschuldeiser (schuldeiser van de nalatenschap) een exclusieve verhaalspositie in die zin dat
hij concurrentie van eigen schuldeisers van erfgenamen niet hoeft te dulden. Indien er maar 1
erfgenaam is, is er geen afgescheiden vermogen en is er geen exclusieve verhaalspositie van
schuldeisers, tenzij er beneficiair wordt aanvaard.
Gedurende een termijn van drie maanden na het overlijden kan geen verhaal op de goederen van
de nalatenschap die nog niet door alle erfgenamen is aanvaard (art. 4:185 BW).
De schulden van de nalatenschap staan in art. 4:7 lid 1 BW. Lid 2 betreft de rangorde van schulden.
- Sub b: met de omstandigheden wordt gedoeld op de welstand en andere
leefomstandigheden die in de periode aan het sterven voorafging.
- Sub c: de kosten van een informele vereffening, de kosten verbonden aan de inschakeling
van een boedelnotaris of partijnotaris. Kosten verbonden aan beneficiaire aanvaarding
komen voor eigen rekening.
- Sub d: hieronder vallen kosten die de executeur in redelijkheid heeft gemaakt of heeft doen
maken gelet op de hem door de wet of erflater toegedachte taak
- Sub f: de auteur stelt dat hieronder slechts vallen de schulden tot voldoenign van een
geldsom (art. 4:35 en 4:36 BW).
De saisineregel van art. 4:182 lid 1 BW ziet slechts op schulden van de erflater die niet met zijn
dood tenietgaan (art. 4:7 lid 1 sub a BW.
De erfgenamen zijn in geval van deelbaarheid slechts verbonden (aansprakelijk) voor een deel
evenredig naar hun erfdeel, tenzij zij hoofdelijk zijn verboden. Bij pluraliteit van schuldenaren is
ieder in beginsel voor een gelijk deel verbonden (Art. 6:6 BW).