6.1 Twee soorten strafuitsluitingsgronden
1. Rechtvaardigingsgrond: neemt de wederrechtelijkheid weg. De verdachte heeft niet
wederrechtelijk gehandeld en geen strafbaar feit gepleegd. Het feit is niet strafbaar.
2. Schulduitsluitingsgrond: neemt de schuld weg. De verdachte kan geen verwijt
worden gemaakt en is niet strafbaar. De dader is niet strafbaar.
6.2 Rechtvaardigingsgronden
6.2.1 Overmacht noodtoestand
Iemand moet de keuze maken tussen twee bestaande plichten: de plicht om de wet na te
leven en de maatschappelijke plicht. Weegt maatschappelijke plicht zwaarder dan wettelijke
plicht? beroep op overmacht noodtoestand (toestand moet wel acuut zijn).
3 voorwaarden:
1- De keuze moet proportioneel zijn
2- De toestand moet acuut zijn (snel kiezen)
3- De keuze is subsidiair: er is geen andere mogelijkheid.
Voorbeeld: Dienke snijdt per ongeluk in haar slagader tijdens het snijden van een stuk kaas.
Eric rijdt haar naar het ziekenhuis met 140 km/u waar je 80 mag en houdt zich aan geen
verkeersregel. Zijn keuze is proportioneel en moest snel gebeuren, anders bloedde Dienke
dood.
6.2.2 Noodweer
3 voorwaarden:
1- Ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding
2- Van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed
3- Geboden door een noodzakelijke verdediging
Ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding
Het moet gaan om een aanranding die op dat moment plaatsvindt, je mag je niet verdedigen
tegen een aanval die nog moet gebeuren (vrees is dus niet genoeg) of die inmiddels al
gestopt is.
Voorbeeld: De buurman van Nico loopt boos op hem af met een bijl en zegt dat hij hem gaat
vermoorden.
De aanranding moet ook in strijd zijn met het recht (wederrechtelijk). Dat is vaak zo, maar
niet altijd.
Voorbeeld: Een agent gebruikt geweld tegen Jan die de openbare orde verstoort. Jan slaat
terug. De verdediging van Jan is niet toegestaan omdat de agent niet wederrechtelijk
handelde.