Hoorcolleges en Werkcolleges
,Hoorcollege 1 – Immunologie
Het immuun (afweer) systeem zorgt voor bescherming tegen pathogenen en lichaamsvreemde
stoffen (antigenen). Pathogenen zijn ziekmakende micro-organismen. Immunologie gaat over de
specifieke afweer en aspecifieke afweer (zie HC 3).
Aspecifieke afweersysteem
Dit zijn aangeboren cellulaire fagocyten, zoals macrofagen en dendritische cellen in weefsels en
neutrofielen, monocyten in bloed. Dit zijn zogenoemde antigeen presterende cellen (APC). Via de
hormonen worden er complementfactoren aangemaakt (Het complementsysteem speelt samen met
antistoffen en fagocyten een zeer belangrijke rol bij de afweer tegen micro-organismen. Het is sterk
betrokken bij de activatie van immuun cellen).
Specifieke afweersysteem
Hier worden cellulaire lymfocyten verworven. Via de
hormonen worden er antistoffen geproduceerd.
Specifiek afweersysteem (cellulair)
Lymfocyten zitten in lymfoïde organen uit het bloed.
Lymfocyten bestaan uit B-cellen (uit het beenmerg) en uit
T-cellen (uit de thymus). T-cellen heeft weer een
onderscheidt uit T-helper cellen (suppressor) en
cytotoxische t-cel (killercel).
B-cellen
B-cel is een specifieke antistof aan een
celmembraan. Het herkent maar 1 bepaalde
structuur. Activatie van b-cel door contact met een
antigeen. Na activatie vormt het plasmacellen en
memory cellen met specifieke antistof met behulp
van een t-helper cel. Plasmacellen produceren een
specifieke antistof tegen het antigeen (dit is een
humoraal proces). Memorycellen helpen met het
immuun maken van het lichaam door b-cellen al
paraat te hebben staan wanneer die virus nog een
keer het lichaam binnen dringt.
Door vorming van een aantal
memorycellen, zal er de volgende
keer snellere en specifiekere
reactie op nieuw contact specifiek
antigeen ontstaan van
immuniteit.
, T-cellen
Er zijn 2 soorten t-cellen: Cytotoxische t-cel en t-helper. Een t-cel kan alleen antigenen herkennen die
worden gepresenteerd door APC. Een APG is een fagocyt die een antigeen als het ware opeet en een
deel aan de buitenkant kan presenteren. Cytotoxische t-cellen doden
de geïnfecteerde cel of kankercel (evenals een natural killer). Een t-
helper cel assisteert andere immuun cellen, bijvoorbeeld zoals bij een
b-cel en een cytotoxische t-cel, waar zowel stimulatie als remming
plaatsvindt.
Specifieke afweersysteem humoraal (antistoffen)
Het specifieke afweersysteem bestaat uit antistoffen tegen
zogenaamde antigenen (lichaamsvreemde stoffen). Het lichaam kan
bijna oneindig verschillende antistoffen maken. Antistoffen bestaan
uit zogenoemde immunoglobulinen (IG). De productie van IG wordt
door speciale lymfocyten gedaan: bestaande uit B-cellen en
plasmacellen
Immunoglobulines (antistoffen/antilichamen)
Er zijn 9 soorten immunoglobulines, de belangrijkste zijn:
• IGG: te vinden in moedermelk, speeksel en de darmen
• IGA: Belangrijkste vorm in jouw bloed, bindt aan allergenen en kan in weefsel toetreden.
• IGM: Zit in het bloed en is effectief in het doden van micro-organismen
• IGE: Dit zit verbonden aan mestcellen
Immunoglobulines hebben verschillende effecten
• Het doden van micro-organismen (met name IGA en IGM)
• Opsonisatie van micro-organismen (IGG). De opsonisatie (Opsonisatie is de aanpassing van
het oppervlak van een pathogeen of ander lichaamsvreemd partikel zodat het opgenomen
kan worden door fagocyten. Een voorbeeld hiervan is de hechting van Immunoglobuline G
antilichamen aan het membraan van een pathogene bacterie) vergemakkelijkt fagocytose.
• Binding aan mestcellen voor release ontstekingsmediatoren (bv Histamine, IGE)
• Voorkomen hechting aan slijmvlies (IGA)
IGE is belangrijk bij allergieën, het is bedoeld tegen parasieten (worminfecties). IGE is gebonden aan
mestcellen in de weefsels en basofielen (Basofiele granulocyten behoren tot de groep van
granulocyten. Een granulocyt is een witte bloedcel met granulen in het cytoplasma. In deze granulen
kunnen verschillende stoffen zijn opgeslagen) in het bloed. Als IGE dat gebonden is aan een mestcel
en in contact komt met een specifiek allergeen, is er sprake van degranulatie (Degranulatie is het
afgeven van bepaalde, in granulen verpakte stoffen door een cel naar de omgeving rondom de cel,
waardoor een specifiek proces op gang komt). Bij degranulatie ontstaat er een uitstoot van
ontstekingsmediatoren (o.a. histamine).
Bij degranulatie van mestcellen zorgen ontstekingsfactoren voor:
• Vasodilatatie (verhoogde bloedstroom door verwijden van bloedvaten)
• Chemotaxis (aantrekking andere ontstekingscellen)
• Verhoogde permeabiliteit capillairen
• Contractie glad spierweefsel
Daarnaast is er ook uitscheiding van cytokinen die voor stimulatie van andere ontstekingscellen
zorgen.